21
Ook die avond sleepten Turner en Delaney Maggie haar hotelkamer uit om mee te gaan eten. Ze waren door hun nieuwe vrienden uit Kansas City, de rechercheurs Ford en Milhaven, meegevraagd naar wat volgens hen het beste barbecuerestaurant in de stad was, niet ver van het café waar ze de avond daarvoor waren geweest.
Zelden had Maggie twee mannen zo veel spareribs zien wegwerken als haar FBI-collega's. Hun competitiedrang sloeg nergens op. Maar Maggie begreep best dat deze vertoning niet voor haar was bedoeld maar om hun nieuwe vrienden te imponeren. Ford en Milhaven moedigden Turner en Delaney aan in hun strijd om het brandend maagzuur, alsof ze een belangrijke sportwedstrijd bijwoonden. Ford had zelfs een briefje van vijf dollar op tafel gelegd voor degene die de stapel spareribs op zijn bord als eerste soldaat had gemaakt. Maggie leunde achterover, dronk van haar whisky en probeerde iets boeienders te ontdekken in het schemerige, rokerige restaurant. Als vanzelf dwaalde haar blik naar de ingang. Half en half verwachtte ze Nick Morelli binnen te zien komen, en ze realiseerde zich dat ze geen idee had hoe ze zou reageren als hij werkelijk verscheen. Na haar lezing had Ford haar verteld dat Nick en hij studiegenoten waren geweest aan de University of Nebraska. Hij had een boodschap voor Nick achtergelaten bij de balie van het hotel, om te vragen of hij mee ging eten. Nu, uren later, was wel duidelijk dat Nick de boodschap niet had gekregen of andere plannen had gehad voor die avond.
Desondanks keek Maggie naar hem uit. Het was belachelijk, maar alleen al de wetenschap dat hij op de conferentie was, had alle gevoelens gewekt die ze veilig had weggestopt sinds ze hem voor het laatst had gezien. Dat was ruim vijf maanden geleden. Om precies te zijn, was het de zondag na Halloween geweest. Toen had ze Platte City verlaten om naar Virginia terug te gaan.
Nick, die toen nog sheriff was geweest, en zij hadden precies één week samen doorgebracht, op jacht naar een psychopaat die vier kleine jongetjes had vermoord. Er waren twee mannen opgepakt, die nu in afwachting waren van hun proces. Van geen van beiden was Maggie echter overtuigd dat hij de moordenaar was. Ondanks alle aanwijzingen geloofde ze nog steeds dat de werkelijke moordenaar een charismatische katholieke pastor was met de naam Father Michael Keiler. Maar Father Keiler was naar Zuid-Amerika verdwenen en niemand - zelfs de katholieke kerk niet - scheen te weten wat er van hem geworden was. Het enige wat Maggie de afgelopen vijf maanden had gevonden, waren geruchten over een jonge, knappe priester die van de ene kleine boerengemeenschap naar de volgende trok en daar als priester fungeerde zonder dat er ooit sprake was van een officiële aanstelling. Tegen de tijd dat Maggie de plaats had opgespoord, was de ongrijpbare priester alweer weg geweest, spoorloos verdwenen. Maanden later waren er geruchten gegaan dat hij ergens anders was opgedoken, kilometers verder weg. Maar opnieuw was Keiler verdwenen tegen de tijd dat die plek gevonden was. Het leek wel of de boeren hem beschermden, als een ten onrechte beschuldigde vluchteling. Of als martelaar, misschien.
Die gedachte maakte Maggie letterlijk misselijk. Dat was in haar ogen Keilers motief geweest om jongens te vermoorden van wie hij dacht dat ze werden mishandeld: hij had gehoopt martelaars van hen te maken, alsof hij hun op een afschuwelijke manier redding kon bieden. Het was onrechtvaardig dat Father Keiler nu als een martelaar werd beschermd en niet werd veroordeeld voor de gruweldaden die hij had begaan. Ze vroeg zich af hoelang het zou duren voor die arme boeren hun eigen zoontjes dood aan de oever van een riviertje zouden vinden, gewurgd of doodgestoken, maar schoongewassen en van de laatste sacramenten voorzien. Zouden ze dan eindelijk bereid zijn Keiler zijn straf te laten ondergaan?
Tegenwoordig scheen het echter moeilijk te zijn het kwaad te straffen, doordat het aan kracht won door samen te zweren met andere vormen van kwaad. Maggie wist dat Father Keiler Albert Stucky in de gevangenis in Florida had opgezocht. Verschillende bewakers hadden hem later aan de hand van een foto geidentificeerd. En hoewel ze daar geen bewijs voor had, wist ze dat het Keiler was geweest die Stucky het houten crucifix had gegeven - het crucifix dat zo op een dolk leek en waarmee Stucky zijn boeien had losgesneden en een bewaker had neergestoken.
