Hoofdstuk 26
‘Iets gevonden wat als wurgkoord kan zijn gebruikt? Of als handboeien?’ Hoewel Maggie de polsen van het meisje aan Tully én Racine liet zien, was haar vraag aan Tully gericht. De blauwe plekken en verwondingen aan de polsen waren onmiskenbaar door handboeien veroorzaakt.
Ze hield Tully’s gezicht in de gaten alsof ze op zijn antwoord wachtte, terwijl ze feitelijk keek of hij het volhield. Deze keer keek hij niet naar Racine.
Maggie echter wel. Ze zag de rechercheur popelen om antwoord te geven.
Van ergens onder zijn jasschort diepte Tully zijn bril en stukjes papier op, waarbij zijn handen haast in de knoop raakten. Echt iets voor Tully, dacht Maggie.
Hij zette zijn bril op en keek de papiertjes door; een vreemd assortiment dat onder meer uit een of ander pamflet, een opgevouwen envelop, een kassabon en een papieren servetje bestond. ‘Geen handboeien,’ antwoordde hij ten slotte, terwijl hij zijn papiertjes bleef bestuderen.
Ontspande hij zich nu maar een beetje. Normaal gesproken was Tully de rustigste van hen beiden. Zij was de opvliegende, de driftkop, de onberekenbare; hij het kalme eerst-denken-dan-doen-type. Het werkte haar op de zenuwen dat hij zo gespannen leek. Er was iets mis, en het was iets anders dan zijn onbehagen omdat hij een autopsie moest bijwonen.
‘Weet je, Tully,’ merkte ze op, ‘ze maken van die ontzettend handige dingen. Een heleboel velletjes papier die aan één kant aan elkaar vastzitten. Dat heet een schrijfblok, en je kunt ze zelfs in een formaat krijgen dat in je broekzak past.’
Over zijn bril heen keek hij haar met gefronste wenkbrauwen aan. Toen richtte hij zijn aandacht weer op zijn aantekeningen. ‘Heel grappig, maar mijn systeem werkt prima.’
‘Natuurlijk. Zolang je je neus niet hoeft te snuiten.’
Racine schoot in de lach.
‘Hmpf.’ Stan had blijkbaar geen tijd voor grapjes. Hij gebaarde naar Maggie dat ze hem moest helpen het meisje even op haar zij te leggen, zodat hij kon zien of er nog meer verwondingen waren.
‘Hoe komt het dat haar achterste zo rood is?’ wilde Racine weten. ‘Alles is blauwig, maar haar kont is helemaal rood. Is dat niet raar?’ Ze lachte zenuwachtig.
Stans zucht klonk zo diep, dat het was of alle zuchten van die dag er in één keer uitkwamen. Als het op uitleggen aankwam, was hij bepaald niet geduldig. Maggie vermoedde dat hij, als dat toegestaan was, bordjes met Verboden Toegang zou ophangen.
Zodra ze het lichaam weer hadden laten zakken, trok Stan zijn handschoenen uit en begon opnieuw met zijn ritueel van handen wassen.
‘Dat heet livor mortis, oftewel een lijkvlek,’ legde Maggie uit toen duidelijk was dat Stan geen antwoord zou geven. Ze keek hem aan, in de verwachting dat hij haar in de rede zou vallen.
Hij knikte echter.
‘Wanneer het hart ophoudt met pompen,’ vervolgde ze, ‘stopt de bloedcirculatie ook. Door de zwaartekracht worden alle rode bloedlichaampjes letterlijk naar het laagste punt getrokken, meestal dat deel van het lichaam dat op de grond rust. De bloedcellen vallen uit elkaar en komen in het spierweefsel terecht. Na een uur of twee ziet het hele gebied eruit als een enorme roodachtige plek. Althans, als het lichaam niet verplaatst is.’
‘Wow!’ riep Racine uit. ‘Betekent dat dat ze zittend is doodgegaan?’
Daar had Maggie nog niet bij stilgestaan. Waarschijnlijk had Racine gelijk, want waarom zou de moordenaar het meisje zo hebben neergezet terwijl ze nog in leven was? Ze keek naar Stan, benieuwd of hij Racines observatie zou bevestigen of ontkennen.
Pas toen de stilte voortduurde, drong tot hem door dat ze op een reactie van hem stonden te wachten. Hij draaide zich om en trok nieuwe handschoenen aan. ‘Dat zou best eens zo kunnen zijn. Over één ding ben ik alleen nog niet uit. Ze heeft een donkerroze, bijna rode tint. Ik zal Toxicologie op vergif laten controleren.’
‘Vergif?’ Nog zo’n zenuwachtig lachje van Racine. ‘Stan, het is zonneklaar dat dat kind gewurgd is.’
‘Echt waar, rechercheur? Dus volgens jou is dat zonneklaar?’
‘Nou, ‘zonneklaar’ is misschien wat sterk uitgedrukt.’
Stan pakte een scalpel van zijn blad met instrumenten, en Racines ogen werden groot.
Maggie wist dat het moment dat Racine vreesde sinds ze was gearriveerd was aangebroken.
