Cato Isaksen voelde de ijskoude wind in zijn gezicht striemen. Hij ademde de frisse berglucht met volle teugen in. Het waren een paar mooie dagen in Norefjell. Gard en Tone waren elke dag aan het snowboarden op de slalompiste. Vetle, Bente en hij maakten een paar mooie skitochten samen met Bentes vriendin en haar twee kinderen. De zaterdag voor Pasen stond de zon aan een wolkeloze hemel. Ze hadden lunchpakketten en thermoskannen meegenomen. Met sparrentakken hadden ze tegen een paar dikke boomstammen een plek gemaakt om te rusten. Cato Isaksen voelde zijn krachten geleidelijk aan terugkomen. Hij kreeg ook kleur in zijn gezicht. Hij zag ertegen op weer terug te gaan naar het werk. Ingeborg Myklebust had gezegd dat ze niet tevreden was met de onderzoeksresultaten in de Moen-zaak. Nu hoopte iedereen dat de bloedanalyse van het T-shirt nieuwe aanknopingspunten zou bieden. Toen ze maandag in de namiddag terugreden uit de bergen, kreeg Cato Isaksen een sms-bericht van Ellen die vertelde dat de analyse van het bloed op het T-shirt de volgende dag om negen uur klaar zou zijn.

Dinsdag 17 april kwam het rechercheteam weer op de kamer van Cato Isaksen bij elkaar. Iedereen was gespannen. Sommigen hadden het hele paasweekend gewerkt om de zaak draaiende te houden. Misschien zou er veel duidelijk worden als het rapport van de bloedanalyse werd gepresenteerd. Cato Isaksen had verteld dat Nils Bergman de leider was van de livegroep, maar de rechercheurs waren het met elkaar eens dat ze niet wisten wat dat kon betekenen. Hij had ook het overzicht gemaakt van alle personen rond Kathrine en haar grootmoeder. Hij had verschillende kleuren viltstiften gebruikt en strepen getrokken tussen de personen die elkaar kenden. Het resultaat was een haast lachwekkende tekening met sprieten die in alle richtingen staken. Het leek wel moderne kunst. Namen en strepen kruisten elkaar terwijl getallen aanduidden in welke volgorde mensen met elkaar te maken hadden.

Ellen Grues gezicht leek uit steen gehouwen. Ze wachtte tot iedereen was gaan zitten. Roger Høibakk treuzelde en de anderen wachtten ongeduldig.

Ten slotte gaf Cato Isaksen een teken dat ze kon beginnen. Hij voelde hoe gespannen hij was. Hij boog zijn hoofd en vouwde zijn handen. Nu moesten ze achter een paar dingen zien te komen.

Ellen Grue ordende de papieren die voor haar lagen en begon te praten. “Ik kan het net zo goed meteen zeggen. We zaten er helemaal naast. Op de grond van Stenberg is geen enkele positieve vondst gedaan. Het bloed op het T-shirt is van een dier afkomstig, waarschijnlijk van een kip of een duif.”

Cato Isaksen sloot zijn ogen en vloekte zachtjes. Roger Høibakk barstte even in lachen uit. Hij leunde achterover en keek Cato Isaksen aan. De anderen lachten ook. Randi Johansen was moe na het bezoek van haar moeder dat een week had geduurd. Ze stond op en liep vlug de kamer uit.

“Dat verdomde rotjoch”, mompelde Cato Isaksen teleurgesteld en hij dacht aan Alexander en zijn dode kippen. Alle opschudding voor niets. Het zou een pijnlijke zaak worden. De kranten hadden de vondst van het T-shirt ontdekt en er al een paar keer over geschreven. Hij had de smoor in bij de gedachte aan het commentaar dat gegarandeerd de volgende dag zou komen. Hij kon zich de woorden die ze zouden gebruiken al voorstellen. Kippenverstand vond kippenbloed, of zoiets. Hij stond op en liep achter Randi aan de kamer uit. De anderen keken hem zwijgend na. Randi was nergens te zien. Cato Isaksen liep de lunchkamer binnen en zette koffie. Hij deed het automatisch, hij had het al ontelbare keren gedaan. Hij kookte van woede. Het bezig zijn met het koffieapparaat schonk hem rust. Hij vulde de houder met water, deed koffie in de filter en schoof hem op zijn plaats. Hij drukte op de knop. Onmiddellijk begon het apparaat te borrelen.

Opeens stond Roger Høibakk naast hem. “Klotezooi”, zei hij. Cato Isaksen gaf geen antwoord. “Ik heb een vrouw ontmoet”, zei hij en hij pakte een kopje van de plank.

“Dat is interessant”, zei Cato Isaksen ironisch en hij schonk de warme koffie in een grote beker.

“Ze woont in Grorud”, ging zijn collega onverdroten verder. “Hoe gaat het met Ellen en jou?”

“Dat weet ik niet”, zei Cato Isaksen en hij liep terug naar zijn kamer.

Later die dag, toen Cato Isaksen op weg was naar de garage onder het politiebureau om een bezoek te gaan brengen aan Brenda Moens vriendin Tulla Henriksen om nog een keer met haar te praten, kreeg hij een telefoontje van Maiken Stenberg. Ze vroeg of hij de volgende dag tijd had om met haar te praten.

“Waar gaat het over?” vroeg hij een beetje knorrig. De teleurstelling over de bloedanalyse lag als een steen op zijn maag.

“Ik moet morgen naar de stad”, zei ze rustig. “Kan ik bij de politiepost langskomen?”

Cato Isaksen moest glimlachen. Het politiebureau aan Grønland was niet bepaald een politiepost. “Dat is prima”, zei hij. “Als je het niet over de telefoon kunt vertellen.”

“Nee”, zei ze, “ik wil het niet over de telefoon vertellen.” Ze zweeg even. “Er is iets wat ik allang had moeten vertellen.”

“Juist.” Hij werd opeens nieuwsgierig. “Kom ’s middags maar langs”, stelde hij voor.

“Nee”, zei ze. “Ik moet huiswerk maken “

Ze spraken een tijdstip af en verbraken de verbinding. Cato Isaksen had haar met opzet niets verteld over het resultaat van de bloedanalyse.

Hij stapte in de civiele dienstauto en reed naar de Waldemar Thranesgate. Er waren een paar dingen waar hij Tulla Henriksen en haar vriendin naar wilde vragen.

Niemand deed open toen Cato Isaksen aanbelde. Op de trap naar beneden trof hij een buurvrouw die vertelde dat Tulla Henriksen en haar vriendin voortdurend op pad waren. “Ze maken vast weer een autoritje”, zei de jonge allochtone vrouw en ze tilde een jongetje op dat bezig was zijn speelgoed de trap af te gooien. “Ik weet niet wat ze doen, maar ze zijn bijna elke dag op stap.” Cato Isaksen bedankte haar voor de informatie en reed terug naar het bureau.