Hoofdstuk 1

 

 

 

Aan de Neponset River,

Suffolk County, Massachusetts

Woensdag 20 november

 

Eric Pratt leunde met zijn hoofd tegen de wand van de hut. Het pleisterwerk bladderde af, en de schilfers kropen in de hals van zijn overhemd naar binnen en bleven in het zweet achter in zijn nek plakken. Net kleine insecten die zich onder zijn huid probeerden te wurmen. Buiten was het stil geworden. Te stil – een stilte die seconden tot minuten en minuten tot een eeuwigheid maakte. Wat waren ze in vredesnaam van plan?

Nu de schijnwerpers hun felle licht niet langer door de vuile ramen wierpen, moest Eric zijn ogen bijna toeknijpen om de in elkaar gedoken gestalten van zijn makkers te zien. Ze zaten verspreid in de hut, uitgeput en gespannen, maar tegelijkertijd gereed en vol verwachting. Hoewel hij hen in het schemerlicht nauwelijks kon zien, kon hij hen wel ruiken: een doordringende stank van zweet, vermengd met wat hij als de geur van angst had leren herkennen.

Vrijheid van meningsuiting. Vrij zijn van angst.

Maar waar was die vrijheid nu? Bullshit. Het was allemaal bullshit. Waarom had hij dat niet eerder ingezien?

Hij verslapte zijn greep om het AR-15-geweer. In het afgelopen uur was het wapen steeds zwaarder geworden, maar het was het enige wat hem nog enig gevoel van veiligheid verschafte. Tot zijn schaamte moest hij toegeven dat het geweer hem meer steun schonk dan Davids geprevelde gebeden of Fathers bemoedigende woorden door de portofoon. Beide stemmen waren al uren geleden verstomd. Wat had je ook aan woorden op een moment als dit? Wat voor macht konden die laten gelden nu ze hier met zijn zessen in de enige kamer van de hut in de val zaten, midden in een bos waarin het wemelde van FBI- en ATF-agenten? Welke woorden zouden hen nog kunnen beschermen tegen de kogelregen wanneer Satans krijgers hen zouden bestormen?

De vijand was gearriveerd. Het ging precies zoals Father had voorspeld, maar ze zouden meer dan enkel woorden nodig hebben om hem tegen te houden. Woorden waren gewoon bullshit. Het kon hem niet schelen of God hoorde wat hij dacht. Wat kon God hem nog maken?

Eric liet de loop van het geweer tegen zijn wang rusten. Het gevoel van het koele metaal op zijn huid was kalmerend en troostend.

Doden of gedood worden. Die woorden begreep hij. In die woorden kon hij nog steeds geloven.

Hij leunde met zijn hoofd naar achteren, zonder zich iets aan te trekken van het pleisterwerk dat in zijn haren kwam. Opnieuw moest hij aan insecten denken, aan hoofdluizen die zich in zijn vettige hoofdhuid ingroeven. Hij sloot zijn ogen en wenste dat hij zijn gedachten net zo makkelijk kon afsluiten.

Waarom was het zo verrekte stil? Wat voerden ze daarbuiten in vredesnaam uit? Hij hield zijn adem in en luisterde.

Water drupte uit de pomp in de hoek. Ergens tikte een klok de seconden weg. Een tak schraapte over het dak. Boven zijn hoofd blies een fris herfstbriesje door de gebarsten ruit naar binnen. Het bracht de geur van dennennaalden mee en het geluid van droge bladeren die over de grond ritselden.

Net het gerammel van beenderen in een kartonnen doos.

Het enige wat er nog over was: een doos vol beenderen. Beenderen en een oud grijs T-shirt. Justins T-shirt. Het enige wat er nog over was van zijn broer. Father had hem de doos gegeven en hem verteld dat Justin niet sterk genoeg was geweest. Dat zijn geloof niet sterk genoeg was geweest. Dat het zo met je afliep als je niet geloofde.

Eric kon het beeld van die witte beenderen, schoon gevreten door wilde dieren, niet van zich af zetten. De gedachte aan beren en coyotes – of misschien wel allebei – die grommend om het afgescheurde vlees vochten was onverdraaglijk. Hoe kon hij leven met het schuldgevoel? Waarom had hij het toegestaan?