Om deze gedachten van zich af te zetten, schudde ze haar hoofd en dronk haar glas leeg. Zo te zien wapogingen het schoon te vegen. Maggie stond op het punt nog een whisky te bestellen, toen Ford de serveerster wenkte voor de rekening. Ze stonden niet toe dat de FBI-agenten ook maar iets betaalden. Maggie stond er echter op op zijn minst voor de fooi te zorgen, wat Ford gelukkig toestond. Ze waren met de auto van Milhaven gekomen, maar Maggie wenste dat ze terug kon lopen. Niet alleen omdat het een heldere, frisse avond was, maar ook omdat ze er weinig voor voelde opnieuw tussen haar twee lijfwachten in geperst te zitten. Voor ze de parkeerplaats hadden bereikt, zagen ze een groepje mensen staan in een steegje. Voor een metalen afvalcontainer stond een agent in uniform, die een kleine menigte goedgeklede toeschouwers op afstand trachtte te houden. Zwijgend liepen ze ernaartoe.
'Wat is er aan de hand, Cooper?' vroeg Ford aan de getergde agent.
'Een beetje achteruit, allemaal,' zei Milhaven tegen de nieuwsgierige mensen. Samen met Delaney drong hij hen terug naar de parkeerplaats parallel aan het steegje.
Vragend keek de agent naar Maggie en Turner.
'Het is in orde,' verzekerde Ford hem. 'Ze zijn van de FBI. Van de conferentie. Wat is er aan de hand?'
Agent Cooper knikte naar de container achter hem.
'De afwasser van de bistro kwam een halfuur geleden met de vuilnis naar buiten. Zag een hand uit het vuil omhoogsteken. Helemaal over zijn toeren. Hij heeft wel gebeld, maar pas nadat hij het aan de rest van de wereld had verteld, verdraaid nog aan toe.'
Turner was al bij de container, waar hij met zijn één meter negentig makkelijk in kon kijken.
Met de o zo vertrouwde knoop in haar maag sleurde Maggie een leeg krat naar de container en ging naast hem staan. Ze betreurde het dat ze zoveel had gedronken. Pas toen het lichte gevoel in haar hoofd was verdwenen, keek ze naar beneden. Het eerste wat haar opviel, was een rode paraplu, die met het handvat over de rand van de container hing alsof de eigenaar duidelijk had willen maken dat die niet als afval was bedoeld. Of was hij daar opzettelijk achtergelaten als bewijs?
'Agent Cooper,' zei ze. 'Zodra de rechercheurs er zijn, kunt u hun misschien even melden dat hier een paraplu hangt. Die kunnen ze waarschijnlijk maar beter inpakken en meenemen voor vingerafdrukken.'
'Komt voor elkaar.'
Zonder iets aan te raken, kon Maggie zien dat de vrouw naakt was en op haar rug lag. Haar rode schaamhaar stak sterk aftegen haar blanke huid. Ook zag Maggie dat iemand aan het lichaam had gezeten. Agent Cooper had gezegd dat de afwasser een hand uit het vuil omhoog had zien steken, maar nu was de gehele romp van de vrouw zichtbaar. Haar gezicht was bedekt met iets wat op aardappelschillen leek. Haar hoofd was opzij gedraaid, en haar glanzende rode haar zat vol etensresten. Maggie kon haar mond zien, die halfgeopend was, alsof er iets in geduwd was. Toen merkte ze een donker plekje op, een moedervlekje net boven de mond. Op haar tenen leunde ze voorover om haar hand in de container te steken, waardoor haar krat wiebelde.
'Waar denk jij mee bezig te zijn?' vroeg Turner streng.
Behoedzaam veegde ze een aardappelschil weg en een klont mie die tegen de zijkant van het gezicht plakte.
'Het is Rita,' zei ze, wensend dat ze het mis had.
'Rita? Welke Rita?'
Afwachtend keek ze Turner aan, tot ze zag dat het muntje viel.
'Shit! Je hebt gelijk!'
'Kennen jullie haar?' vroeg Ford, over de rand kijkend.
'Het is de serveerster van het café hier verderop.'
Aandachtig bekeek Maggie Rita's lichaam, voorzover dat zichtbaar was. Haar keel was doorgesneden, zo diep dat ze bijna onthoofd was. De rest van haar lichaam vertoonde weinig kneuzingen en geen verwondingen - behalve op haar polsen, die kennelijk vastgebonden waren geweest. Zo te zien had ze weinig verzet geboden, wat er hopelijk op wees dat de dood snel was gekomen. Dat luchtte Maggie op, maar tegelijkertijd verbaasde het haar dat ze over zoiets opgelucht kon zijn. Opeens zag ze de bloederige incisie in Rita's zij, onder een portie spaghetti, die ze eerst voor tomatensaus had aangezien. Half springend, half vallend van het krat duwde ze zichzelf van de container vandaan. Het lichte gevoel in haar hoofd maakte plaats voor een duizeligmakend gezoem. Pas toen ze op een veilige afstand was, sloeg ze haar armen om zich heen om de golf van paniek te onderdrukken. Verdomme! Ze werd nooit meer misselijk op de plek van een misdaad! Dit was echter anders. Dit was geen misselijkheid, maar een mengeling van angst en afgrijzen.
'Gaat het, O'Dell?'
