Toen Cato Isaksen eindelijk weer in de auto op weg terug was naar Oslo, was het bijna zeven uur. Hij streek vermoeid met zijn hand over zijn ogen. Wat een dag! Opeens werd hij overvallen door die vreemde onrust. Hij herkende het gevoel van eerdere zaken. Sommigen noemden het intuïtie. Als een klein stukje op zijn plaats viel, als een draad in een bepaald patroon paste. Het probleem was dat hij nog niet aan stukjes of draden toe was gekomen. Het bebloede T-shirt moest echter iets betekenen. De rest bestond slechts uit abstracte gedachten die door zijn hoofd spookten en die hij aan nieuwe mogelijkheden probeerde te koppelen. Hij probeerde de informatie in zijn hoofd te ordenen. Maar het geheel bleef onduidelijk.

Hij stopte een stukje chocola in zijn mond. Uit de autoradio klonk een populair popliedje uit de jaren tachtig. Daarna kwam een professor die een betoog hield over zwarte gaten in het heelal. Hij sprak over een ster genaamd Eta Cygnus.

Toen hij om een uur of negen eindelijk thuis was in Asker, was Georg al naar bed. “Hij was doodop”, zei Bente verontschuldigend. Hij keek haar aan en wist dat zij geloofde dat hij dacht dat ze Georg naar bed had gebracht om een rustige vrijdagavond te hebben. Maar het was niet erg. Hij was moe en blij dat hij zelf een beetje rust kreeg.

Bente wilde theezetten, maar hij vroeg haar een fles wijn open te maken. “Oké”, zei ze vrolijk en ze liep naar de keuken.

Terwijl Bente bij de tafel de wijn inschonk, kreeg hij opeens de neiging om te schreeuwen. Hij stond op en liep naar het raam. Hij bleef een tijdje hulpeloos staan voor hij de terrasdeur opendeed en de tuin in keek. Hij ademde een paar keer diep in, draaide zich om en keek naar Bente die achter hem stond en hem verschrikt aankeek. “Wat is er?” vroeg ze.

“Niets”, zei hij onschuldig. “Ik dacht dat ik de kat hoorde.”

“Even later belde hij Maiken Stenberg op haar mobiele telefoon. Hij hoopte dat ze wat tot rust was gekomen. Eerst nam ze de telefoon niet op. Toen ze eindelijk antwoord gaf, kon hij aan haar ademhaling horen dat ze doodsbang was. Hij maakte een paar nietszeggende opmerkingen om haar gerust te stellen. Tot slot vroeg ze bang of er iets nieuws was, of ze iets meer hadden ontdekt over het bebloede T-shirt.

“Nee”, zei Cato Isaksen, “maar daar moet je niet meer aan denken. Het duurt een paar dagen voor het bloed geanalyseerd is. Ga je in de paasvakantie nog weg?” vroeg hij. Dat ging ze niet. Het hele gezin zou thuisblijven.

Cato Isaksen legde in het kort uit waarom hij belde. “Als je me wilt helpen, zou ik graag nog wat meer informatie van je willen hebben.”

“Ja”, zei ze bang.

“Weet jij of Lars verliefd was op Kathrine?”

“Lars? Nee”, zei ze verwonderd. “Dat geloof ik niet.”

“Hij pikte haar op, op de avond dat ze verdween. Hij zegt dat hij haar naar de tunnel heeft gebracht omdat ze met iemand had afgesproken.”

“O.”

“Ik vind het vreemd dat hij dat niet eerder heeft verteld.”

Maiken gaf geen antwoord.

“Ik heb een lijst van je gekregen met de namen van Kathrines vrienden”, ging Cato Isaksen verder, “maar je hebt de naam van André niet opgeschreven. Kenneth zegt dat het T-shirt dat we vonden van zijn broer was.”

“Dat zou wel kunnen, maar dan moet Kenneth het gebruikt hebben, want André is hier nog nooit geweest.”

“Waarom niet?”

“Niet iedereen is met elkaar bevriend”, zei ze. “André had andere vrienden. Hij is helemaal anders”, zei ze beslist. Op de achtergrond lachte iemand luid. “Neem me niet kwalijk”, zei ze.

