Hoofdstuk 76
Washington DC
Maggie reed verschillende onbekende straten door, maar vond het gebouw moeiteloos. Het was een ongure buurt waarin haar rode autootje waarschijnlijk niet veilig zou staan. Terwijl ze parkeerde en naar de voordeur liep, werd ze in de gaten gehouden door drie jongens. Ze kreeg zin de Smith & Wesson in de schouderholster onder haar jasje even te laten zien, maar koos toch voor de tweede keus: hen negeren.
Ze wist niet precies wat ze hier kwam doen. Het enige wat ze wist, was dat ze het wachten beu was. Ze móést iets doen, wat dan ook. Ze was zo moe van al die herinneringen die haar plaagden, haar een schuldgevoel bezorgden, haar het idee gaven dat ze – voor de zoveelste keer – op de een of andere manier verantwoordelijk was voor het feit dat haar moeder in moeilijkheden zat. Terwijl ze best wist dat dat niet háár schuld was. Natuurlijk wist ze dat, maar wat ze wist en wat ze voelde waren twee volkomen verschillende dingen.
Het interieur van het oude gebouw verraste haar. Het was er schoon – bijzonder schoon zelfs – en het rook er naar boenwas. Toen ze de houten trap op liep, zag ze dat de wanden pas geschilderd waren en dat de vloerbedekking op de overloop van de eerste verdieping weliswaar versleten was, maar ook brandschoon. Op de tweede verdieping rook ze iets wat op ontsmettingsmiddel leek, en die geur werd sterker toen ze de gang door liep. Hij scheen uit nummer vijf te komen, Ben Garrisons appartement.
Ze klopte aan en wachtte, al verwachtte ze niet dat hij thuis was. Hij zou nog wel in Cleveland zijn. Het was te hopen dat hij deze keer niet vóór alle anderen op de plaats delict arriveerde.
Tully en Racine zouden Everett en zijn handlanger, Brandon, inmiddels wel hebben aangehouden. Ze hadden DNA om Everetts schuld te bewijzen en ooggetuigen en foto’s om aan te tonen dat Brandon enkele minuten voor hun dood in het gezelschap van twee van de slachtoffers was geweest. Zaak afgesloten.
Wat zat haar dan nog dwars? Best mogelijk dat ze het gewoon niet kon uitstaan dat Garrison – die ‘onzichtbare fotograaf’ – ongestraft met de plaatsen delict had kunnen knoeien. Of misschien was ze nieuwsgierig naar zijn overduidelijke obsessie met de dood, zijn voyeurisme. En anders had ze gewoon iets nodig om zich mee bezig te houden.
Ze keek de gang door en klopte nog eens.
Er klonk geschuifel op de trap, en een dametje met grijs haar verscheen op de overloop. Door haar dikke brillenglazen heen keek ze naar Maggie op. ‘Ik geloof dat hij de stad uit is. Bent u van de gezondheidsdienst? Ik heb niks met die kakkerlakken te maken, dat kan ik u wel vertellen. Het is zijn schuld.’
Haar pakje zag er zeker officieel uit, dacht Maggie. Hoewel ze nog niets had gezegd, opende de vrouw Garrisons deur voor haar.
‘Ik probeer het hier schoon te houden, maar sommigen van die huurders… Je kunt de mensen tegenwoordig niet meer vertrouwen.’ Ze opende de deur en stak haar hand op naar Maggie voordat ze weer naar de trap liep. ‘Als u maar weer afsluit wanneer u klaar bent.’
Maggie aarzelde. Zou het kwaad kunnen als ze een kijkje nam?
Het eerste waar haar oog op viel, waren de Afrikaanse dodenmaskers. Drie stuks, aan de wand boven de bank, waarvan het skai was gebarsten. De maskers waren uit hout gesneden. Op het voorhoofd, de wangen en onder de ogen waren ruwe symbolen geschilderd.
Aan de muur ertegenover hing een aantal zwartwitfoto’s. Het waren portretten met de onderschriften: Zoeloe, Three Hill-stam, Aboriginal, Basuto, Andamanees. Garrison scheen gefascineerd te zijn door de ogen van zijn modellen; soms stonden zelfs het voorhoofd en de kin niet helemaal op de foto, om extra aandacht op de ogen te vestigen. Op een van de onderste foto’s, met het onderschrift Tepehuanees, stond zo te zien de achterkant van een hoofd. Misschien was het uitdagend bedoeld, of afwijzend. In elk geval betekende de foto zo veel voor Garrison, dat hij hem wilde bewaren.
