Hoofdstuk 33

 

 

 

Haastig liep Gwen Patterson de treden naar het Jefferson Building op. Zoals gewoonlijk was ze te laat.

Het was al langer dan een jaar geleden dat Kyle Cunningham en Gedragswetenschappen haar als adviseur bij een zaak hadden gehaald – zelfs al zo lang geleden, dat ze bijna verwachtte gefouilleerd te worden.

Het zag er echter naar uit dat Maggie ervoor had gezorgd dat haar identiteitsgegevens bewaard en bijgewerkt waren. Bij de balie bleef ze staan om in te tekenen, maar toen ze een pen wilde pakken, hield de jonge vrouw die achter de computer zat haar tegen.

‘Dr. Patterson?’

‘Ja?’

‘Alstublieft.’ De vrouw overhandigde haar een bezoekerspasje. ‘Ik heb alleen wel een handtekening van u nodig, met het tijdstip van aankomst.’

‘Ja, natuurlijk.’ Terwijl Gwen het papier tekende, viel haar oog op het pasje. In plaats van het standaard ‘bezoeker’ stond haar naam erop gedrukt, met ‘dokter’ ervoor en zelfs ‘psycholoog’ erachter. Zo, dus Maggie deed haar best ervoor te zorgen dat ze zich thuis voelde.

Gwen was er echter niet van overtuigd dat ze veel aan het onderzoek zou kunnen bijdragen. Dat Cunningham had toegestemd met Maggies verzoek Gwen aan het onderzoek te laten deelnemen – want Gwen vermoedde dat ze hier enkel en alleen was omdat Maggie dat wilde – betekende dat hij ten einde raad was. Normaal gesproken wilde hij er geen buitenstaanders bij hebben. Goed, in de begintijd wel, maar tegenwoordig niet meer. Niet sinds de FBI zo kritisch in de gaten gehouden werd. Gwen kende Cunningham goed genoeg om de wanhoop te kunnen onderscheiden die in zijn stem had doorgeklonken toen hij haar daags daarvoor had gebeld. Hij had gevraagd of ze haar recente onderzoeksresultaten en kennis met hen wilde delen. Haar reactie was geweest dat hij een paar verbazend goede medewerkers in zijn Eenheid Gedragswetenschappen had – onder wie Maggie – die hem net zoveel, zo niet meer, over de kronkels in de geest van de criminele mannelijke adolescent konden vertellen als zij. Ze had ook gezegd dat ze niet goed wist of ze veel aan het onderzoek zou kunnen bijdragen.

‘Als buitenstaander kun je ons misschien op dingen wijzen die wij over het hoofd zien,’ had hij tegengeworpen. ‘Dat heb je in het verleden ook al eens gedaan. Ik koester de hoop dat je ook deze keer je toverkracht voor ons kunt laten werken.’

Vleierij. Met een glimlach maakte Gwen haar pasje vast. Als hij wilde, kon die man de sterren van de hemel praten.

Toen zag ze wat er onder haar naam op het pasje stond: ‘Lid Speciale Eenheid.’ Ze fronste haar wenkbrauwen. Speciale Eenheid, wat een term. Dat riekte naar bureaucratie en riep visioenen op van formulieren en vergunningen.

De media waren al op ieder snippertje informatie gedoken dat over de zaak was vrijgegeven en hadden die arme senator Brier van zijn appartement tot aan het Capitool achternagezeten. Toen Gwen die ochtend haar praktijk had gebeld om te horen of er nog boodschappen waren, bleek Amelia, haar assistente, al door journalisten van de Washington Times en de Washington Post te zijn gebeld, die hadden willen weten welke rol Gwen in de zaak speelde. Hoe kwamen ze zulke dingen toch in vredesnaam zo vlug te weten? Het was amper twaalf uur geleden dat Cunningham haar had gebeld! Dat zou wel een van de redenen zijn waarom ze in Quantico bij elkaar kwamen en niet in DC Bovendien, de moord op de dochter van een senator – ook nog eens op federaal gebied – rechtvaardigde een onderzoek door de FBI.

