De portier had er genoeg van. Hij keek woedend naar de rechercheur, pakte zijn mobiele telefoon en toetste een nummer in. “Dit gaat nu echt te ver”, zei hij. “Hier neem ik geen verantwoordelijkheid voor.” Cato Isaksen, die nog steeds op zijn hurken tussen de papieren zat te zoeken, kwam kwaad overeind. Zijn woede was vermengd met angst dat hij te laat kwam. Hij wist dat het een kwestie van tijd was. Misschien zelfs heel weinig tijd. Deze waanzin had al veel te lang geduurd. Hij zou erheen kunnen rijden en op goed geluk in de omgeving kunnen gaan zoeken, maar het bos had wel honderd richtingen en hij wist niet welke hij moest kiezen. Hij werd zichzelf weer meester en gedroeg zich plotseling heel rustig. “Toe”, zei hij, “laat me de onderste la nog doorzoeken, dan ga ik.”
De portier drukte op de off-knop en knikte even. “Als alles maar weer opgeruimd wordt”, zei hij. Cato Isaksen knikte, ging weer op zijn knieën zitten en bladerde razendsnel door de laatste documenten. Opeens, op het moment dat hij teleurgesteld geloofde dat zijn gezoek zonder resultaat zou blijven, vond hij onder op de stapel een kaart. Hij was opgevouwen. Cato Isaksen greep de kaart en kwam overeind. De portier liep op hem af. Cato Isaksen vouwde de kaart uit op het bureau. Een plattegrond zeilde op de vloer. Hij bukte zich vlug en pakte hem op. Eén blik was genoeg om te zien dat het een beschrijving van een bunker was. Hij was bovengronds nauwelijks zichtbaar. Op de plattegrond was te zien dat de bunker bestond uit een lange gang, een aantal kleine kamers en een groot vertrek met een stalen deur. Onderaan stond met kleine letters Vestmarka. Cato Isaksen dacht dat hij het antwoord in zijn handen hield. De portier doorbrak de stilte. “Hebt u gevonden wat u zocht?” vroeg hij.
“Ik denk het wel”, zei Cato Isaksen, naar de tekening starend.
“U mag helaas geen documenten meenemen”, zei de portier vastbesloten.
Cato Isaksen probeerde rustig te blijven. Hij zou de kaart misschien na kunnen tekenen, maar dat zou te lang duren. “Ik hoef alleen deze twee dingen te hebben”, zei hij, “de kaart en de plattegrond. Die zijn vast niet zo belangrijk.”
De portier keek naar de kaart. “Ik moet in elk geval toestemming vragen”, zei hij iets meegaander. “Maar dat zal wel even duren.”
Cato Isaksen knikte. Nu dat weer, nu hij bijna zijn doel had bereikt. De portier liep weg. Woedend sloeg Cato Isaksen met zijn vuist op het bureau, hij sloeg zo hard dat zijn hele hand pijn deed. Hij hoorde de voetstappen klepperend verdwijnen door de gang.
Hij draaide zich om en keek naar het raam. Hij dacht niet langer dan een paar seconden na, liep er resoluut naartoe en opende het. Hij keek naar het klinkerstraatje beneden. De eerste verdieping was niet hoog, maar toch hoog genoeg.
Hij propte de kaart en de plattegrond tussen de band van zijn broek en klauterde op de vensterbank. Toen keerde hij zich om en probeerde zich aan zijn armen te laten zakken terwijl hij met zijn handen het kozijn vasthield. Zijn hart ging als een razende tekeer. Hij voelde het zweet van zijn voorhoofd druipen en een gevoel van misselijkheid steeg uit zijn maag op. Dit soort acties had hij al lange tijd niet meer uitgevoerd. Hij liet los en kwam hard op de stenen neer. Een scheut van pijn trok door zijn enkel, maar hij dacht niet dat hij iets had gebroken. Hij stond weer op, keek vlug om zich heen en hoorde plotseling sirenes naderen. Waarschijnlijk hadden die niets met hem te maken, maar het geluid maakte hem toch onrustig. Op de klanken van het muziekkorps dat een stukje verderop nog steeds stond te spelen, strompelde hij over het voetpad. Op een sukkeldraf stak hij het plein voor het Museum voor Hedendaagse Kunst over. Hij liep langs een paar bomen. De bladeren hingen roerloos. Het leek alsof ze hun adem inhielden en wachtten. Door de open deur van Café Engebret klonk luid gelach.
Nog steeds liepen mensen met vlaggen en banieren door de straten. Grootmoeders en vermoeide kinderen werden in de richting van cafés en terrassen geschoven. Cato Isaksen stapte in zijn auto die nog steeds op de plek stond waar hij hem had achtergelaten. Hij zette het zwaailicht weer op het dak, reed achteruit en draaide de Universitetsgate in. Hij wist niet of het eenrichtingverkeer was, maar dat interesseerde hem niet. Hij reed zo snel mogelijk over de Bygdøy-allé en de Drammensvei. Een voor een vielen de stukjes op hun plaats. Een week voor de ansichtkaart uit Årjäng kwam, had hij Alf Boris Moen wat meer onder druk gezet. Hij was onrustig geworden en had ervoor gezorgd dat de politie zich ergens anders op ging concentreren. Daarom was hij naar Zweden gereden om de kaart te posten die hij Kathrine onder dwang had laten schrijven. Op de een of andere manier wist hij ook dat de livegroep van André Hansen in Rakkestad zou spelen. Hij was daar gewoon naartoe gereden en had het sms-bericht met Kathrines telefoon verstuurd.
Cato Isaksen sloeg af bij Sandvika en reed verder in de richting van Tanum. Op de stoel naast hem lag de kaart die hij had gevonden.