Justin was naar het buitenverblijf gekomen in een poging hem te redden, hem over te halen te vertrekken, en wat had Eric op zijn beurt gedaan? Hij had nooit goed mogen vinden dat Fathers inwijdingsritueel werd uitgevoerd. Hij had moeten ontsnappen toen Justin en hij daar de kans nog toe hadden gehad. Nu had hij geen schijn van kans meer. En het enige wat hem nog van zijn jongere broertje restte, was een kartonnen doos met beenderen. De gedachte alleen al deed de rillingen over zijn rug lopen.

Hij opende zijn ogen om te zien of iemand het had gemerkt, maar hij zag slechts duisternis om zich heen.

‘Wat gebeurt er?’ klonk een krakende stem.

Onmiddellijk nam Eric zijn positie in. In het donker ontwaarde hij de schokkerige bewegingen van de anderen. Metaal klikte ritmisch toen ook zij hun wapens in gereedheid brachten.

‘David, wat gebeurt er?’ klonk de stem weer, zachter deze keer en vergezeld van statisch geknetter.

Eric liet zijn ingehouden adem ontsnappen en liet zich langs de wand omlaag zakken.

David kroop naar de portofoon aan de andere kant van de ruimte. ‘We zijn er nog,’ fluisterde hij. ‘Ze hebben ons –’

‘Nee, wacht,’ onderbrak de stem hem. ‘Maria moet over vijftien minuten bij jullie zijn.’

Even was het stil.

Eric vroeg zich af of hij de enige was die Fathers geheimtaal idioot vond. Zou niet iedereen die meeluisterde zijn woorden vreemd en belachelijk vinden?

Toch draaide David zonder aarzelen aan de knoppen van de radio om deze op kanaal 15 te zetten.

Daarna was het weer stil in de kamer.

Eric zag de anderen naar de radio toe kruipen, gespannen wachtend op instructies of misschien wel op goddelijke interventie. Ook David scheen te wachten. Eric wenste dat hij Davids gezicht kon zien. Was hij net zo bang als zij allemaal of zou hij volharden in zijn rol van dappere leider van deze verknoeide missie?

‘David,’ klonk de stem uit de portofoon. Kanaal 15 kwam minder duidelijk door.

‘We zijn hier, Father,’ zei David.

Bij het horen van de trilling in zijn stem trok Erics maag zich samen. Als David bang was, stonden ze er nog slechter voor dan ze dachten.

‘Hoe is de situatie?’

‘We zijn omsingeld. Er is nog niet geschoten.’ David schraapte zijn keel, als om zijn angst weg te kuchen. ‘Ik ben bang dat er niks anders op zit dan ons over te geven.’

Opluchting stroomde door Eric heen. Vlug gluurde hij om zich heen, dankbaar voor het verhullende duister, dankbaar dat de anderen zijn verademing, zijn verraad niet konden zien. Hij zette zijn geweer naast zich neer en ontspande zich. Overgave, natuurlijk. Dat was hun enige optie. De nachtmerrie was bijna voorbij. Hij kon zich niet eens herinneren hoelang die al duurde. Urenlang had de luidspreker buiten gebruld. De schijnwerpers hadden de hut met verblindend licht overgoten. En binnen was Fathers stem onafgebroken uit de portofoon blijven kraken, hen voorhoudend dat ze dapper moesten zijn. Eric bedacht dat er misschien maar een dunne scheidslijn bestond tussen dapper en stom.

Plotseling drong tot hem door dat het wel heel lang duurde voor Father reageerde. Zijn spieren verstrakten. Hij hield zijn adem in en luisterde. Buiten klonk het geritsel van bladeren. Er bewoog iets. Of speelde zijn verbeelding hem parten? Maakte de uitputting hem paranoïde?

Toen fluisterde Father: ‘Als jullie je overgeven, zullen ze jullie martelen.’ De duistere woorden werden op sussende en kalme toon uitgesproken. ‘Ze zullen jullie heus niet in leven laten. Denk aan Waco. Denk aan Ruby Ridge.’

Stilte.

Iedereen wachtte gespannen af, hopend op een aanwijzing of op zijn minst een paar bemoedigende woorden. Waar bleven die krachtige bezweringen die konden helen en beschermen?