Niettemin verbaasde het Gwen dat Cunningham was gevraagd de eenheid te leiden. Had ze Maggie de avond daarvoor maar te pakken kunnen krijgen; misschien had haar vriendin antwoord willen geven op een paar van de vragen die Cunningham onbeantwoord had gelaten.

‘Gwen, je bent er!’

Maggie kwam door de gang aangelopen. Ze zag er goed uit, in haar wijnrode broek, bijpassend jasje en witte coltrui. Nu pas viel het Gwen op dat ze eindelijk wat was aangekomen nadat ze de vorige winter zo was afgevallen. Ze leek meer op de slanke, sterke Maggie van vroeger, in plaats van op de uitgemergelde zwerfster die Albert Stucky van haar had gemaakt.

‘Hallo, meid.’ Gwen probeerde Maggie met één arm te omhelzen; de andere werd in beslag genomen door haar aktetas en haar paraplu.

Meestal onderging Maggie dat gebaar nogal gelaten, maar deze keer voelde Gwen haar de omhelzing beantwoorden.

Toen Maggie haar losliet, hield Gwen één hand op haar schouder, zodat haar vriendin niet meteen kon ontsnappen. Met haar andere hand duwde ze Maggies kin een stukje omhoog om haar gezicht beter te kunnen zien.

Ook dat liet Maggie toe. Ze glimlachte zelfs toen Gwen de rode lijntjes in haar ogen en de wallen eronder inspecteerde. Die laatste werden door make-up verhuld en waren onzichtbaar voor mensen die er minder bedreven in waren de gesloten Maggie te doorzien.

‘Alles goed met je? Volgens mij heb je niet veel slaap gehad.’

Nonchalant maakte Maggie zich van haar los. ‘Met mij gaat het prima.’

En weg dwaalde haar blik, een andere kant op – alle kanten op, zolang Gwen haar maar niet kon aan kijken.

‘Je hebt me gisteravond niet teruggebeld.’ Gwen deed alsof het niet gaf en probeerde haar stem onbezorgd te laten klinken.

‘Harvey en ik waren pas laat terug van onze wandeling.’

‘Lieve hemel, Maggie, ik wilde dat je ’s avonds niet zo laat ging wandelen!’

‘Als ik nou alleen ging…’ Ze liep terug de gang in. ‘Kom op, Cunningham zit te wachten.’

‘Ik had al zo’n vermoeden. Ik voel zijn geërgerde blik dwars door de muren heen.’ Onopvallend controleerde ze haar haar, dat zo te voelen goed zat. Vervolgens streek ze haar rok glad, die de dag kreukelloos was begonnen maar na een uur in de auto…

Ze merkte dat Maggie naar haar keek.

‘Je ziet er geweldig uit,’ zei Maggie. ‘Zoals altijd.’

‘Nou ja, ik ontmoet niet elke dag een senator.’

‘Ja, hoor,’ schamperde Maggie.

Gwen glimlachte. Vanzelfsprekend trapte Maggie er niet in als ze zoiets zei. Onder Gwens vroegere en huidige cliënten bevonden zich zo veel mensen van ambassades, het Witte Huis en het Congres, dat ze er haar eigen regering mee zou kunnen samenstellen. Maggie mocht dan niet genoeg slaap krijgen – ze zou nog wel van streek zijn door de dood van haar collega, en zoiets kon nu eenmaal tot een zekere mate van depressiviteit leiden – haar droge reactie was een goed teken. Misschien maakte Gwen zich voor niets druk.

Twee rekruten in blauwe poloshirts hielden de deur voor hen open.

Gwen bedankte hen met een glimlach, Maggie knikte slechts.

Terwijl ze door een van de eindeloze gangen liepen, bedacht Gwen dat ze best nog eens kon proberen te achterhalen of het echt wel goed ging met Maggie. ‘Hoe ging het ontbijt met je moeder gisteren?’

‘Prima.’

Een veel te bondig antwoord. Dus dát zat Maggie dwars. ‘Prima? Echt waar?’

