Toen Cato Isaksen de lift uit kwam, trof hij Roger Høibakk die helemaal opgewonden was.
“De kleindochter van Brenda Elise Moen is veertien dagen geleden verdwenen”, zei hij. “Dat meisje dat de laatste dagen op de voorpagina van alle kranten staat. Kijk.” Hij hield een exemplaar van VG voor zijn chef op. Cato Isaksen pakte de krant en staarde naar de foto van het mooie, blonde meisje. GEEN NIEUWS OVER KATHRINE, stond er over de hele voorpagina.
Preben Ulriksen mengde zich in het gesprek. Beide rechercheurs praatten door elkaar heen. Ze hadden de hele nacht gewerkt. Cato Isaksen trok verstrooid zijn jas uit terwijl hij door de krant bladerde en vlug doornam wat er in stond.
“Hoe zijn jullie erachter gekomen dat dit Moens kleinkind is?”
“Kathrine Bjerkes moeder heeft niets gezegd toen ik belde om haar op de hoogte te stellen van de moord op haar moeder”, zei Roger Høibakk. “De politie van Follo nam contact met ons op toen ze hoorden van de moord.”
“Waarom heeft Alf Boris Moen niets gezegd?”
“Dat is misschien niet zo vreemd. Waarschijnlijk was hij in shock toen hij nog zo’n afschuwelijk bericht te horen kreeg”, zei Preben Ulriksen begripvol.
Cato Isaksen liep door de gang naar zijn kantoor en legde de krant opengeslagen op de tafel. Preben en Roger kwamen achter hem aan. “Hij is van gisteren”, zei Roger Høibakk vlug.
Cato Isaksen had het gevoel dat hij het meisje op de foto kende. Glimlachend, lief, met blauwe ogen en blond haar. Hij had elke dag over haar gelezen. Ze was op 20 februari in Drøbak verdwenen. Kathrine Bjerke was nog maar veertien jaar en ze was het laatst gezien door een vrouwelijke automobilist die haar even na middernacht bij de ingang van de Oslotunnel had gezien.
Het onderzoek had niets opgeleverd. Er was in de directe omgeving naar haar gezocht, zowel in het bos als in het water. Cato Isaksen besloot alles nog eens te lezen. Een vrouwelijke getuige reed even na middernacht langs een bushalte. Een paar dagen nadat er voor het eerst iets over Kathrine Bjerke in de krant was verschenen, meldde zij dat ze een jong meisje op krukken had gezien bij de bushalte vlak voor de Oslotunnel. De politie acht haar observatie betrouwbaar. De beschrijving die de vrouw van het meisje gaf deed denken aan Kathrine, bovendien klopte de waarneming van de krukken.
Er stond een grote foto bij van de vrouw die het meisje had gezien. Op haar schoot zat een baby.
Cato Isaksen leunde achterover op zijn stoel. Preben had een kop koffie voor hem gehaald. Hij pakte hem aan zonder te bedanken. De rechercheurs keken elkaar aan. Ze kenden elkaar. Ze hadden ontelbare malen zo bij elkaar gezeten.
Afdelingschef Ingeborg Myklebust stond plotseling in de deuropening. Ze droeg een roze twinset en een bruine rok. Ze maakte een fitte indruk. In haar hand hield ze Dagbladet.
“Ze hebben al over Brenda Moen geschreven”, zei ze, “maar ze hebben de moord nog niet in verband gebracht met de verdwijning van Kathrine Bjerke.”
“Natuurlijk niet”, zei Preben Ulriksen. “We hebben het zelf net gehoord. Wat zit je haar trouwens leuk”, vervolgde hij knipogend.
Ingeborg Myklebust deed of ze zijn commentaar niet hoorde. Iedereen wist dat ze een hekel had aan complimentjes. Ze nam plaats op een lege stoel.
“Het gebeurt hier in de stad niet vaak dat oude vrouwen worden neergeschoten”, zei ze.
“Maar jongeren die verdwijnen”, zei Roger Høibakk gapend, “dat is niet zo ongewoon.”
“Ze is nog maar veertien”, zei Ingeborg Myklebust. “Dit is een ernstige zaak.”
De andere rechercheurs waren het erover eens. Ze hadden natuurlijk zelf de verdwijningszaak ook op de voet gevolgd. Samen met de landelijke recherche leidde het politiedistrict Follo de zaak rond Kathrine. Dat die zaak iets te maken had met de moord op de oude vrouw in Ullevål Hageby was hoogst onwaarschijnlijk, maar het moest wel worden nagegaan.
“Het toeval speelt ons vaak parten”, zei Preben Ulriksen eveneens gapend.
De afdelingschef knikte ernstig.
