Hoofdstuk 20
Everetts buitenverblijf,
aan de voet van de Appalachen
Justin Pratt schrok wakker van de muziek die plotseling losbarstte; hij viel bijna van zijn smalle veldbed. Als dat was gebeurd, zou hij boven op een aantal anderen terecht zijn gekomen die daar in slaapzakken lagen.
Hij wist dat hij blij mocht zijn dat hij een veldbed had in die krappe slaapruimte waar ze met een kleine vijfentwintig mensen sliepen. Zodra zijn proefperiode achter de rug was – wanneer dat dan ook mocht zijn – zou hij tussen de rest op de vloer liggen, geen twijfel mogelijk. Niet dat het wat uitmaakte, met dat kleine beetje slaap dat ze kregen. En dan nog gewekt worden door die afgrijselijke muziek uit de luidsprekers ook. Het klonk als een oude krasserige elpee van Onward, Christian Soldiers. Nee, hij mocht niet klagen. Hij moest onthouden dat hij dankbaar moest zijn.
Tot Eric terug was, althans. Dan konden ze samen bedenken wat ze moesten doen. Misschien konden ze naar de Westkust liften. Al wist hij niet goed hoe ze zich in leven zouden kunnen houden zonder een cent op zak. Misschien konden ze terug naar huis. Als hij Eric eens zover zou kunnen krijgen. Hij ging niet zonder Eric.
Hij wreef de slaap uit zijn ogen. Shit, het voelde of hij geen oog had dichtgedaan. Uit gewoonte keek hij naar zijn pols, voor hem te binnen schoot dat het dure Seiko-horloge dat hij van zijn grootvader had gekregen weg was. Een van die hedonistische, materiële dingen die voor zijn eigen bestwil in beslag waren genomen. Alsof hij door te weten hoe laat het was regelrecht in de hel zou belanden.
Zou de werkelijke reden waarom Father niet toestond dat ze iets van waarde behielden, zijn dat ze op die manier afhankelijk van hem werden? Want dat waren ze. Voor alles. Van die stomme rijst tot de stukken krant die ze als toiletpapier gebruikten.
‘Opstaan, Pratt.’ Iemand gaf hem van achteren een duw tegen zijn schouder.
Automatisch balde Justin zijn handen tot vuisten. Zonder om te kijken wist hij dat het Brandon was. O, wat zou hij graag één keer zijn vuist in dat zelfvoldane, arrogante gezicht rammen.
Hij haalde schoon ondergoed en schone sokken van de waslijn in de hoek. Brandon was zo vriendelijk geweest die met hem te delen, want zelfs iets als een goedkoop stuk waslijn scheen hier, in dit kamp, een kostbaar bezit te zijn. De sokken waren nog vochtig, wat betekende dat hij voor de zoveelste keer de hele dag met koude voeten zou rondlopen. Terwijl de anderen maakten dat ze in de rij voor de douche kwamen, kleedde hij zich op zijn gemak aan. Door het kleine raampje zag hij de rij langer worden; hij liep helemaal tot om de hoek van het betonnen gebouw. Met zijn vingers kamde hij zijn vettige haar. Verdorie! Misschien kon hij later nog gauw even douchen. Hij was het zat in de ene rij na de andere te staan. Bovendien verging hij van de honger, en zijn maag herinnerde hem er rommelend aan dat hij sinds de lunch van de dag daarvoor niets meer had gegeten.
Onderweg naar de kantine keek hij om zich heen. Dit werd nota bene een buitenverblijf genoemd. De enige andere keer dat hij het woord ‘buitenverblijf’ had gehoord, was in een documentaire over de Kennedy’s en hun landgoed, dus toen Eric hem van Fathers buitenverblijf had verteld, had hij zich natuurlijk zoiets voorgesteld: een landgoed met personeelswoningen en paardenstallen en een enorm landhuis erop. Dit ‘buitenverblijf’ leek echter meer op een kazerne: kale gebouwen van metaal en beton, omgeven door bomen en nog eens bomen, op een afgelegen plek in de Shenandoah Valley. Aan de zuidzijde lagen stapels kreupelhout en ontwortelde bomen, opgeworpen toen ze met bulldozers net genoeg land hadden vrijgemaakt om het buitenverblijf op te zetten. Erg goed geregeld was het allemaal niet. De putten waren niet diep genoeg gegraven, en veel van de gebouwen hadden geen sanitair. Er was beslist nooit genoeg warm water. En heet water? Vergeet het maar. Het zag er allemaal erg provisorisch uit.