‘We hebben niet echt samen ontbeten.’

Een groep agenten in uniformen van kaki, met groene poloshirts eronder ging opzij om hen langs te laten.

Gwen, die de drukte en het gedrang in DC gewend was, vond de manier waarop ze in Quantico werd bejegend altijd een beetje té beleefd en hoffelijk.

Weer een deur, en nog een gang.

‘Laat me eens raden,’ zei Gwen alsof ze niet onderbroken waren. ‘Ze kwam niet opdagen.’

‘Mis, ze kwam wel. En wat een entree! Maar ik moest voortijdig weg. Voor deze zaak, om precies te zijn.’

Daar had je dat irritante moederinstinct weer, dat alleen de kop opstak wanneer ze het idee had dat Maggie werd bedreigd. Hoewel Gwen het antwoord vreesde, vroeg ze: ‘Hoe bedoel je, “wat een entree”? Ze was toch niet dronken, hè?’

‘Kunnen we het hier een andere keer over hebben?’ vroeg Maggie, waarna ze een paar officieel uitziende mannen in pak begroette.

Gwen zag dat het collega-agenten waren. Nee, dit was vermoedelijk geen goede plek om de vuile was buiten te hangen.

Ze gingen een hoek om en kwamen in weer een andere gang terecht – een lege deze keer. Onmiddellijk maakte Gwen daar gebruik van. ‘Goed, we hebben het er wel een andere keer over, maar vertel me alleen even wat je bedoelde, oké?’

‘Allemachtig! Heeft iemand je wel eens verteld dat je onuitstaanbaar bent?’

‘Ja zeker, maar je moet toch toegeven dat dat een van mijn aantrekkelijkste eigenschappen is.’

Ze zag Maggie glimlachen, al hield haar vriendin haar blik strak voor zich uit gericht, veilig bij Gwen vandaan.

‘Ze wil dat we samen Thanksgiving vieren,’ zei Maggie toen.

Dat was wel het laatste wat Gwen had verwacht. Ze was met stomheid geslagen.

Na een korte stilte zei Maggie met een lach: ‘Ja, dat was mijn reactie ook min of meer.’

‘Nou ja, je zegt al wel een tijdje dat ze probeert te veranderen.’

‘Inderdaad, haar vrienden, haar kleren en haar kapsel. Die Everett schijnt haar te hebben geholpen heel wat dingen in haar leven te veranderen, in de meeste gevallen ten goede. Maar wat ze ook doet, ze kan het verleden niet terugdraaien.’

Inmiddels waren ze aan het eind van de gang, en Maggie wees naar de laatste deur aan de rechterkant. ‘We zitten hier.’

Hadden ze maar meer tijd gehad, dacht Gwen. Als zij niet altijd en eeuwig te laat was, zouden ze dat misschien ook hebben gehad.

Toen ze de vergaderzaal binnen kwamen, stond de man aan het uiteinde van de tafel meteen op, hoewel het hem duidelijk moeite kostte en hij op een wandelstok moest leunen. Zijn gebaar dwong de andere mannen aan de tafel eveneens overeind te komen.

Gwen zag agent Tully, Keith Ganza – het hoofd van het misdaadlaboratorium van de FBI – en directeur Cunningham. Ook zag ze rechercheur Julia Racine, die was blijven zitten en ongeduldig op haar stoel heen en weer bewoog.

Maggie negeerde de onhandige pogingen tot beleefdheid van haar collega’s en liep rechtstreeks op de senator af, met uitgestrekte hand. ‘Senator Brier, ik ben agent Maggie O’Dell, en dit is dokter Gwen Patterson. Neemt u ons alstublieft niet kwalijk dat we een beetje laat zijn.’

‘Dat geeft niets.’ Kort, maar met een kracht alsof hij hun botten fijn wilde knijpen – misschien ter compensatie van zijn verlamde rechterbeen – schudde hij hun allebei de hand.

De verlamming was veroorzaakt door een auto-ongeluk, herinnerde Gwen zich. Het was geen oorlogswond, zoals de media tijdens de laatste verkiezingen hadden beweerd.