Eric hoorde takken knappen en greep zijn geweer. De anderen hadden het ook gehoord; behoedzaam kropen ze over de houten vloer terug naar hun post. Tussen het irritante gebonk van zijn hart door probeerde Eric te luisteren. Het zweet druppelde over zijn rug. Zijn vingers beefden zo hevig, dat hij ze niet aan de trekker durfde te houden. Waren er scherpschutters? Of, erger nog, stonden er agenten klaar om de hut in brand te steken, net zoals ze dat in Waco hadden gedaan? Father had hen voor de vlammen van Satan gewaarschuwd. Met al die munitie in de opslagbunker onder de vloer zou de hut binnen enkele seconden in een brandend inferno veranderen. Geen ontsnapping mogelijk.

Opnieuw werd de hut beschenen door felle schijnwerpers.

Allemaal schoten ze als ratten weg, de schaduwen in.

Erics geweer knalde tegen zijn knie toen hij zich verder langs de wand omlaag liet glijden. De haartjes op zijn armen kwamen overeind, zijn zenuwen waren rauw van vermoeidheid, en zijn hart bonsde tegen zijn ribben, waardoor het hem moeite kostte te ademen.

‘Daar gaan we weer,’ mompelde hij, juist toen een stem door de luidspreker blafte.

‘Niet schieten. Dit is Speciaal Agent Richard Delaney van de FBI. Ik wil alleen maar met jullie praten. Om te zien of we dit misverstand kunnen oplossen met woorden in plaats van met kogels.’

Nog meer bullshit. Eric moest er bijna om lachen. Maar om te lachen moest hij bewegen, en op dit moment leunde zijn lichaam als verlamd tegen de wand. De enige beweging kwam van zijn trillende handen, toen hij zijn geweer steviger vastgreep. Hij zette zijn geld liever op kogels. Niet op woorden. Niet meer.

David kroop bij de portofoon vandaan, naar het raam aan de voorzijde. Zijn geweer hing losjes langs zijn lichaam. Wat voerde hij nou uit, vroeg Eric zich af. In het licht van de schijnwerpers kon hij Davids gezicht zien, en diens vredige uitdrukking zond een nieuwe schokgolf door hem heen.

‘Zorg dat ze jullie niet levend te pakken krijgen,’ klonk Fathers stem knarsend boven het statische gekraak uit. ‘Jullie zijn allemaal helden, dappere krijgers. Jullie weten wat jullie nu te doen staat.’

David liep verder naar het raam alsof hij het niet hoorde, niet kón horen. Als gehypnotiseerd door het verblindende licht stond hij daar. Zijn lange, slanke gestalte werd door een stralenkrans omringd, wat Eric deed denken aan de afbeeldingen van heiligen die hij in zijn catechismus had gezien.

‘Nog heel even wachten, Mr. Delaney!’ riep David tegen de FBI-agent. ‘Dan komen we naar buiten. Om te praten. Maar alleen met u. Met niemand anders.’

Eric zag dat hij loog. Nog voor David de plastic zak uit zijn jaszak haalde, wist Eric dat er geen gesprek zou komen, dat er nog geen woord gewisseld zou worden. De aanblik van de rood-witte capsules maakte hem duizelig en licht in het hoofd. Nee, dit kon niet waar zijn. Er moest een andere manier zijn. Hij wilde niet sterven. Niet hier. Niet op deze manier.

‘Onthoud dat het eervol is te sterven.’ Fathers stem klonk nu helder en duidelijk, zonder storing, bijna alsof hij bij hen in de kamer stond. Bijna alsof hij Erics gedachten had gelezen. ‘Jullie zijn helden, stuk voor stuk. Satan zal jullie niet vernietigen.’

Als lammeren op weg naar de slachtbank gingen de anderen in een rij staan, en ze namen allemaal een cyanidepil aan, die ze eerbiedig vasthielden alsof het een hostie was tijdens de communie. Niemand protesteerde. Ze zagen er zelfs opgelucht uit. Uitputting en angst hadden hen zover gebracht.

Eric kon zich echter niet verroeren. Door de paniek was hij zo verkrampt, dat hij niet van zijn plek kon komen. Zijn knieën konden hem niet langer dragen. Hij kneep zijn handen om zijn geweer, zich eraan vastklampend alsof het zijn laatste redmiddel was.