‘Wacht,’ zei Maggie toen Stan begon met de Y-vormige incisie in de borstkas. Het was niet omwille van Racine dat ze hem tegenhield, maar omdat ze iets wilde nagaan. Als het meisje nog had geleefd toen ze in zittende houding was gezet, was wurging mogelijk niet de doodsoorzaak. ‘Vind je het goed als we eerst die wurgsporen op haar hals bekijken?’
‘Best. Laten we eerst de wurgsporen op haar hals bekijken.’ Met een zucht legde Stan zijn scalpel neer, waarbij hij hem opzettelijk tegen de andere metalen instrumenten liet rinkelen.
Maggie wist dat hij zijn best deed zijn ongeduld te bedwingen; de onnatuurlijk rode tint van zijn mollige gezicht verraadde hem, en op zijn voorhoofd parelden zweetdruppeltjes. Hij was gewend alles op zijn eigen manier te doen. Eventuele toeschouwers hielden gewoonlijk hun mond. Dat hij haar haar zin gaf, beschouwde ze als een groot blijk van respect.
Hij ging opzij, haar zo toestemming gevend te doen wat ze wilde.
‘Dus er was niets achtergelaten wat als wurgkoord kan zijn gebruikt?’ vroeg Maggie aan Tully, terwijl ze op het aanrecht zocht.
Vragend keek hij naar Racine.
‘Niets,’ antwoordde deze. ‘Het kind had zelfs geen panty aan, en de riem van haar tasje was schoon en onbeschadigd. Wat hij ook heeft gebruikt, hij heeft het meegenomen.’
Op een bureau in de hoek vond Maggie eindelijk een plakbandapparaat. Ze trok haar handschoenen uit om het te kunnen hanteren, scheurde een stuk tape af en hield het voorzichtig aan beide uiteinden vast. ‘Kun jij haar hoofd schuin houden, Stan, zodat ik haar hals beter kan zien?’
Stan pakte het hoofd vast alsof het aan een etalagepop toebehoorde. De rigor mortis was nu volledig en had alle spieren doen verstijven. Pas na ongeveer een etmaal zouden de spieren weer soepel zijn.
Er waren diverse wurgsporen, sommige overlappend en het ene dieper dan het andere. De hals van het meisje, waar eerst vast nog geen rimpeltje in gezeten had, leek nu wel een wegenkaart. Behalve strepen zaten er ook grote blauwe plekken, waar de moordenaar vermoedelijk had besloten ook nog zijn handen te gebruiken.
‘Waarom zou het hem zoveel moeite hebben gekost haar te wurgen?’ vroeg Maggie hardop, zonder echt op een antwoord te rekenen.
‘Misschien heeft ze ontzettend tegengesparteld,’ opperde Racine.
Gezien de geringe lengte van het meisje – volgens Stans metingen nauwelijks één meter zevenenvijftig – betwijfelde Maggie of ze veel weerstand had kunnen bieden.
‘Misschien wilde hij niet dat het meteen afgelopen was.’
Tully verbaasde haar met zijn zachte opmerking. Ze merkte dat hij vlak achter haar stond en over haar schouder meekeek.
‘Je bedoelt dat hij haar alleen maar bewusteloos wilde hebben?’ vroeg Racine.
Maggie deed haar best niet afgeleid te raken. Ze drukte de doorzichtige tape tegen de huid van het meisje en duwde het in een van de moeten die door de wurging waren ontstaan.
‘Misschien kreeg hij er een kick van te zien dat ze buiten westen raakte,’ zei Tully, zonder dat hij het wist Maggies gedachten verwoordend. ‘Auto-erotische verstikking of zo.’
‘Dat zou verklaren hoe het komt dat ze zittend is overleden,’ merkte Maggie op. ‘Misschien hoorde haar houding gewoon bij zijn zieke spelletje.’
‘Wat ben je met dat plakband aan het doen?’ wilde Racine weten.
Aha, de goede rechercheur gaf dus eindelijk toe dat ze iets niet wist. Maggie hield de tape omhoog en plakte hem op hem prepareerglaasje dat Stan haar voorhield. Toen het veilig vastzat, hield ze het tegen het licht. ‘Afhankelijk van wat de moordenaar heeft gebruikt, zijn er soms vezels in de wurgsporen achtergebleven.’
‘Als hij een touw of een of ander kledingstuk heeft gebruikt,’ vulde Tully aan.
‘Of een andere stof. In dit geval zo te zien geen vezels. Maar er zit wel iets raars op. Het lijkt wel glitter.’
‘Glitter?’ Stans interesse was gewekt.
Maggie gaf hem het glaasje en trok nieuwe handschoenen aan. ‘Hij moet iets sterks en duns hebben gebruikt. Waarschijnlijk een snoer. Misschien een stuk waslijn of zo.’ Ze onderzocht de zijkanten van de hals. ‘Ik zie geen knoopsporen.’
‘Is dat erg?’ vroeg Tully.