‘Het spijt me vreselijk van uw dochter, senator,’ zei ze.

Hij kromp zichtbaar ineen, kennelijk nauwelijks in staat de gevoelens die haar simpele condoleance opriep te hanteren.

‘Dank u.’ Zijn toon miste alle kracht en beheersing die zijn handdruk van zo-even wel had gehad.

Afgezien van de donkere kringen onder zijn ogen zag de senator er onberispelijk uit. Hij droeg een duur uitziend, marineblauw pak, een kraakhelder wit overhemd en een paarszijden das met een gouden dasspeld erop. Gwen zag dat er vier letters – WZJD – in gegraveerd stonden.

‘Wat een prachtige dasspeld,’ merkte ze op. ‘Mag ik vragen waar die letters voor staan?’

Hij keek omlaag alsof hij even niet wist wat ze bedoelde. ‘O, dat mag u best vragen, hoor. Ik heb hem van mijn assistent cadeau gekregen. Hij zei dat de speld diende om me te helpen bij belangrijke beslissingen. Ik geloof niet zo in die dingen, maar hij wel. En ach, het was een cadeau.’

‘En de letters?’ hield Gwen aan, Cunninghams ongeduldige blik negerend.

‘Ik meen dat het staat voor: Wat Zou Jezus Doen.’

‘Laten we maar eens beginnen,’ zei Cunningham. Hij gebaarde Gwen en Maggie plaats te nemen, voor er nog meer tijd werd verdaan met kletsen.

Gwen ging in de buurt van de senator zitten en zag dat Maggie helemaal om de tafel heen liep en plaatsnam naast Keith Ganza. Kennelijk wilde ze de lege stoel naast Racine mijden. Maar nu zat ze recht tegenover de rechercheur, die haar glimlachend toeknikte, waarop Maggie haar blik afwendde.

Het stond Gwen niet meer bij waarom Maggie zo’n hekel aan die vrouw had. Ze wist dat het iets te maken had met een andere zaak waaraan ze samen hadden gewerkt, maar er zat meer achter. Wat ook weer? Terwijl ze Racine opnam, probeerde ze het zich te herinneren. De rechercheur was iets jonger dan Maggie. Halverwege of achter in de twintig – vrij jong voor een rechercheur. Cunninghams stem onderbrak haar gedachten.

‘Ik weet dat ik namens ons allemaal spreek, senator, wanneer ik u condoleer en ons medeleven betuig.’

‘Dank je, Kyle. Ik realiseer me dat het ongebruikelijk is dat ik hierbij ben. Ik wil jullie niet in de weg zitten, maar ik wil er wel bij betrokken worden.’ De senator trok aan zijn manchetten en legde zijn armen op tafel – een gebaar van een man die zijn best deed zich te beheersen. ‘Ik móét erbij betrokken worden.’

Cunningham knikte, sloeg enkele dossiermappen open en deelde over de tafel heen papieren uit. ‘Dit is wat we tot nu toe weten.’

Gwen wist dat het een aftreksel van het echte verhaal zou zijn. Dat betekende dat ze zou moeten wachten voor ze alle details zou horen, en die gedachte maakte haar onrustig. Ze vond het vervelend niet goed voorbereid te zijn. Waarom had Cunningham niet op een later tijdstip met de senator afgesproken, wanneer de eenheid de tijd had gehad de zaak te bespreken? Of had hij geen keus gehad? Ze had het idee dat deze zaak om de een of andere reden een beetje buiten de gebruikelijke regels en procedures viel. Toen ze een blik op Cunningham wierp, betrapte ze zichzelf erop dat ze zich afvroeg of hij wel echt de leiding had in deze zaak.

Ze bladerde de papieren door en haalde er vlug de nietszeggende gegevens uit: het vermoedelijke tijdstip van overlijden en de vermoedelijke doodsoorzaak – informatie zonder nadere bijzonderheden. Wat voor vrijstelling of speciale vergunning senator Brier ook van FBI-hoofddirecteur Mueller gekregen mocht hebben, de harde feiten zouden hem bespaard blijven. Gwen wist dat Cunningham zijn best zou doen de gruwelijkste details enigszins te verbloemen, ongeacht wie in werkelijkheid de leiding in de zaak had. Ze kon het hem niet kwalijk nemen. Geen enkele vader zou over de angstaanjagende, wrede laatste minuten van zijn dochters leven hoeven te horen.

