Hoofdstuk 21
FDR Memorial,
Washington DC
Nadat hij een nieuw rolletje in zijn camera had gedaan en het apparaat had dichtgeklapt, trok Ben Garrison zijn handschoenen weer aan. Hij was absoluut niet van plan tijd te verspillen en rechercheur Racine de kans te geven zich te bedenken. Hij ging wat dichterbij staan en stelde in op het gezicht van de vrouw.
Ze zag er zo vredig uit, bijna alsof ze gewoon sliep, ook al was ze tegen een boom aan gezet. De blauwige tint van haar huid fascineerde hem. Was die het gevolg van de kou de voorgaande nacht of was het een late reactie op de wurging? Nog intrigerender waren de vliegen – honderden vliegen die, ondanks de drukte van de politiemensen die het gebied om hen heen onderzochten, rustig bleven zitten. Ze waren groot en zwart – geen gewone huisvliegen – en schenen hun intrek te nemen in alle openingen die er in het lichaam te vinden waren.
De dood, zijn rituelen en alle natuurlijke processen die erbij hoorden, boeiden hem mateloos. Hoeveel ontzielde lichamen hij ook zag, ze bleven hem fascineren. Nog geen vierentwintig uur geleden had er iets warms en kloppends in dit lichaam gehuisd. In Nieuw-Caledonië werd dat door de ouderen een ‘schaduwziel’ genoemd. De eskimo’s uit de Beringstraat spraken van iemands ‘schim’, en christenen noemden het simpelweg de ‘ziel’. Wat het ook was, het was verdwenen. Het was in rook opgegaan en had een leeg omhulsel achtergelaten waaraan insecten zich te goed konden doen.
Ergens had hij gelezen dat een stoffelijk overschot in één week tijd negentig procent van zijn oorspronkelijke gewicht kon verliezen als het tijdens een hete zomer blootgesteld was aan insecten. Insecten waren behoorlijk efficiënt en voorspelbaar. Jammer dat mensen dat niet waren; het zou zijn werk een stuk makkelijker maken.
‘Hé, kijk uit waar je loopt!’ riep een agent tegen hem.
‘En wie mag jij wel wezen, vriend?’ wilde een slungel in een marineblauw windjack en met een baseballcap op weten. Met zijn lengte – minstens één meter tachtig – en atletische bouw leek hij meer op een honkbalspeler dan op een politieagent.
Zonder te antwoorden, ging Ben door met fotograferen.
De man greep hem bij zijn elleboog. ‘Wie heeft deze vent hier toegelaten?’
‘Hé, wacht eens even.’ Ben rukte zich los, maar werd meteen door twee mannen in uniform belaagd. Toen pas zag hij de gele letters op de rug van die kerel in het windjack: FBI. Shit, hoe had hij dat nou moeten weten? Die slungel zag er verdorie uit als een kantoorpik!
‘Het is in orde.’
Eindelijk verscheen Racine om hem te redden. Op de knieën van haar zorgvuldig geperste broek plakten bladeren, en haar korte blonde haar was door de wind verwaaid. ‘Ik ken hem. Hij heeft al eens eerder foto’s van de plaats delict voor ons gemaakt, voor hij beroemd werd als freelancer. Steinberg is er nog niet; die zit aan de andere kant van de stad, op een andere plaats delict. We moeten een paar opnamen hebben voor het begint te regenen, en we hadden de mazzel dat Garrison toevallig in de buurt was.’
De agenten lieten Ben los, maar gaven hem een zet om hem duidelijk te maken wie hier de baas was.
Voor de zekerheid controleerde hij zijn camera-instellingen. De eikels. Hij bewees hun toch zeker een dienst!
‘Kom op, jongens. De voorstelling is afgelopen,’ zei Racine tegen de mannen van het mobiele lab, die even waren opgehouden met in het gras rondkruipen om naar de opschudding te kijken. ‘We moeten opschieten voor onze bewijzen wegspoelen. Garrison, dat geldt ook voor jou.’
Hij knikte, maar luisterde nauwelijks. Zojuist had hij gemerkt dat de ogen van de dode vrouw hem schenen te volgen waar hij ook ging. Het zou wel een zinsbegoocheling zijn. Toch? Of werd hij paranoïde?
‘Hé, fotograaf!’ riep de FBI-agent. ‘Neem hier eens een foto van.’ Hij stond achter Ben en wees naar een plek op de grond, op zo’n anderhalve meter van het lijk.
‘De naam is Garrison,’ zei Ben. Hij wachtte tot de man hem aankeek, en toen dat gebeurde, maakte Ben hem duidelijk dat hij niets zou doen voor de ander hem met een beetje respect bejegende.
De kerel duwde zijn baseballcap naar achteren en glimlachte. ‘En je was toevallig in de buurt. Hoorde ik rechercheur Racine niet zoiets zeggen?’
‘Klopt. En wat dan nog? Ik was gewoon een paar archiefopnamen van de monumenten aan het maken.’
‘Op zondagochtend?’
‘Dat is de beste tijd. Dan lopen er tenminste niet van die idioten rond die het leuk vinden mijn opnamen te verpesten. Ik ben jullie aan het helpen, hoor, dus je hoeft me niet zo op mijn nek te zitten.’ Hoewel hij de kerel het liefst zou hebben gezegd dat hij wat hem betrof naar de maan kon lopen, hield hij zijn toon neutraal en bedwong zijn woede.
