Hoofdstuk 44
Eric Pratt hoorde en voelde zijn vingernagels scheuren en afbreken wanneer hij ze in de groeven van zijn handboeien duwde. Dat was zijn nieuwste gewoonte, die als enig nut had dat het hem ervan weerhield zijn gehavende nagels in zijn huid te drukken.
Eigenlijk moest hij de bewaker die hem zijn handen bij elkaar had laten houden – in plaats van ze aan weerszijden van zijn middel vast te zetten – dankbaar zijn. Hij wist dat de mensen die hem gevangen hielden zijn beleefde gedrag verkeerd begrepen, dat ze mogelijk zelfs dachten dat hij ongevaarlijk was. Echter niet helemaal ongevaarlijk. Hij rammelde met de boeien om zijn enkels, herinnerde zich eraan dat ze er zaten en schoof op zijn stoel heen en weer. Hij moest eens ophouden met dat bewegen. Waarom kon hij niet stilzitten?
Op het moment waarop de vrouw de kamer in was gekomen, was het klamme zweet hem uitgebroken. Ze had zich voorgesteld als arts, maar hij wist wel beter. Ze was klein, goedgekleed, ongeveer even oud als zijn moeder, maar heel aantrekkelijk. Ze straalde zelfvertrouwen uit en bewoog zich ontspannen, ondanks de hoge hakken die ze aan had. Onwillekeurig keek hij naar haar benen toen ze ze over elkaar sloeg en het zich makkelijk maakte op de stalen klapstoel. Ze had gladde, stevige kuiten, en te oordelen naar wat hij van haar dijen kon zien, leek ze eigenlijk helemaal niet op zijn moeder.
Op dit moment zat ze uit te leggen wat ze kwam doen. Zonder te luisteren keek hij naar haar mond. Hij hoefde niet te luisteren; hij wist precies wat ze kwam doen. Dat had hij meteen al geweten. Zij was de vrouw die gehuld was in zonlicht. Haar rossige haar had haar direct verraden, het omlijstte haar gezicht als zonnestralen. Natuurlijk had ze warme groene ogen en een kalme, innemende manier van doen, een beleefde, hypnotiserende stem en een lichaam dat kon afleiden en verleiden. Father Everett had zichzelf overtroffen; hij had een visioen gestuurd dat regelrecht uit Johannes’ Apocalyps kwam. Geloofde hij nou echt dat Eric haar niet zou herkennen?
Het zweet droop over zijn rug. Haar stem zoemde in zijn oren, de woorden aaneengeregen als een melodie. Satans doodslied, mooi en hypnotiserend. Maar Eric zou zich er niet door laten betoveren. Hij zou zich niet door haar laten vangen en laten uitschakelen. Hoe goed ze ook was. Wat was ze geraffineerd, met die vriendelijke lach en die sexy benen. Als hij er door Brandons bezoek niet op voorbereid was geweest, had hij heel goed in haar web verstrikt kunnen raken, gevangen kunnen worden voor hij zich had gerealiseerd wat het ware doel van haar bezoek was.
Klik, klik. Met zijn nagels plukte hij aan het metaal. Eén vinger was gaan bloeden, voelde hij. Maar hij bleef met zijn handen in zijn schoot zitten, bleef doen alsof hij kalm was, alsof de angst hem niet vanbinnen verscheurde, zijn maagwand niet aan flarden reet en niet langs zijn keel omhoog probeerde te kruipen om hem te verstikken.
Hij keek haar in haar ogen. Toen ze glimlachte, wendde hij snel zijn blik af. Was dat haar geheime wapen? Als ze hem niet met haar stem kon hypnotiseren, zou ze dan haar ogen gebruiken?
Hoe zou ze hem doden? Hij liet zijn blik over haar lichaam gaan om te zien of er ergens een bobbel onder haar kleding zat. De bewakers hadden vast niet gecontroleerd of ze iets op haar lichaam verborgen had. Die kerels zouden niets met de hele toestand te maken willen hebben, als ze al in staat waren haar tegen te houden.
Had Father hun niet verteld dat de vrouw die de zon droeg bijzondere krachten bezat? Dat stond in de Openbaring van Johannes, 12:1-6. Zij was licht, zij was donker. Ze was goed en kwaad. Ze was een boodschapper van Satan en kon zich moeiteloos vermommen.
Opeens schoot hem een krantenartikel te binnen dat Father hun een paar maanden eerder had voorgelezen. De leden zelf mochten geen kranten of tijdschriften hebben, wat ook niet nodig was omdat Father het op zich had genomen hoogstpersoonlijk die nieuwsberichten aan hen door te geven die relevant en van betrouwbare bronnen afkomstig waren. In het artikel had het verhaal gestaan van een buitenlandse diplomaat die uit een of ander slecht land kwam – Eric wist niet meer uit welk land – en die een bezoek aan de Verenigde Staten had gebracht. De diplomaat was in zijn hotelbed vermoord, en volgens het bericht had de vrouw die hem had omgebracht, dat gedaan terwijl ze schrijlings op hem zat. Ze had gewacht tot hij klaarkwam en toen zijn keel doorgesneden. Father Everett had het als voorbeeld gebruikt van manieren waarop het recht kon zegevieren. Had dat hem op het idee gebracht deze vrouw te sturen?
Eric zag dat ze met haar potlood zat te tikken. Het gummetje achterop veerde tegen het schrijfblok. Ja, dat schrijfblok, dat was ook alleen maar voor de show. Het lag op tafel, zonder één enkele aantekening erop. Het potlood was pas geslepen, de punt was zo scherp als die van een dolk.
Enkele van de woorden die uit haar mond kwamen, kon hij onderscheiden. Woorden als ‘helpen’ en ‘meewerken’. Hij wist wel beter. Hij weigerde zich door haar geheimtaal te laten inpalmen. Het hadden net zo goed woorden als ‘vermoorden’ en ‘verminken’ kunnen zijn. Hij kende hun werkelijke betekenis.
Tiktik, tiktik. Hij keek naar het potlood en deed zijn best de paniek te onderdrukken die de lucht uit zijn longen perste. De kamer leek ineens kleiner. Haar stem dreunde maar door. Tiktik, tiktik. Zijn hart bonsde in zijn oren. Of was dat het potlood?
Toen dwong hij zich haar recht aan te kijken. Hij had Satan al eens eerder op een dwaalspoor gebracht. Zou het hem nog een keer lukken?