‘Eén ding wil ik graag meteen weten.’ De senator stopte met het doorbladeren van de papieren, maar keek niet op. ‘Is ze… Is ze verkracht?’

Gwen sloeg de gezichten van de mannelijke aanwezigen gade. Allen meden de blik van de senator.

Dit fascineerde haar in mannen die een nauwe band hadden met een slachtoffer, of dat nu als echtgenoot, vader of zoon was. Of hun geliefde nu in elkaar geslagen was, onherkenbaar toegetakeld met een mes, gemarteld, verminkt en bruut vermoord, op de een of andere manier vonden ze dat alles minder gruwelijk dan de gedachte dat ze verkracht was, dat ze onteerd was op een wijze die ze niet konden bevatten.

Ten slotte antwoordde Maggie: ‘Daarover geven de bewijzen geen uitsluitsel.’

Senator Brier keek haar aan en schudde toen zijn hoofd. ‘U hoeft me niet te ontzien. Ik moet het weten.’

Dat hoefde hij helemaal niet te weten, dacht Gwen. Bijna had ze die gedachte uitgesproken, maar Maggie legde haar met een blik het zwijgen op.

Daarna keek Maggie even naar Cunningham, alsof ze om toestemming vroeg om verder te gaan.

Cunningham zat recht voor zich uit te kijken, met zijn handen over elkaar gevouwen voor zich op tafel, en gaf geen enkel teken dat ze moest stoppen.

‘We hebben wat sperma in de vagina aangetroffen, maar er waren geen kneuzingen of scheurtjes,’ antwoordde Maggie. ‘Is het mogelijk dat Ginny eerder die avond met iemand samen is geweest?’

Gwen zag Cunningham waarschuwend naar Maggie kijken. Dat ze zo’n vraag zou stellen, had hij duidelijk niet verwacht. Maggie lette echter niet meer op hem; ze had enkel oog voor de senator en wachtte op zijn antwoord. Gwen glimlachte in zichzelf. Goed zo, Maggie.

De senator leek van zijn stuk gebracht. Het scheen hem makkelijker te vallen over de mogelijke verkrachting van zijn dochter te praten dan over haar seksleven.

‘Dat weet ik niet goed. Misschien dat een van haar vriendinnen het weet.’

‘We zouden er veel aan hebben als we daarachter kwamen,’ vervolgde Maggie, ondanks Cunninghams rusteloze geschuif aan het hoofd van de tafel.

‘U gelooft toch zeker niet dat een vriendje van haar haar dit heeft aangedaan, hè?’ De senator leunde naar voren, balde zijn hand tot een vuist en verfrommelde een vel papier. ‘Dat is bespottelijk.’

‘Nee, dat geloven we niet,’ kwam Cunningham tussenbeide. ‘Zeker niet, sir. Dat bedoelde agent O’Dell niet.’ Hij keek naar Maggie, en Gwen herkende de nijdige blik, die zijn altijd zo stoïcijnse gezicht maar een heel klein beetje veranderde. ‘Of wel, agent O’Dell?’

‘Nee, natuurlijk niet.’ Tot Gwens opluchting scheen Maggie kalm en niet van de wijs gebracht. ‘Ik bedoelde alleen maar dat we moeten vaststellen of Virginia die avond wel of niet met wederzijdse instemming met een jongen geslapen heeft. Als dat niet zo is, kan dat sperma een belangrijke aanwijzing zijn om haar moordenaar te vinden.’

De senator knikte en leunde een paar centimeter achteruit – maar niet ver. Gwen vermoedde dat dat ook zijn stijl was in de Senaat: altijd paraat, nooit ontspannen.