Zijn tegenzin ontging David niet. Met de laatste capsule kwam hij naar Eric toe en hield hem deze in de palm van zijn hand voor. ‘Het is goed, Eric. Gewoon doorslikken. Je voelt er niks van.’ Zijn stem was net zo kalm en uitdrukkingsloos als zijn gezicht. Zijn ogen waren leeg; alle leven was er al uit verdwenen.

Nog steeds was Eric niet tot bewegen in staat. Hij zat daar maar, kijkend naar de capsule. Zijn kleren plakten aan zijn lichaam, kletsnat van het zweet.

En de stem uit de portofoon dreunde maar door. ‘Er wacht jullie allemaal een betere plaats, waar het veel prettiger is. Wees niet bang. Jullie zijn allemaal dappere krijgers, en we zijn trots op jullie. Met jullie opoffering redden jullie honderden anderen.’

Eric nam de capsule met bevende vingers aan en met zo veel aarzeling, dat David hem nauwlettend in de gaten bleef houden.

Toen stak David zijn eigen pil in zijn mond en slikte. Hij wachtte tot Eric en de anderen zijn voorbeeld zouden volgen.

De koelbloedigheid van hun leider begon barsten te vertonen; Eric zag het aan zijn vertrokken gezicht. Of kwam dat door de cyaankali die zich nu al door Davids maagwand heen vrat?

‘Vooruit!’ beval David met opeengeklemde kaken.

Gehoorzaam nam iedereen de capsule in.

Ook Eric.

Tevreden, liep David terug naar het venster en riep: ‘We zijn zover, Mr. Delaney! We zijn bereid met u te praten.’ Toen bracht hij zijn geweer in positie en wachtte.

Eric zag dat het een volmaakt hoofdschot zou worden. David zou geen munitie verspillen op een kogelvrij vest. Nog voor de agent de grond raakte, zou hij dood zijn. En zijzelf zouden allemaal dood zijn voor Davids geweer leeg was en Satans krijgers de hut bestormden.

Voor het eerste schot zou vallen, ging hij op de grond liggen – net als de anderen – zodat de cyaankali zich een weg kon zoeken door hun lege maag en hun aderen. Het zou slechts een paar minuten duren. Hopelijk zouden ze het bewustzijn verliezen voor hun ademhaling het begaf.

Het geweervuur barstte los.

Eric legde zijn wang op de koude houten vloer en voelde de trillingen, hoorde de ruiten barsten. Buiten klonken kreten van ongeloof. En toen de anderen hun ogen sloten en wachtten op de dood, spuugde Eric Pratt stilletjes de rood-witte capsule uit die hij voorzichtig in zijn mond had bewaard. In tegenstelling tot zijn broertje zou Eric geen doos met beenderen worden. Hij nam het liever op tegen Satan.

Verloren Zielen
CoverPage.html
section-0001.html
section-0002.html
section-0003.html
section-0004.html
section-0005.html
section-0006.html
section-0007.html
section-0008.html
section-0009.html
section-0010.html
section-0011.html
section-0012.html
section-0013.html
section-0014.html
section-0015.html
section-0016.html
section-0017.html
section-0018.html
section-0019.html
section-0020.html
section-0021.html
section-0022.html
section-0023.html
section-0024.html
section-0025.html
section-0026.html
section-0027.html
section-0028.html
section-0029.html
section-0030.html
section-0031.html
section-0032.html
section-0033.html
section-0034.html
section-0035.html
section-0036.html
section-0037.html
section-0038.html
section-0039.html
section-0040.html
section-0041.html
section-0042.html
section-0043.html
section-0044.html
section-0045.html
section-0046.html
section-0047.html
section-0048.html
section-0049.html
section-0050.html
section-0051.html
section-0052.html
section-0053.html
section-0054.html
section-0055.html
section-0056.html
section-0057.html
section-0058.html
section-0059.html
section-0060.html
section-0061.html
section-0062.html
section-0063.html
section-0064.html
section-0065.html
section-0066.html
section-0067.html
section-0068.html
section-0069.html
section-0070.html
section-0071.html
section-0072.html
section-0073.html
section-0074.html
section-0075.html
section-0076.html
section-0077.html
section-0078.html
section-0079.html
section-0080.html
section-0081.html
section-0082.html
section-0083.html
section-0084.html