‘Als hij dit al eerder heeft gedaan, zou er iets in het Violent Criminal Apprehension Program kunnen staan. Sommige moordenaars gebruiken telkens dezelfde knoop. Onder meer daardoor is de Boston Strangler geïdentificeerd; die gebruikte bij alle dertien slachtoffers dezelfde knoop.’
‘Nou, wat seriemoordenaars betreft weet jij alles wel op een prik, zeg,’ merkte Racine op.
Hoewel Maggie best wist dat ze het als onschuldig grapje bedoelde, snauwde ze: ‘Het zou geen kwaad kunnen als jij er ook wat vanaf wist. Reken maar dat de moordenaars zelf er alles van weten.’ De woorden waren haar mond nog niet uit, of ze had er al spijt van.
‘Misschien moet ik eens naar Quantico komen om wat van jouw lessen bij te wonen.’
O, geweldig, dacht Maggie, daar zat ze net op te wachten: Julia Racine als haar student.
Hoopte Racine daar misschien op? Koesterde de rechercheur aspiraties om FBI-agent te worden?
Ze zette die gedachte van zich af en concentreerde zich op de keel van het meisje. Met haar wijsvinger ging ze over de diepe rode littekens.
Opeens voelde ze een bobbel. Nee, geen bobbel, eerder een heel opgezet gebied in haar keel. ‘Wacht eens even. Heb je al in haar mond gekeken, Stan?’
‘Nog niet. Maar als ze nog niet geïdentificeerd is, moeten we een gebitsafdruk maken.’
‘Volgens mij zit er iets in haar keel.’ Ze aarzelde.
Beide mannen en Racine stonden dicht om het lichaam en Maggie heen, te wachten en te kijken.
Zodra Maggie de mond open had gewurmd, rook ze het: de zoete geur van amandelen. Weer aarzelde ze, en ze keek naar Stan op. ‘Ruik je dat?’
Hij snoof de lucht op.
Ze wist dat niet iedereen in staat was de geur te onderscheiden; daartoe was slechts vijftig procent van de mensheid in staat.
Het was Tully die reageerde. ‘Cyaankali?’
Nadat Maggie met haar wijsvinger in de binnenkant van de beide wangen had gevoeld, haalde ze er een gedeeltelijk opgeloste capsule uit.
Stan hield een plastic zakje voor haar open.
‘Wat hebben ze de laatste tijd toch met cyaankali?’ vroeg Stan.
Waarschuwend keek Maggie hem aan.
‘Welke idioot geeft zijn slachtoffer nou cyaankali nadat hij haar heeft gewurgd? Of is die pil de doodsoorzaak?’ Racine klonk ongeduldig. Gelukkig leken de blikken die Stan en Maggie uitwisselden haar te ontgaan.
Allebei hadden ze de rood-witte capsule herkend. Hij was nog intact genoeg om te kunnen zien dat er dezelfde merknaam op stond als bij de vijf jongens in de hut, de week daarvoor.
‘Zo ver ben ik nog niet,’ antwoordde Stan uiteindelijk. Ook hij was ongeduldig, maar voorlopig hield hij zijn kennis nog even voor zich.
Blijkbaar had hij Maggies blik juist geïnterpreteerd. Als er een verband was tussen dit meisje en die jongens, zou Racine daar snel genoeg achter komen. Het was een van de weinige dingen die ze buiten de media hadden weten te houden, en dat wilde Maggie graag zo houden.
‘Haar mond was dichtgeplakt,’ deelde Stan mee. ‘Ik heb de tape in een zakje gedaan.’
‘Hij zal de pil wel in haar mond hebben gestopt en haar mond hebben dichtgeplakt toen ze bewusteloos was,’ opperde Tully. Hij zocht kennelijk naar een verklaring waarom de capsule slechts gedeeltelijk opgelost was. De speekselklieren van het meisje moesten nog hebben gewerkt, want anders was de capsule helemaal niet opgelost.
Eén blik op Tully was voor Maggie voldoende om te weten dat ook hij de capsule had herkend en had geraden wat er gaande was. Dus Racine was de enige die in het duister tastte. Geen slechte strategie. Maggie weigerde ook maar een greintje schuld te voelen omdat ze dit voor de rechercheur verborgen hield, zeker na hun laatste zaak samen.
‘Het lijkt me een beetje dubbelop,’ vond Racine.
‘Misschien wilde hij zeker zijn van zijn zaak.’ Stan speelde het spelletje mee.
‘Sorry dat ik jullie stoor bij jullie overleg,’ zei Maggie, ‘maar er zit nog meer in haar keel. Stan, kun je me die tang even aangeven?’
Ze opende de mond van het meisje zo wijd als haar verstijfde kaken maar toelieten en probeerde toen het voorwerp te pakken te krijgen dat halverwege in de keel vastzat. Wat ze eruit haalde, zat onder het bloed, was opgevouwen en verkreukeld… maar nog steeds herkenbaar.
‘Ik geloof dat ik haar zojuist geïdentificeerd heb,’ deelde Maggie mee. Ze hield iets omhoog wat op een gehavend rijbewijs leek.