‘Vanuit diezelfde gedachte, senator Brier,’ zei Cunningham terwijl hij zijn bril omhoogduwde en zijn ellebogen op tafel plantte, ‘moet ik u vragen of u iemand weet die u of uw dochter kwaad zou willen doen.’

Die vraag deed de senator duidelijk versteld staan. Even wreef hij over zijn slapen alsof hij een opkomende hoofdpijn wilde afweren. Toen vroeg hij met bevende stem: ‘Dus dit was inderdaad niet zomaar een moord? U beweert dus dat het iemand kan zijn geweest die Ginny kende?’

Stoelen kraakten toen een paar aanwezigen ongemakkelijk heen en weer bewogen. Papier knisperde in nerveuze vingers.

Zelfs Gwen die niets van de zaak af wist, besefte dat niemand aan tafel geloofde dat Virginia Brier alleen maar op het verkeerde moment op de verkeerde plek was geweest – doorgedraaid vriendje of niet. Tenminste, niemand behalve senator Brier, die of geloofde dat ze een willekeurig slachtoffer was of alles deed om zichzelf daarvan te overtuigen. Handenwringend wachtte hij het antwoord van Cunningham af.

‘We weten nog niets zeker, senator. We moeten alle mogelijkheden uitsluiten. Maar we hebben wel een lijst nodig van alle vrienden en vriendinnen van uw dochter, van iedereen die haar zaterdag en misschien ook vrijdag gezien of gesproken heeft.’

Er werd zacht op de deur geklopt, en een lange knappe zwarte man kwam binnen, zonder een uitnodiging af te wachten. Hij verontschuldigde zich terwijl hij naar de senator toe liep, die hij iets in het oor fluisterde – een handeling die beide mannen kennelijk heel normaal en vertrouwd voorkwam, ondanks het publiek dat om de tafel zat te wachten.

De senator knikte en zei toen, zonder naar zijn assistent op te kijken: ‘Dank je, Stephen.’ Op de uitgestoken arm van de jongeman leunend, kwam hij overeind. ‘Het spijt me, Kyle. Ik moet terug naar het Capitool. Ik neem aan dat je me op de hoogte houdt.’

‘Natuurlijk, senator. Ik geef u alle bijzonderheden die u moet kennen, zodra we ze hebben.’

Daar leek de senator tevreden mee.

Gwen glimlachte om Cunninghams woordkeus: alle bijzonderheden die u ‘moet’ kennen. De man had politicus moeten worden; hij was er goed in mensen te vertellen wat ze wilden horen en tegelijkertijd helemaal niets mee te delen.

Verloren Zielen
CoverPage.html
section-0001.html
section-0002.html
section-0003.html
section-0004.html
section-0005.html
section-0006.html
section-0007.html
section-0008.html
section-0009.html
section-0010.html
section-0011.html
section-0012.html
section-0013.html
section-0014.html
section-0015.html
section-0016.html
section-0017.html
section-0018.html
section-0019.html
section-0020.html
section-0021.html
section-0022.html
section-0023.html
section-0024.html
section-0025.html
section-0026.html
section-0027.html
section-0028.html
section-0029.html
section-0030.html
section-0031.html
section-0032.html
section-0033.html
section-0034.html
section-0035.html
section-0036.html
section-0037.html
section-0038.html
section-0039.html
section-0040.html
section-0041.html
section-0042.html
section-0043.html
section-0044.html
section-0045.html
section-0046.html
section-0047.html
section-0048.html
section-0049.html
section-0050.html
section-0051.html
section-0052.html
section-0053.html
section-0054.html
section-0055.html
section-0056.html
section-0057.html
section-0058.html
section-0059.html
section-0060.html
section-0061.html
section-0062.html
section-0063.html
section-0064.html
section-0065.html
section-0066.html
section-0067.html
section-0068.html
section-0069.html
section-0070.html
section-0071.html
section-0072.html
section-0073.html
section-0074.html
section-0075.html
section-0076.html
section-0077.html
section-0078.html
section-0079.html
section-0080.html
section-0081.html
section-0082.html
section-0083.html
section-0084.html