Ze schrok toen Turner met zijn grote hand haar schouder aanraakte. 'Dit heeft Stucky gedaan,' zei ze zonder hem aan te kijken. Uit alle macht probeerde ze haar stem kalm te laten klinken en haar onderlip niet te laten beven.
'Kom nou, O'Dell.'
'Ik dacht al dat ik hem zag toen we gisteravond in dat café waren.'
'Volgens mij hadden we toen allemaal aardig wat op.'
'Nee, Turner, je begrijpt het niet. Stucky moet haar hebben gezien. Hij moet hebben gezien dat wij met haar praatten, geintjes met haar maakten. Hij heeft haar uitgekozen om mij.'
'We zijn in Kansas City, O'Dell. Je wordt niet eens vermeld in het programma van de conferentie. Met geen mogelijkheid kan Stucky weten dat je hier bent.'
'Ik wéét dat jij en Delaney denken dat ik op instorten sta, maar dit is precies Stucky's werkwijze. We moeten gauw op zoek gaan naar een verpakking, iets van een afhaalrestaurant, voor iemand anders die vindt.'
'Hoor eens, O'Dell, je bent gewoon een beetje gespannen.'
'Hij is de dader, Turner, dat weet ik zeker. En wat het ook is wat hij uit haar lijf heeft gesneden, het duikt ongetwijfeld ergens op iemands tafel op. Misschien zelfs in dit restaurant. We moeten -'
'Kalm aan, O'Dell,' fluisterde hij. Schielijk keek hij om zich heen, in de hoop dat hij de enige was die haar aanval van hysterie zag. 'Ik weet dat je het gevoel hebt voortdurend op je hoede te moeten zijn en dat je denkt dat-'
'Verdomme, Turner! Dit is geen verbeelding!'
Hij wilde zijn hand weer op haar schouder leggen, maar ze deinsde achteruit, want in het steegje zag ze een donkere gestalte staan. Hij stond iets opzij van de menigte, die zich in slechts een paar minuten tijd had verdubbeld. Hoewel hij te ver weg stond en het te donker was om er zeker van te kunnen zijn dat hij het was, zag ze dat hij een zwartleren jas droeg. Net als de man die ze de avond daarvoor had gezien.
'Volgens mij is hij hier,' fluisterde ze. Ze ging achter Turner staan om onopvallend te kunnen kijken. Haar hartslag versnelde.
'O'Dell.'
Aan Turners stem te horen, begon hij zijn geduld te verliezen. 'Er staat een man bij de menigte,' legde ze zacht uit. 'Lang, mager, donker, scherpe gelaatstrekken. Naar wat ik van zijn profiel kan zien, zou het Stucky kunnen zijn. Goede hemel, hij heeft iets bij zich wat een fastfoodverpakking zou kunnen zijn.'
'Net als een heleboel anderen hier. Kom op, O'Dell, het barst hier van de restaurants.'
'Het kan Stucky zijn, Turner.'
'Of de burgemeester van Kansas City.'
'Goed dan,' zei ze nijdig. 'Dan ga ik zelf wel met hem praten.' Ze wilde om hem heen lopen, maar hij greep haar bij de arm.
'Hier blijven en houd je koest.' Hij zuchtte overdreven.
'Wat ga je doen?'
'Gewoon even met die vent praten. Een paar vragen stellen.'
'Als het Stucky is -'
'Als het Stucky is, herken ik die rotzak wel. Maar als het hem niet is, betaal jij morgen het avondeten. Houd je creditcard maar vast klaar.'
Ze ging achter Delaney en Milhaven staan, die diep in een discussie over baseball verwikkeld waren. Geen van beiden scheen haar op te merken. Tussen hen door kon ze Turner ongemerkt gadeslaan, terwijl hij met zijn nonchalante maar autoritaire loopje op de menigte af ging. Ze wist dat hij haar niet serieus nam, en als het werkelijk Stucky was, zou hij dus onvoorbereid zijn. Met bonzend hart liet ze haar vingers in haar jasje glijden en gespte haar holster open. Haar hand hield ze op de kolf van haar wapen. Alles om haar heen vervaagde, ze had alleen nog maar oog voor de man in de zwartleren jas. Kon het echt Stucky zijn? Was die rotzak arrogant genoeg om een moord te plegen in een stad waar het wemelde van de politiemensen en dan gewoon te blijven staan kijken? Ja, dat zou Stucky een pracht van een uitdaging vinden. Hij zou het schitterend vinden op die manier een lange neus te maken naar hen allemaal. Een rilling ging over haar rug toen de vochtige avondbries langs haar streek. Voor Turner de menigte bereikte, maakte de man aanstalten om te vertrekken. 'Hé, wacht even!' Turner riep hem zo luid, dat zelfs Delaney en Milhaven in zijn richting keken. 'Ik wil u even spreken!'
Onmiddellijk zette de man het op een lopen, op de voet gevolgd door Turner.
Delaney draaide zich om naar Maggie, maar ze rende de parkeerplaats over, met getrokken revolver, de loop op de sterren gericht.
Geschrokken week de menigte uiteen. Er klonken kreten, en iemand slaakte een gil.
Het enige wat Maggie kon denken, was dat Albert Stucky deze keer niet zou ontsnappen.