Het zou toch goed kunnen dat er nog steeds naar haar werd gezocht. Haar moeder zou het nooit opgeven, dat wist ze zeker. Kathrine pakte het vieze, vergeelde kussen en drukte het stijf tegen zich aan. Ze had zoveel stoms tegen haar moeder gezegd. Idioot, halve gare, kutwijf. Ze had haar zelfs een keer een hoer genoemd, maar toen had Tage haar stevig bij de arm gegrepen. Hij had haar mee naar boven genomen en haar in haar kamer opgesloten. Dat was ook wel goed geweest. Tage gaf om haar moeder. Hij deed zijn best. Er was iets aan de hand met zijn familie. Hij had al jaren geleden onenigheid met ze gekregen. Moeder had een keer gezegd dat hij dat heel erg vond. Tage was degene die Kathrines lunchpakket klaarmaakte. Hij nam ’s avonds altijd extra lekker beleg mee van zijn werk. Kathrine zei vaak tegen hem dat ze haar lunchpakket weggooide. Ze wist dat ze hem daarmee raakte, maar hij ging wel door met lunchpakketten maken. Het was trouwens ook niet waar. Ze at altijd het lunchpakket op, maar niet alle boterhammen omdat ze natuurlijk wel slank moest blijven.

Als ze ging slapen dacht ze aan de geur van haar moeders lichaam. Zoet en warm. Ze herinnerde zich haar stem. Ze hoorde hem steeds in haar hoofd. Ze liet haar moeder praten en dingen vertellen die ze zelf verzon. Ze gaf haar ook antwoord. Dan lachte moeder en zei dat alles in orde zou komen. Kathrine kon zich weinig herinneren van de jaren dat ze nog een kind was, ze had het gevoel dat ze die jaren was kwijtgeraakt. Ze herinnerde zich de tuin van Bessa, de vriendinnetjes en de familie. Maar de gezichten vervaagden. Ze herinnerde zich het hoge gras in de zomer en de bloemen die in verschillende soorten over de bloembedden waren verdeeld. Ze herinnerde zich de maaltijden aan de tuintafel. De veiligheid en het voortdurende geluid van de auto’s die langs het tuinhek reden. Ze mocht vaak op zolder spelen. Dan haalde ze de mooie, oude jurken uit de kisten en kratten. Ze verkleedde zich en had het gevoel dat ze een engel was. Sommige jurken waren zo oud dat de zijde scheurde. En uit het kleine zolderraampje zag ze de wolken langsdrijven en de boomtoppen bewegen in de wind.

Deze ruimte was grijs. De lucht was ook grijs. Alles was grijs en donker en afgesloten. Wat zou Maiken nu denken? Zou ze een nieuwe vriendin hebben gevonden? Maiken zou eens moeten weten hoe trots Kathrine was dat ze haar vriendin wilde zijn. Maiken was zo mooi, zo populair, zo knap.

Kathrine dacht aan haar vader. Hij was weggegaan toen ze acht was. Ze kon zich de dag van zijn vertrek nog herinneren. Het was op een zondag. Ze hadden haar gevraagd om in de kamer te komen. Ze kon zien dat er iets mis was en had gedacht dat er iemand was overleden. Ze vertelden dat ze een tijdje niet bij elkaar zouden wonen, gewoon om te proberen, zeiden ze. Maar ze wist dat het voor altijd was. Ze had gedacht dat het haar schuld was, dat ze niet lief genoeg was geweest.

Kathrine Bjerke zat tegen de grijze stenen muur te huilen. Ze zouden haar nu eens moeten zien, iedereen die dacht dat zij zo cool en gaaf, sterk en brutaal was. Nu zou Tage haar eens moeten zien. Nu zou mama haar eens moeten zien. Nu zou Kenneth haar eens moeten zien. Nu zou Bessa haar eens moeten zien.

De angst had haar in zijn greep. Ze had het steenkoud, hoewel het eigenlijk niet koud was. Er stond een kachel in de hoek. Een oud straalkacheltje. Als het aanstond werden de stalen draden oranje van kleur. Ze had eraan gedacht om haar arm erop te leggen en brandwonden te maken. Maar wat zou dat voor zin hebben?