“Ik vind dat je meteen een bezoek moet brengen aan de moeder van het slachtoffer”, zei ze naar Cato Isaksen knikkend.
“Ze woont in Drøbak”, zei Roger Høibakk. “Ik ga mee. We vertrekken direct nadat de politie van Follo hier is geweest. Ze komen eraan.”
“Nu?” Cato Isaksen keek op zijn horloge.
“We moeten de zaken zo snel mogelijk op een rijtje zetten”, zei Roger Høibakk vermoeid glimlachend. “Anders Ovesen van de landelijke recherche komt ook. Zij werden er een week geleden bij betrokken.”
Cato Isaksen voelde de moedeloosheid door zijn lijf trekken. Zo was het altijd aan het begin van een nieuwe zaak. Hij wist dat hij urenlang aan het werk zou zijn. Vandaag moest hij trouwens niet vergeten zijn jongste zoon Georg van de kleuterschool te halen. Sigrid Velde, met wie hij vijf jaar geleden een verhouding had gehad, was de moeder van zijn zoontje. Die relatie had veel ellende en pijn veroorzaakt. Nadat hij bijna twee jaar met de moeder van het jongetje had samengewoond, was hij weer teruggegaan naar zijn ex-vrouw Bente om voor de tweede keer met haar te trouwen. Hij haalde vlug een hand over zijn gezicht. Zijn collega’s hadden vaak grappen over zijn privé-leven gemaakt. Dat was tot daar aan toe. Het was allemaal onschuldig bedoeld. Hij was echter blij dat zijn collega’s niets vermoedden over hem en Ellen. Misschien was het maar goed dat ze ging trouwen, dan had hij een probleem minder.
Thorsen en Billington hadden ook de hele nacht gewerkt. Asle Tengs leek fit en uitgerust te zijn, Preben, Roger en de jonge aspirant gaapten echter om het hardst.
Randi Johansen kreeg de opdracht alle gevaarlijke gevangenen te checken die op vrije voeten waren. Psychoten, geweldplegers, iedereen.
“Ik neem de drugsgebruikers wel”, zei Asle Tengs rustig. “Want hoewel haar tasje niet is gestolen, kan het toch zijn dat iemand dat wel heeft geprobeerd.”
Een halfuur later kwamen de beide rechercheurs van politiedistrict Follo. Cato Isaksen ontving hen en riep zijn team bijeen in de grootste vergaderruimte. Vijf minuten later klopte ook Anders Ovesen van de landelijke recherche op de deur. Ze zaten een paar minuten te kletsen, maar gingen toen aan het werk. De beide rechercheurs van het politiedistrict Follo legden alles wat ze over de Kathrine-zaak hadden op tafel; foto’s en verslagen van alles wat ze hadden ondernomen in verband met haar verdwijning. Er waren grondige overzichten gemaakt van alle instanties die hadden deelgenomen aan de zoekacties. Burgerwacht, Rode Kruis en andere vrijwilligers. Het was allemaal grondig bij gehouden waar en wanneer ze hadden gezocht. In de haven was ook gebruikgemaakt van een minionderzeeër en duikers van het leger, om te checken of ze misschien in het water was gevallen. Verdwijningen van veertienjarige meisjes kregen automatisch de hoogste prioriteit. Alles was in het werk gesteld om haar te vinden. Kathrine Bjerke was een kind van gescheiden ouders. Ze had een stiefvader met wie ze nogal eens aanvaringen had. Maar niets in haar naaste familie- en vriendenkring was bijzonder opvallend. Ze had regelmatig contact met haar biologische vader en kon goed met haar moeder overweg. Er was contact opgenomen met haar lerares, maar dat had ook niets opgeleverd. Ze had gezegd dat Kathrine Bjerke weliswaar geen perfecte leerling was, maar toch heel gemiddelde resultaten bereikte. Een beetje voorlijk en op zichzelf, maar zo waren er nog minstens vier of vijf andere leerlingen in de klas aan te wijzen. Ze was enerzijds wel, maar anderzijds geen leiderstype. Ze kon wel en niet als zorgzaam worden omschreven. Ze was zeker intelligent. Er lag ook een verslag van een gesprek met de dominee bij wie ze catechisatielessen volgde. De dominee had haar als een heel gewoon meisje omschreven. Niet bijzonder geïnteresseerd in religie, maar dat waren de meeste anderen op catechisatie ook niet. Ze hadden gecontroleerd of ze met drugsgebruikers omging. Met name daar waren ze grondig te werk gegaan, omdat drugsproblematiek bij eerdere zaken vaak de oorzaak was gebleken. De conclusie was negatief. Kathrine was ook niet politiek actief geweest, noch was ze bijzonder geïnteresseerd in speciale dingen op internet.