Hij had geruchten gehoord dat Father elders een nieuw buitenverblijf liet bouwen, een of ander paradijs dat hij iedereen beloofde. Maar na de avond daarvoor was Justin niet van plan die klootzak ooit nog te vertrouwen of wat hij allemaal beweerde voor zoete koek te slikken. Die smeerlap was een vervloekte hypocriet.
Niet dat Justin hem daarvóór zo vertrouwd had. Hij schonk zijn vertrouwen niet zomaar.
Al vanaf zijn eerste week hier had hij kunnen weten dat die vent gewoon een bedrieger was, toen had Eric hem meegenomen naar iets wat Father een ‘reinigingsritueel’ had genoemd. Alle aanwezigen hadden hun gênantste ervaring op papier moeten zetten en bovendien dat waar ze het bangst voor waren. Ze hadden het blaadje nog moeten ondertekenen ook.
‘Niemand anders krijgt deze bekentenissen te zien,’ had Father hun op zijn gladde, hypnotiserende manier verzekerd. ‘Het is alleen maar bedoeld als oefening om je verleden op te biechten en je angsten onder ogen te zien.’
De papieren waren in een zwart vierkant blik verzameld. Justin, die ze had moeten ophalen, was opgedragen de gedeukte trommel vlak achter Fathers grote houten stoel neer te zetten – een stoel die eigenlijk meer een troon was en die werd geflankeerd door die twee krachtpatsers: Fathers lijfwachten.
Aan het eind van de avond had Father het zwarte blik met al die geheimen weer tevoorschijn gehaald. Hij had één brandende lucifer in de trommel geworpen en zo de bekentenissen verbrand. Zuchten van verlichting hadden geklonken, maar het was Justin niet ontgaan dat er opeens geen deuk meer in het blik had gezeten.
Toen hij Eric later over het wonder van de verdwenen deuk had verteld, was zijn broer fel tegen hem uitgevallen.
‘Soms moet je gewoon vertrouwen hebben en geloven. Als je dat niet kunt, dan hoor je hier niet,’ had hij gezegd op een nijdige toon die hij nog nooit eerder tegen Justin had gebruikt.
Justin herinnerde zich dat het had geklonken alsof Eric niet alleen hem had proberen te overtuigen, maar ook zichzelf.
Op weg naar de kantine besloot hij een stuk af te snijden. Hij sprong over een paar schragen en liep door een doolhof van stapels hout en antiek bouwgereedschap. De gedachte drong zich aan hem op dat een paar van Fathers gouden manchetknopen al genoeg zouden opbrengen om een nieuwe vorkheftruck te kopen, zodat de oude tractor met zijn voorlader en de roestige ploeg die erachter hing uit hun lijden verlost zouden kunnen worden.
Toen hij de vuilnishoop rook, bedacht hij dat het toch niet zo’n goed idee was geweest een kortere weg te nemen. Geen wonder dat iedereen dit deel meed.
Op het moment dat hij zijn weg terug naar het hoofdpad zocht, zag hij een paar mannen, die achter het afval aan het spitten waren. Misschien gingen ze die stinktroep eindelijk begraven. Maar toen hij bleef staan, zag hij dat ze geldkisten in de grond lieten zakken.
‘Hé, Justin.’
Hij keek om en zag Alice over de stapels hout heen naar hem wuiven. Ook zij zocht zich een weg door de doolhof. Haar zijdeachtige haar glansde in de ochtendzon, en haar kleren zagen er schoon en fris uit. Háár sokken waren zeer zeker niet vochtig. Opeens wenste hij dat hij zich de tijd had gegund voor die koude douche van twee minuten.