“Heb je bezoek?”

“Dat is Alexander”, zei ze bedrukt.

“Op wat voor manier is André anders?” ging hij verder.

“Ik weet niet goed hoe ik het zeggen moet, maar hij is zo’n enorme computerfreak. Hij is een nerd.”

“Hoezo?”

Aan haar stem kon hij horen dat ze zijn gezeur zat werd. Ze antwoordde niet.

“Mogen jullie hem niet?”

“Ik heb daar niet over nagedacht”, zei ze. Ze leek verrast door de vraag.

“Wat voor vrienden heeft hij?”

“Weet ik niet. Niemand, denk ik. Of toch wel. Een meisje van school, Sølvi Steen heet ze. Zij is ook een heel bijzonder type.”

“Ik heb André Hansen voor morgen opgeroepen voor verhoor”, verklaarde hij. “Een andere vraag die ik moet stellen is of Kenneth Kathrine ergens toe dwong.”

Het werd stil aan de andere kant van de lijn. “Ik weet het niet”, zei ze ten slotte. “Waar denkt u aan?”

“Dwong hij haar om dingen te doen die ze niet wilde?”

“Misschien een beetje.”

“Heeft hij haar ooit verkracht?”

“Nee, bent u gek. Zo was het niet.”

“Wist jij dat ze van de boot van haar stiefvader gebruikmaakten?”

“Ja.”

De volgende dag zat André Hansen in een van de verhoorkamers. Hij voelde zich misselijk en slap. Hij had die nacht haast niet geslapen. Hij had ook niet gegeten. Hij kon niet eten als hij ergens tegen opzag. Toen de politiemannen de avond ervoor de avondwinkel binnenkwamen, was hij geschrokken. Hij had geweten dat ze van de politie waren, zelfs al hadden ze geen uniform gedragen. Toen hij hoorde dat hij voor verhoor moest komen, kreeg hij het op zijn zenuwen. Hij wilde met zijn broer praten, uitvinden wat er precies aan de hand was. Maar Kenneth was pas midden in de nacht thuisgekomen, dus André had het wachten opgegeven. Vanmorgen vertelde zijn moeder dat Kenneth en Lars naar Zweden waren geweest. Alleen maar om iets uit te zoeken, had ze gezegd. Kenneth was helemaal uit zijn doen. Net als Lars.

André Hansen droeg een zwarte spijkerbroek en een zwart T-shirt met rode letters dwars over zijn borst. Avalon, stond erop.

Cato Isaksen kwam binnen met twee flesjes cola en twee glazen. Hij ging aan de andere kant van de tafel zitten en schonk de flesjes leeg in de glazen. “Alsjeblieft”, zei hij, een van de glazen in de richting van de zeventienjarige schuivend. Het viel hem op dat de middelste broer heel bleek was, een indruk die nog werd versterkt door zijn zwarte haar.

“Wat betekent Avalon?” begon bij, naar de tekst op het T-shirt knikkend.

“Dat is de naam van een winkel”, zei André Hansen.

“Wat voor soort winkel?”

“Een winkel in het Paléet-winkelcentrum aan de Karl Johans-gate. Ze verkopen magic-kaarten, boeken over rollenspelen en allerlei toebehoren.”

“Je ogen”, wees de rechercheur en hij keek naar de grote pupillen van de jongen, “wat heb je daarmee gedaan?”

“Lenzen”, zei André Hansen vlug. “Ik gebruik zwarte lenzen als ik speel.”

“Als je op je computer speelt?”

“Nee, tijdens rollenspelen.”

“En waarom draag je ze nu?”

“Omdat ik hierheen moest.”

Cato Isaksen glimlachte triest. De jongen maakte een verwarde indruk. “Het is een speciaal wereldje waarin jullie verkeren, hè?”

De jongen knikte.

“Vertel er eens iets over.”

“Over rollenspelen, bedoelt u?”

De rechercheur knikte.

André Hansen zag er even sceptisch uit, alsof hij bang was iets te verraden. “We praten er eigenlijk niet zoveel over. Op een bepaalde manier moet het iets zelfstandigs zijn. Maar het is niet zo bijzonder. Je kunt zeggen dat we een uitdaging stellen aan onze eigen intelligentie. Misschien met name de ruimtelijke intelligentie.”

