Hoofdstuk 22
Acuut was Maggie opgelucht. Wat vreselijk! Blijkbaar onderzocht ze nog liever een lijk dan dat ze samen met haar moeder ontbeet. Ongetwijfeld een doodzonde waarvoor ze in de hel zou moeten branden. Misschien zou ze wel door de bliksem getroffen worden – niet ondenkbaar, gezien de grijze donderkoppen die zich op dit moment verzamelden.
Ze zwaaide met haar badge naar de agent die bij de wegversperring op het trottoir naast het informatiecentrum stond. Nadat hij had geknikt, dook ze onder het lint door.
Hoewel het monument al in 1997 opgeleverd en ingewijd was, was dit de eerste keer dat ze het bezocht. Vermoedelijk verschilde ze daarin niet veel van de andere bewoners van de buitenwijken van DC Wie had er, behalve tijdens de vakantie, nou tijd om monumenten te bezoeken? En áls ze al met vakantie ging, zou ze zeker niet in DC blijven.
In tegenstelling tot de andere presidentiële monumenten bestond het FDR Memorial uit bomen, watervallen, groene bermen, nissen en tuinen, die over een langgerekt gebied verspreid lagen in plaats van in één imposant geheel bij elkaar. Maggie had echter maar weinig belangstelling voor de beeldhouwwerken en bronzen beelden toen ze door de galerijen liep. Haar aandacht ging naar de granieten muren en de richels erboven en erachter. Ze zag dat er veel bomen en struiken groeiden. Van onderaf gezien, leek het daar een ideale plek voor een moord. Hadden de architecten daar niet bij stilgestaan, of was zij gewoon cynisch geworden na zich jarenlang in de psyche van moordenaars te hebben verdiept?
Bij het meer dan levensgrote bronzen beeld van een zittende Roosevelt, met een bronzen hondje naast zich, bleef ze staan. Ze bekeek de positie van de schijnwerpers eromheen, zich afvragend tot hoever hun licht zou reiken. Als de hemel nog donkerder werd, zou ze daar gauw genoeg achter komen. De granieten muren moesten zo’n drie tot vijf meter hoog zijn, dus betwijfelde ze of het licht de bomen en struiken erboven en erachter zou bereiken. Vanwaar zij stond, op haar tenen, was het waarschijnlijk niet eens mogelijk iemand te zien tussen al die bomen. Vaag hoorde ze de stemmen van de politiemensen boven het geruis van de waterval uit. De stemmen kwamen van boven, verder tussen de struiken, maar ze zag niemand. Nog geen beweging.
‘Het hondje heet Fala.’
Ze schrok op. Toen ze omkeek, zag ze een man met een fototoestel om zijn hals staan. ‘Pardon?’
‘De meeste mensen weten dat niet. Die hond. Dat was Roosevelts lievelingshond.’
‘Het monument is vanochtend gesloten.’ Meteen zag ze een woedende blik in zijn ogen verschijnen.
‘Ik ben geen toerist, hoor. Ik ben hier om foto’s van de plaats delict te nemen. Vraag maar aan Racine.’
‘Oké, mijn fout.’
Zijn opvliegendheid had haar aandacht getrokken, en ze nam hem op – van zijn ongeschoren kaken, zijn verwarde donkere haar en de versleten knieën van zijn spijkerbroek tot de neuzen van zijn glimmende dure cowboylaarzen. Hij kon zo voor een toerist of een oudere student doorgaan.
‘Als ik net zo snel met mijn oordeel klaarstond als jij, zou ik me kunnen afvragen wat een schatje als jij hier uitvoert. Ik dacht dat Racine graag het enige schatje ter plekke was.’ Hij bekeek haar op zijn beurt en liet zijn blik langzaam over haar hele lichaam gaan.
‘Nieuwe regel. We werken graag met minstens één reserve.’
‘Pardon?’
‘Ik ben het reserveschatje.’
Hij glimlachte – meer een grijns dan een glimlach – en liet zijn blik nog eens dezelfde route volgen.
‘Een beetje als bij fotografen,’ vervolgde ze. ‘Ieder politiebureau moet een reserve hebben. Je weet wel, een tweede keus, een invaller die ze bellen als ze haast hebben en de echte fotograaf geen tijd heeft.’
Zijn blik vloog naar haar gezicht, en direct kwam de kwaadheid weer tevoorschijn.