Met die schattige, bezorgde blik van haar keek ze naar hem op. ‘Wat doe je hier, Justin? Niemand mag hier komen.’
‘Ik wilde een kortere route nemen.’
‘Kom op, laten we maken dat we hier wegkomen voor iemand ons ziet.’ Ze pakte zijn hand om hem mee te trekken, maar hij bleef staan.
‘Wat zijn die kerels daar aan het doen?’
Ze fronste haar voorhoofd. Toen hield ze haar hand boven haar ogen en tuurde tegen de ochtendzon in naar de plek waarheen hij wees. ‘Dat gaat je niet aan.’
‘Dus je weet het niet?’
‘Het is niet belangrijk, Justin. Toe, pas nou maar op dat ze je niet hier zien.’
‘Want anders? Dan praat er wekenlang niemand tegen me? Of nee, dan krijg ik misschien mijn weekrantsoen plakkerige rijst met bonen niet.’
‘Hou op, Justin.’
‘Kom op, Alice. Vertel me nou maar wat ze daar aan het begraven zijn, dan ga ik braaf met je mee.’
Abrupt liet ze zijn hand los.
Wat was hij stom bezig! Alice was de enige om wie hij iets gaf, en nu joeg hij ook haar tegen zich in het harnas. Dat effect scheen hij op iedereen te hebben.
‘Ze zijn het geld aan het begraven dat we gisteravond tijdens de bijeenkomst hebben opgehaald.’
Aan het eind van elke bijeenkomst werden er rieten manden doorgegeven voor wat Father een ‘blijk van dankbaarheid’ aan God noemde. Die manden zaten na afloop meestal boordevol.
‘Hoe bedoel je, ze begraven het?’
‘Ze begraven al het geld dat we ophalen.’
‘Ze stoppen het onder de grond?’
‘Maak je geen zorgen. Ze doen mottenballen in de kisten, zodat de biljetten niet gaan schimmelen.’
‘Maar waarom begraven ze het?’
‘Waar zou het anders bewaard moeten worden? Banken zijn niet te vertrouwen; die zijn allemaal in de macht van de overheid. Geldautomaten en elektronische overschrijvingen en zo zijn er alleen maar zodat de overheid je geld in de gaten kan houden en het af kan pakken wanneer ze maar willen.’
‘Maar waarom wordt er dan niet op zijn minst iets van geïnvesteerd, op de effectenbeurs of zo?’
‘O, Justin, wat moet ik toch met jou?’ Glimlachend klopte ze hem op zijn arm, alsof hij een grapje had gemaakt. ‘De overheid beheerst de effectenbeurs ook. Weet je nog wat je bij geschiedenis hebt geleerd over de crisisjaren?’ Ze sprak met een rustige leraressenstem. Gelukkig waren die zorgelijke lijnen even van haar gezicht verdwenen. ‘Iedere val op de effectenbeurs wordt door de overheid veroorzaakt. Ze stelen het zuurverdiende geld van de mensen en laten ze weer helemaal van voren af aan beginnen.’
Daar had Justin nooit echt over nagedacht. In geschiedenis had Justin nooit uitgeblonken; Alice wist van zulke dingen veel meer af dan hij. Hij wist wel dat zijn vader altijd goed de pest in had wanneer hij verlies leed op de beurs.
Hij haalde zijn schouders op alsof het hem allemaal niet kon schelen.
Nogmaals pakte ze zijn hand, en ze trok hem met zich mee.
Genietend van het gevoel van haar zachte huid tegen zijn handpalm, liet hij haar begaan. Hij wilde haar naar de avond daarvoor vragen, naar wat Father met haar had uitgespookt. Tegelijkertijd wilde hij het er helemaal niet over hebben en het voorval het liefst vergeten. Misschien was het maar beter als ze dat allebei deden.
Terwijl ze naar de kantine liepen, besloot Justin aan iets anders te denken. Zoals aan hoeveel geld er in dat gat begraven zou liggen. Onwillekeurig vroeg hij zich af hoeveel mensen ervan af wisten. Als Eric en hij besloten te vertrekken, zouden ze misschien niet eens hoeven te liften.