“De ruimtelijke?”

“Ja. We maken imaginaire reizen van A naar B, om het even snel uit te leggen.”

“Wie zijn we?”

“De mensen met wie ik samenspeel.”

“En wie zijn dat?”

“Veel verschillenden. We dagen de werkelijkheid uit. We zetten onze eigen, persoonlijke intelligentie voort. We verruimen de kleine gesprekken die we constant met onszelf voeren.” Hij kwam nu echt op gang. Zijn zelfvertrouwen nam toe. “Iedereen doet dat. U ook” zei hij, naar Cato Isaksen knikkend. “Daar ben ik van overtuigd. Maar u bent het u misschien niet bewust.”

Cato Isaksen gaf geen antwoord.

“Schijf uw gedachten maar eens op”, ging hij verder. “Dan krijgt u beter contact met de creatieve kern van het onderbewuste.”

“Wat voor mensen houden zich hiermee bezig?”

André Hansen haalde de schouders op. “Allerlei mensen”, zei hij. “Ook een aantal volwassenen. Een van de deelnemers heeft twee kinderen.”

“Maar over het algemeen zijn het jongeren zoals jij?”

André Hansen knikte.

“Ook meisjes?”

“Jongens, bijna alleen maar jongens”, zei hij. “We noemen ons broeders. Er doet maar één meisje mee.”

“Hoe heet ze?”

André Hansen was plotseling waakzaam. Was dit een strikvraag?

De rechercheur merkte dat hij aarzelde. “Het is niet belangrijk”, zei hij, “ik vroeg het me gewoon af.”

“Sølvi Steen”, zei hij. “Ze is vijftien.”

Het was dezelfde naam als Maiken hem gisteren had gegeven.

“Kathrine Bjerke…” begon Cato Isaksen.

“Daar hebben we niets mee te maken”, zei André Hansen snel. Hij leek opeens nog zelfverzekerder. “We zijn geen satanisten of zoiets”, zei hij koortsachtig. “Veel mensen denken dat, of ze denken dat we nazi’s zijn. Dat is te gek voor woorden. We spelen alleen maar livetheater. We vinden het leuk om ons in een andere wereld in te leven.”

“Voor een buitenstaander klinkt dat allemaal nogal merkwaardig.”

“Ja, maar dat is het niet. Je zou kunnen zeggen dat wij computerspellen in het echte leven hebben gebracht. Zo simpel is het. Eerst speelden we rollenspelen met behulp van een bord. Ik en een paar anderen. Toen kwamen we in contact met Mirc. Dat is een chatprogramma op internet. Toen leerden we nog wat anderen kennen. We gebruiken geen manuscripten of zo. De spelleider maakt een setting, dan kiezen we allemaal een rol en zoeken een kostuum uit. Dan zien we wel wat er gebeurt. U moet toch toegeven dat het allemaal heel spannend klinkt?”

Roger Høibakk stak even zijn hoofd om de deur. Cato Isaksen wuifde hem geïrriteerd weg.

André Hansen zonk een beetje in elkaar op zijn stoel en nam nog een slok cola.

“We hebben een T-shirt gevonden in het tuinhuisje bij Maiken Stenberg. Je hebt dat natuurlijk al gehoord. Het is van jou, hè?”

André Hansens keek gelaten. Hij moest het heft uit handen geven. Het leek alsof hem plotseling inviel waarom hij voor verhoor was opgeroepen. Kenneths vriendin was verdwenen. Misschien was hij een mogelijke verdachte.

“Maar ik ben nooit bij Maiken geweest”, zei hij.

Cato Isaksen stond op en liep naar het raam. Mensen en auto’s spoedden zich voorbij in het grijze weer. Iedereen was druk bezig voor Pasen. De stilte in de kamer werd drukkend.

Na een tijdje draaide hij zich naar André Hansen toe.

“Er staat Magic op”, zei hij. “Is het van jou?”

“Het is van mij. Maar Kenneth heeft het waarschijnlijk geleend.”

