De verandering begon op de dag dat zijn vader stierf. Alf Boris Moen nam zijn intrek in het appartement op de eerste verdieping. Als er iemand overleed, bleef er meer voor hem over.
Hij wilde graag de baas zijn over anderen. Hij wist dat hij een beperkt gedragspatroon had, dat hij steeds maar weer herhaalde. In een artikel had hij gelezen dat zoiets ‘ernstig pathologisch narcisme’ werd genoemd. Hij was niet dom, hij begreep dat hij ziek was. Hij had gelezen over narcistische woede. Die kon op veel manieren tot uiting komen, maar het meest typische was de behoefte aan wraak. Onrecht moest tot elke prijs gewroken worden. Beledigingen moesten hoe dan ook vergolden worden. Moeder wist wel hoe hij was. Maar moeder was loyaal. Een jaar geleden had ze hem echter op heterdaad betrapt toen hij van gedaante wisselde. Alf Boris had gedacht dat ze een paar uur weg zou blijven, maar ze kwam terug. Ze had hem iets vergeten te zeggen, maar kon hem niet vinden en liep naar de kelder. Hij had de deur niet goed dichtgedaan. Opeens stond zijn moeder in de deuropening naar hem te kijken. Haar ogen stonden bang. Ze keek afwisselend naar hem en naar de rijen jurken aan de rekken. Ze keek naar de schoenen, de blouses, de mantels. De make-up en de spiegel. Ze herkende de oude stoel waar ze al eens naar gevraagd had.
Hij had geprobeerd zijn kalmte te bewaren. Hij had geprobeerd te doen alsof alles normaal was. Zijn toilettas lag met zijn rode mond wijdopen naast de roze lampetkom. Hij had een potlood gepakt en was op zijn gezicht gaan tekenen. Hij had dikke strepen van zijn ogen over zijn wangen getrokken. Dezelfde weg waarlangs tranen liepen. Hij had gevraagd of ze hem mooi vond. Moeder had geen antwoord gegeven, maar hij had de afschuw op haar gezicht gezien.
Iedereen dacht dat Brenda Elise Moen alleen maar aardig was, maar ze kon een secreet zijn. Hij zag aan haar blik wat ze dacht: je ziet er slonzig uit in die monsterlijke jurk. Die strepen op je gezicht zijn belachelijk. Hij wist dat dat door haar hoofd speelde, zelfs al zei ze het niet hardop.
Het was die uitdrukking op haar gezicht waar hij niet tegen kon. Toen ze zwijgend de trap weer op liep, wist hij dat er voor altijd iets kapot was. Moeder had Kathrine in vertrouwen genomen, die op haar beurt was begonnen hem geld af te persen. En ze had hem niet alleen gechanteerd; voortdurend keek ze hem veelzeggend glimlachend aan. Tot hij er niet meer tegen kon.
Twee weken nadat Kathrine was verdwenen, leek het alsof moeder tot een conclusie kwam, alsof ze plotseling één en één bij elkaar had opgeteld. Hij kon zich het moment nog goed voor de geest halen. Het was binnen warmer dan buiten, maar zo voelde het niet. Hij had het koud. Moeder stond naar hem te kijken. Het was in de namiddag van 7 maart.
Hij probeerde het uit haar hoofd te praten. Hij deed alsof hij niet begreep waar ze het over had. Ten slotte ging ze op een van de traptreden zitten en ze begon te huilen. Ze zou de politie bellen, zei ze.
Dat mocht ze niet doen. Hij drong langs haar heen naar haar appartement. Hij trok de telefoon eruit en nam hem mee. Toen liep hij met stevige stappen naar de deur, probeerde haar niet te horen huilen. Hij keerde zich weer om, liep terug en schopte de torso omver, dan zou ze de ernst van de situatie wel begrijpen. Hij veegde ook de foto’s van de ladekast.
Ineens hield moeder op met huilen. Ze hield de handen voor haar gezicht, alsof ze zichzelf wilde beschermen. Hij sloeg haar niet. Hij had al een beslissing genomen en wilde niet dat ze gewond raakte.
Hij liep de kelder in en trok een grijze rok en blouse aan. Zo zou niemand hem herkennen. Hij trok zijn mantel aan en een paar stevige, bruine schoenen. Toen ging hij naar zijn eigen appartement, hij pakte het pistool en ging op de bovenste traptrede zitten wachten. Hij wist dat ze weg zou gaan als het boven stil was geworden.
Het merkwaardige was dat hij toen hij hoorde dat ze naar buiten sloop, helemaal rustig werd. Bepaalde dingen konden niet meer worden rechtgezet. Hij had zo lang mogelijk gewacht, maar nu koos ze er zelf voor.
Hij liep de trap af en de buitendeur uit. Hij deed hem niet op slot. Hij liep het stenen trapje af en het grindpad over. Hij zag haar een eind verderop.
Alles in de tuin was bruin en dood. Straks zou het weer groen worden en vruchten zouden rijpen aan de bomen. In een flits zag hij zijn moeder op haar knieën de planten verzorgen. Ze zou dat nooit meer doen.