De rechercheurs hadden rapporten opgesteld met theorieën of ze zwanger, ongelukkig of boos kon zijn. Wat dat betreft konden natuurlijk geen conclusies worden getrokken, maar informatie uit haar naaste omgeving had in geen enkel geval tot positieve aanwijzingen geleid. Kathrine Bjerke zou vrijwillig verdwenen kunnen zijn, zoals zoveel jongeren elk jaar deden, om na een tijdje weer gewoon op te duiken. Ze kon ontvoerd of vermoord zijn, ze zou in het water gevallen kunnen zijn en verdronken. Ze was voor het laatst gezien door de automobiliste vlak bij de ingang van de tunnel, 20 februari, een paar minuten na middernacht.
Er kon natuurlijk van alles zijn gebeurd. Alleen al de afgelopen twee jaar waren in Noorwegen zeventien kinderen en jongeren vermoord. Velen waren ook spoorloos verdwenen en nooit meer boven water gekomen. Er was in eerste instantie niets wat erop wees dat de moord op haar grootmoeder in Ullevål Hageby ook maar iets te maken had met de verdwijning van Kathrine Bjerke. Toch was het een merkwaardige samenloop van omstandigheden. Soms grepen zaken op een volkomen onwaarschijnlijke manier in elkaar. Daarom was het belangrijk niet al te krampachtig vast te houden aan één bepaalde theorie.
Anders Ovesen van de landelijke recherche nam het gesprek over. Cato Isaksen kende hem als een enigszins hooghartige en verwaande man. De verhouding tussen de afdeling van Ingeborg Myklebust en de landelijke recherche was bij vlagen allesbehalve hartelijk geweest. Uit ervaring was gebleken dat het niet altijd meeviel als zoveel politiemensen moesten samenwerken. Prestige en afgunst maakten deel uit van het dagelijkse politieleven. Volwassen mannen gedroegen zich als kleine kinderen als het erom ging wie de beste was.
Ovesen vertelde dat de politie van Follo een week geleden contact met hen had opgenomen. Ze hadden een opsporingsbericht van het meisje verspreid over het hele Schengengebied, wat in dergelijke zaken tot de vaste routine behoorde. Verder hadden ze een samenvatting gemaakt van de dingen die de politie van Follo had ondernomen. Cato Isaksens intuïtie zei hem dat dit een zaak was die lang zou duren. Noch de politie van Follo, noch de landelijke recherche had concrete punten om van uit te gaan. “Zoals de zaak er nu voor staat, liggen alle mogelijkheden nog open”, besloot Ovesen en hij drong erop aan dat de drie instanties nu, in het licht van de nieuwe moordzaak, verder moesten samenwerken. Cato Isaksen zond Roger Høibakk een veelzeggende blik. Cato Isaksen en zijn team kregen kopieën van de rapporten en de beschikking over al het andere materiaal dat met de zaak te maken had. Na de bijeenkomst stapten hij en Roger Høibakk in de auto en reden naar Drøbak. Ze hadden de namen gekregen van Kathrine Bjerkes vriend, van vrienden, buren en anderen die relevante informatie konden verstrekken.
“Haar vriend heet Kenneth Hansen. Hij is zestien jaar”, las Roger Høibakk voor uit de aantekeningen. Cato Isaksen concentreerde zich op het rijden.
“Op de avond van haar verdwijning heeft ze eerst een tijd met die Kenneth en haar vriendin Maiken Stenberg doorgebracht” vervolgde Høibakk. “Het is nu belangrijk om uit te zoeken hoe haar verhouding met haar grootmoeder was en of ze in de dagen voor haar verdwijning contact met elkaar hebben gehad. Dat moeten we aan haar moeder vragen.”
Cato Isaksen knikte en keek geërgerd naar een jongeman die hen in een oude auto, vlak voor een bocht, met hoge snelheid passeerde. Hij weerstond de neiging om het blauwe zwaailicht op het dak te zetten en jacht te maken op de snelheidsduivel.
“Ik ben ervan overtuigd dat de zoon van Brenda Moen naar alcohol rook toen we hem kwamen vertellen wat er was gebeurd.” Roger Høibakk draaide het raampje naar beneden. “Waarom ontkende hij dat hij iets had gedronken?”
“Mensen ontkennen zoveel dingen”, zei Cato Isaksen. “Op het moment dat ze met de politie te maken krijgen, is het net alsof ze over allerlei onbelangrijke dit jes en dat jes een slecht geweten krijgen. Daar weet jij toch ook alles van.”
Roger Høibakk knikte afwezig. Na dertig minuten kwamen ze langs het pretpark Tusenfryd, dat nog steeds voor de winter was gesloten. Tien minuten later waren ze in Drøbak.