“Wat voor rol speel jij meestal in die rollenspelen?”

“Op dit moment zijn we bezig met vampiers. Ik speel een middeleeuwse vampier. Ik heb net een stuk vacht voor mijn gezicht te pakken gekregen.”

Cato Isaksen liep terug naar de tafel en ging weer zitten. André Hansen fascineerde hem. “Jullie dragen toch ook in het dagelijks leven een soort kostuum”, zei hij.

“Sommigen denken dat we gothics zijn omdat we zwarte kleren dragen, maar dat doen we alleen omdat we het mooi vinden.”

“Er hangt een poster van een ster in je computerkamer.”

“Dat is een pentagram, een vijfpuntige ster.”

“Hetzelfde teken staat op het T-shirt dat we hebben gevonden. Een klein sterretje tussen de letters. Kun je me vertellen wat dat pentagram betekent?”

“Het dook voor het eerst op tijdens de Middeleeuwen. De magiërs van die tijd dachten dat het geesten op kon roepen die de mensen konden helpen boze krachten in bedwang te houden.”

Cato Isaksen leunde achterover. Hij liet de informatie op zich inwerken. André Hansen had, in tegenstelling tot zijn broer, een plechtige en volwassen manier om zich uit te drukken.

“Gebruiken jullie drugs of andere medicijnen tijdens het spelen?”

“Nee. Bent u gek.” Het was duidelijk dat de vraag hem opwond. “Dat is nu zo verdomde irritant. We gebruiken geen narcotica. We doen geen vlieg kwaad. We dagen alleen onszelf uit. Het is net zoiets als een theatergroep.”

“En Kenneth?”

“Wat is er met hem?”

“Dat vraag ik jou.”

André Hansen staarde hem met zijn zwarte ogen aan. “Kenneth is dom”, zei hij ten slotte. “Dat zijn de meeste mensen.”

“O, ja? Wat bedoel je daarmee?”

“Dat ze dom zijn. Ik heb een iq van 140.”

Op de gang gooide iemand een deur dicht. Het was gaan regenen. De druppels tikten op de vensterbank aan de buitenkant van het raam.

“Wat een paasweer”, zei Cato Isaksen en hij glimlachte ontwapenend naar de jongen op de stoel. “Wat denk jij dat er met Kathrine is gebeurd?” vroeg hij snel.

André Hansen sloot even zijn ogen. “Dat weet ik niet”, zei hij.

“Het T-shirt zat onder het bloed”, bracht hij hem in herinnering. “Denk je dat ze dood is?”

André Hansen keek hem ernstig aan. “Ik denk dat ze leeft”, zei hij. Hij had zijn tong wel af kunnen bijten. Dat was vast een fout antwoord.

Cato Isaksen staarde de jonge jongen aan. “Waarom denk je dat?” vroeg hij.

“Intuïtie”, zei André Hansen plechtig terwijl zijn hart onder zijn zwarte T-shirt tekeerging.

Cato Isaksen keek naar zijn handen; schone, dunne, witte vingers. “Ik begrijp nog steeds niet helemaal waarom jullie je met dat theater bezighouden. Is de werkelijkheid niet spannend genoeg?”

André Hansen kreeg iets agressiefs over zich. “Als u het niet begrijpt, dan begrijpt u het maar niet”, zei hij. “Dan hebt u een blokkade in uw hoofd. Ik heb schijt aan de werkelijkheid. Het zal me een worst wezen.”

“Waarom?”

“De werkelijkheid is niet interessant.”

“Je gaat naar school. Hoe vind je tijd voor die rollenspelen?”

“We spelen meestal ’s nachts en in het weekend. Rollenspelen geven nieuwe energie om te presteren op school. Maar de werkelijkheid is ondergeschikt” herhaalde hij en hij kreeg opeens de neiging om te lachen. Die rechercheur zag er volkomen belachelijk uit. Hij begreep er niets van. Helemaal niets. André Hansen wist zichzelf weer meester te worden. Hij hoestte nerveus. De ernst op het gezicht van de rechercheur maakte hem ondertussen onzeker. Wat gebeurde er eigenlijk? Wist de politie iets wat ze niet wilde zeggen?