Hoofdstuk 25
Ben Garrison hing de druipende filmstroken aan een korte waslijn in zijn krappe donkere kamer. De eerste twee rolletjes waren tegengevallen, maar dit rolletje… was ongelooflijk. Hij zat weer in het zadel! Misschien zou het hem zelfs lukken ze tegen elkaar op te laten bieden, al had hij eigenlijk geen tijd te verliezen. Zijn vingertoppen tintelden van opwinding, maar zijn longen deden pijn van de dampen. Hoe ongeduldig hij ook was, hij moest even pauzeren.
Hij nam een van de afdrukken mee, trok de deur achter zich dicht en liep naar de koelkast. Die was natuurlijk leeg, afgezien van de gebruikelijke serie specerijen, een paar kiwi’s die hij zich niet kon herinneren erin gelegd te hebben, een bak geheimzinnige troep en vier pijpjes bier. Hij greep een van de flesjes, opende het en liep terug naar het aanrecht om zijn meesterwerk te bewonderen in het rottige tl-licht.
Een klop op de deur deed hem opschrikken. Wie kon dat zijn? Hij kreeg zelden bezoek en dacht dat hij zijn bemoeizieke buren aardig duidelijk had gemaakt dat ze naar de maan konden lopen. Zijn artistieke bezigheden waren aan tijd gebonden; hij mocht niet worden gestoord wanneer hij afdrukken in het fixeerbad of een filmpje in de ontwikkelaar had liggen. Hadden mensen vandaag de dag dan helemaal geen respect meer voor elkaar?
Hij klikte alle drie de sloten los en rukte de deur open. ‘Wat is er?’ grauwde hij.
Het grijsharige vrouwtje deinsde achteruit en greep de leuning vast.
‘Mrs. Fowler?’ Hij krabde aan zijn ongeschoren kaak en leunde tegen de deurpost. Zo benam hij zijn huisbazin het zicht naar binnen. Kennelijk had hij nog niet iedereen in deze bouwval geleerd hem met rust te laten. ‘Gut, Mrs. Fowler, waarmee kan ik u van dienst zijn?’ Indien nodig kon hij heus wel charmant zijn.
‘Ik liep gewoon even langs, Mr. Garrison. Ik ben even bij Mrs. Stanislov wezen kijken, hier verderop.’ Met haar kraaloogjes tuurde ze langs hem heen, in een poging iets van zijn appartement te zien.
Een paar weken daarvoor had ze erop gestaan erbij te zijn toen de loodgieter zijn lekkende kraan repareerde. Ze had alles goed bekeken, van de Afrikaanse maskers aan de muur en de bronzen vruchtbaarheidsgodin die zijn boekenkast opsierde tot alle andere exotische snuisterijen die hij op zijn reizen had verzameld. In die goede oude tijd, toen het geld nog binnen was gestroomd en hij geen foto had kunnen nemen, of iemand van Newsweek, Time of National Geographic had er een kapitaal voor geboden. Hij was de rijzende ster in de fotojournalistiek geweest. Maar nu, terwijl hij amper dertig jaar oud was, scheen iedereen te vinden dat hij zijn beste tijd wel had gehad. Nou, hij zou ze eens wat laten zien!
‘Eerlijk gezegd, Mrs. Fowler, heb ik het nogal druk. Ik ben aan het werk,’ zei hij vriendelijk. Hij sloeg zijn armen over elkaar, om zijn irritatie onder controle te houden, en wachtte af. Hopelijk zou Mrs. Fowler, met haar trifocale brillenglazen, zijn ongeduld zien.
‘Ik ben even bij Mrs. Stanislov wezen kijken,’ herhaalde ze. Met haar broodmagere arm gebaarde ze naar de deur aan het eind van de gang. ‘Die is de hele week al niet in orde. Die griep die heerst, weet u wel.’
Als ze een teken van medeleven verwachtte, zouden ze hier de rest van de avond staan, en zo lang kon hij echt niet aardig blijven – goedkope flat of niet. Hij verplaatste zijn gewicht naar zijn andere voet, denkend aan de afdruk die hij op het aanrecht had neergelegd. Meer dan dertig opnamen had hij nodig gehad om dat ene beeld te pakken te krijgen, dat ene –
‘Mr. Garrison?’
Haar gezicht deed hem aan de rimpelige kiwi’s achter in zijn koelkast denken. ‘Ja, Mrs. Fowler? Ik moet echt weer aan het werk.’
Ze keek hem met haar drie keer vergrote ogen aan. Haar dunne lippen had ze opeengeperst, wat haar huid nog rimpeliger maakte dan hij voor mogelijk had gehouden. Verrotte kiwi’s. Niet vergeten ze weg te gooien.
‘Ik vroeg me af of het misschien iets belangrijks was. Of u het zou willen weten.’
‘Waar hebt u het over?’ Ze stelde zijn beleefdheid wel erg op de proef.
Opnieuw deed ze een stapje naar achteren, waaruit hij opmaakte dat zijn toon haar had doen schrikken. Ze wees naar een pakje naast zijn deur, dat hij nog niet had gezien. Nog voor hij bukte om het op te tillen, schuifelde Mrs. Fowler de trap af.
‘Bedankt, Mrs. Fowler!’ riep hij haar na. Toen tot hem doordrong dat hij net zo klonk als Jack Nicholson in The Shining, moest hij glimlachen. Ze zou het toch niet merken. Waarschijnlijk had dat ouwe besje hem niet eens gehoord.
Het pakje woog niet veel en was in doodgewoon, bruin pakpapier verpakt. Hij draaide het om; er rammelde niets, en er zat geen etiket op – alleen zijn naam was er met zwarte viltstift op gekrabbeld.
Soms liet het fotolaboratorium verderop in de straat spullen bij hem bezorgen, maar hij herinnerde zich niet iets besteld te hebben.
Hij liep naar binnen, sloot de deur achter zich en legde het pakje op het aanrecht. Met een keukenmes sneed hij de verpakking open. Toen hij het deksel van de doos haalde, viel hem op dat er vreemd vulsel was gebruikt; het leken wel bruine pinda’s. Zonder er verder bij stil te staan stak hij zijn hand erin om te voelen wat ertussen begraven zat.
Het vulsel begon te bewegen.
Of speelden de uitputting en die giftige dampen hem parten?
Binnen een paar seconden kwamen de bruine pinda’s tot leven. De hele inhoud begon over de zijkanten van de doos naar buiten te kruipen. Enkele klommen over Bens arm omhoog.
Ben mepte ernaar, waarbij hij per ongeluk de doos van het aanrecht stootte en honderden kakkerlakken ontsnapten.
Ze renden alle kanten op.