Deze vent was net zomin een politiefotograaf als zij een politieschatje was, concludeerde Maggie. Wat had Racine nu weer bedacht? Of misschien was dat juist het probleem: Racine had helemaal niet gedacht, zoals gewoonlijk.
‘Ik ben die botte behandeling van jullie spuugzat.’ Hij maakte een gebaar waarmee hij haar waarschijnlijk wilde laten zien wat hij allemaal had moeten verduren. ‘Ik bewijs jullie nota bene een dienst, en wat krijg ik? Stank voor dank. Ik pik het niet langer. Ik ben weg.’
Hij wachtte haar reactie niet af, maar maakte rechtsomkeert op de hakken van zijn glimmend gepoetste laarzen en liep zo zelfvoldaan weg, dat Maggie meteen wist dat zijn inspanningen van deze ochtend hem wel degelijk iets hadden opgeleverd. Wat precies, wist ze alleen niet.
Misschien een belofte van Racine, een symbolische tegenprestatie; daar was die vrouw in gespecialiseerd. Maggie herinnerde zich de vorige keer dat ze samen met Racine aan een zaak had gewerkt, nog niet zo lang geleden, maar al te goed. Toen was ze bijna zelf de ontvanger van een van Racines tegenprestaties geworden.
‘O’Dell,’ klonk het van boven.
Agent Tully leunde over de rand. ‘Ik wil graag dat jij ook even kijkt voor ze het lijk inpakken.’
‘Hoe kom ik het snelst boven?’
‘Om de vierde galerij heen. Daar zijn toiletten. Als je daar helemaal omheen loopt, kun je achterlangs.’ Hij gebaarde naar een plek buiten haar blikveld. Te veel granieten muren.
Even later liep ze langs een volgende waterval en nog meer graniet en toen via een pad dat er nieuw uitzag omhoog.
Ze stonden al op haar te wachten, op veilige afstand van het lijk. Stan Westhoff popelde zichtbaar om verder te kunnen met zijn werk. Het forensisch team was bezig alles wat ze hadden gevonden in grotere plastic zakken te doen.
Nog voor het zachte gerommel boven hen klonk, begreep Maggie waarom ze zo’n haast hadden.
Het meisje zat tegen een boom, met haar rug naar de rand van het monument. Haar hoofd hing opzij, waardoor er diepe, rauwe sporen in haar hals waren te zien. Haar ogen waren open, en haar benen lagen uitgestrekt voor haar, wijd uit elkaar. Zwarte glanzende vliegen waren zich al op en in haar aan het installeren. Het enige wat ze droeg, was een zwarte beha, waarvan het haakje dicht was. Doordat het kledingstuk omhooggeschoven was, waren haar witte borstjes zichtbaar. Over haar mond zat een stuk grijs tape. Haar korte donkere haar zat vol stukjes dor blad en dennennaalden. Vreemd genoeg waren haar handen samengevouwen. Netjes lagen ze in haar schoot; het leek wel alsof ze zat te bidden. Zat daar een bedoeling achter, vroeg Maggie zich af.
‘O’Dell, we hebben niet veel tijd.’ Stan werd ongeduldig.
Arme Stan. De tweede keer in nog geen week tijd dat hij voor dag en dauw opgetrommeld was.
Intussen was Tully naast haar komen staan. Hij wees naar de grond voor haar. ‘Daar zitten vreemde plekken, een soort ronde afdrukken.’
In eerste instantie keek ze eroverheen. Pas toen ze bukte, zag ze de plekken. Drie volmaakte cirkels, een centimeter of vijftien uit elkaar, in een driehoek.
‘Zegt dat jou iets?’ vroeg Tully.
‘Nee. Zou dat moeten?’
‘Volgens mij wel, maar ik heb geen idee wat.’
‘Tully is nogal zwaar op de hand vandaag.’ Julia Racine kwam aan haar andere kant staan en keek glimlachend op haar neer, met haar handen op haar heupen. ‘Hij denkt meteen aan een seriemoordenaar.’
Na een laatste blik op de afdrukken kwam Maggie overeind en keek weer naar het dode meisje. Daarna richtte ze haar aandacht op de rechercheur. ‘Ik denk dat agent Tully gelijk heeft. En zo te zien, begint die kerel er nog maar net in te komen.’