‘Oké, Mr. Garrison, zou u alstublieft een foto willen nemen van die afdrukken in de aarde?’ Opnieuw wees hij naar de plek. Zijn sarcasme en zijn blik vertelden Ben dat hij het maar beter niet op de spits moest drijven.
Klote FBI’er. Ben wierp een blik op diens windjack, zich afvragend waar zijn wapen verstopt zat. Hij durfde er wat om te verwedden dat die eikel heus niet zo’n macho zou zijn zonder zijn door de regering verstrekte Glock.
‘Natuurlijk,’ antwoordde hij uiteindelijk. Hij bekeek het stuk grond waarnaar de agent wees en zag direct de drie kleine ronde afdrukken. Ze zaten vijftien à twintig centimeter van elkaar, en van bovenaf vormden ze een driehoek.
‘Wat is dat?’ Racine kwam erbij staan en keek over Bens schouder, precies op het moment dat hij de eerste regendruppels in zijn nek voelde.
‘Ik weet het niet zeker,’ antwoordde de FBI-agent. ‘Er is iets neergezet. Het kan ook een soort handtekening zijn.’
‘Allemachtig, Tully, jij denkt ook altijd meteen aan seriemoordenaars, hè? Misschien heeft de moordenaar er een koffer neergezet of zo.’
‘Een koffer met kleine ronde pootjes?’ Lachend maakte Ben nog een paar foto’s.
‘Ben jij nou opeens ook een expert?’ Racine werd duidelijk pissig.
Met zijn rug naar haar toe en zijn gezicht naar de grond, glimlachte hij. Hij vond het wel leuk als Racine pissig werd, en in gedachten zag hij haar met dat sexy pruilmondje.
‘Zo, dat zijn wel genoeg foto’s, Garrison. En nu netjes je rolletje inleveren.’
Toen hij opkeek, zag hij dat ze haar hand uitgestrekt hield. ‘Ik heb het lichaam nog lang niet van alle kanten gefotografeerd,’ protesteerde hij. ‘En ik heb nog een paar opnamen over.’
‘Ik weet zeker dat we zo wel genoeg hebben. Bovendien is de patholoog-anatoom er.’ Ze wuifde naar een kleine gedrongen man die met voorzichtige stapjes langs de dichtbegroeide helling omhoog klom. Hij keek goed waar hij zijn voeten neerzette.
Doordat hij een jasje van pied-de-poule en een wollen pet droeg en bovendien een zwarte dokterstas bij zich had, deed hij Ben denken aan een tekenfilmfiguur.
‘Kom op, Garrison.’ Racine had haar handen op haar heupen gezet; misschien dacht ze dat ze zo meer gezag uitstraalde.
Ze had jongensachtige, rechte heupen en droeg vast herenonderbroeken met lange pijpen. Wat ze aan heupen tekortkwam, compenseerde ze echter met haar voorgevel. Ben keek ernaar. Iets in de aanblik van die zachte borsten vlak naast het metaal in haar holster bezorgde hem elke keer weer een stijve. Hij vroeg zich af of ze dat wist en het misschien wel leuk vond, want ze maakte geen aanstalten haar jasje dicht te doen. In plaats daarvan bleef ze stokstijf staan en deed alsof ze haar geduld begon te verliezen. Ze stuurde hem echter niet weg.
‘Ik heb niet de hele dag de tijd, Garrison.’
Met tegenzin liet hij het filmpje terugspoelen, waarna hij het toestel open klikte en haar het rolletje overhandigde. ‘Hier. Alsof ik niks beters te doen heb.’
Ze stopte het rolletje in haar zak en knoopte vervolgens haar jasje dicht. Wilde ze hem soms duidelijk maken dat de voorstelling voorbij was nu ze had wat ze wilde?
‘Je staat wel bij me in het krijt, Racine. Wat dacht je van een etentje?’
‘Had je gedroomd, Garrison. Stuur me maar gewoon de rekening.’ Na die woorden draaide ze zich om om de arts te begroeten en liet Ben staan alsof hij een van haar ondergeschikten was.
Die had hij niet zien aankomen. Hij wreef over zijn stoppelige kaak. De ondankbare trut. Maar deze keer zou ze er niet ongestraft mee wegkomen mannen zo te naaien. Hij had trouwens horen zeggen dat ze met vrouwen hetzelfde deed. Ja, daar zag hij Racine wel voor aan; misschien deed ze het wel tegelijkertijd. Die gedachte bezorgde hem bijna weer een stijve.
Hij merkte dat die FBI-kerel naar hem keek. Hoog tijd om te maken dat hij wegkwam. Per slot van rekening had hij gekregen wat hij hebben wilde. Ook zonder te kijken waar hij zijn voeten neerzette, was hij niet bang om uit te glijden.
Voor hij om de granieten zwerfkeien heen liep, wierp hij een laatste blik over zijn schouder. Racine en de anderen hadden inmiddels enkel aandacht voor de patholoog-anatoom. Ben tastte in zijn zak naar het gladde kokertje. Met een glimlach klemde hij het fotorolletje stevig in zijn hand. Die arme Racine. Het was geen moment bij haar opgekomen dat hij meer dan één rolletje volgeschoten zou kunnen hebben.