Maggie schudde haar hoofd. Ze had geen tijd voor een psychoanalyse van Garrison, en ze wist niet of ze daar behoefte aan zou hebben als ze er wél tijd voor had gehad. Er was iets abnormaals aan een man die zo geboeid werd door oude culturen en volkeren en tegelijkertijd rustig kon toekijken terwijl jonge vrouwen in een openbaar park werden aangevallen. Of beschouwde Garrison alles slechts als onderwerp voor foto’s en meer niet?
Toen ze hem op het politiebureau naar het incident in het Boston Common had gevraagd, had hij iets vreemds gezegd: dat ze er geen idee van had wat er allemaal bij kwam kijken om nieuws te maken. Maar was dat niet precies wat hij met Everett had gedaan? Garrisons foto’s hadden het verhaal van de leden van de kerk en hun mogelijke verband met de moord op de senatorsdochter én de moord in Boston bekendgemaakt. Het ging echter verder; het waren zíjn foto’s die er aanvankelijk toe hadden geleid dat Everett onder verdenking was komen te staan. In zekere zin hadden Garrisons foto’s hen rechtstreeks naar Everett geleid. Hij had het nieuws laten plaatsvinden.
Achter haar krabbelde iets over de vloer.
Razendsnel draaide ze zich om.
Drie enorme kakkerlakken kropen weg in een spleet onder het aanrecht die maar half zo groot was als zij.
Jakkes!
Ze probeerde haar zenuwen de baas te worden. Kakkerlakken. Waarom keek ze er niet van op dat Garrison die om zich heen had? De huisbazin had gelijk: Garrisons appartement paste niet bij de smetteloze hal en de trap, en evenmin bij de rest van het oude, maar schone gebouw. Er liep een spoor van vuile kleren naar de slaapkamer en de badkamer. Het aanrecht stond vol met aangekoekte borden en lege bierflesjes. Stapels kranten en tijdschriften vormden scheve kakkerlakhotels in bijna iedere hoek. Nee, het verbaasde haar niets dat Garrison kakkerlakken als huisdieren had.
Ze liep de kamers door zonder iets interessants tussen de rommel te vinden.
Opeens trapte ze op een boek dat midden op de vloer lag, alsof iemand het had laten vallen. Het leren omslag was glad en schoon; het was beslist niet iets wat Garrison gewoonlijk op de grond liet slingeren. Toen ze het opensloeg, realiseerde ze zich dat het een dagboek was. De bladzijden waren gevuld met een mooi, schuin handschrift. Hier en daar was de auteur koortsachtig gehaast geweest, wat duidelijk bleek uit de plotselinge scherpe lijnen en halen.
Ze raapte het op, en het viel open op een plek waar iets tussen lag; zo te zien een oud ongebruikt vliegticket met afgesleten, gekreukelde hoeken. De bestemming was Oeganda, maar het was al heel lang verlopen. De pagina waarvoor het ticket als boekenlegger diende, had eveneens ezelsoren. Het was de enige bladzijde waarvan het goud op snee was afgesleten. Op de pagina was te lezen:
Lieve zoon,
Ik ga je iets vertellen wat ik je nooit heb kunnen zeggen. Wanneer je dit leest, ben ik inmiddels gestorven. Het spijt me dat ik het je op deze manier vertel; het is een laffe manier, en iedere Zoeloe zou zich er beslist voor schamen. Vergeef het me alsjeblieft. Maar hoe kan ik je in je droevige en toch al zo boze ogen kijken en je vertellen dat je vader me wreed verkracht heeft? Ja, je leest het goed: verkracht. Ik was pas negentien. Ik was bezig met het eerste jaar van mijn studie en ik had een prachtige carrière voor de boeg.
Maggie stopte met lezen en bladerde naar het begin van het dagboek, op zoek naar een naam, een verwijzing naar de eigenares. Ze vond niets. Maar eigenlijk had ze ook geen naam nodig; ze wist van wie dit dagboek was. Het kon geen toeval zijn.
Maar hoe was Garrison eraan gekomen? Waar had hij het in vredesnaam gevonden? Tussen Everetts persoonlijke bezittingen? Zou Everett het dagboek van de vrouw die hij ruim vijfentwintig jaar eerder had verkracht hebben bewaard? En hoe zou híj eraan gekomen zijn?
Ze liet het dagboek in de zak van haar jas glijden. Als Garrison het had gestolen, kon hij er moeilijk bezwaar tegen hebben dat zij het leende.
Net toen ze wilde vertrekken, ontdekte ze een klein kamertje achter de keuken. Het zou haar niet eens zijn opgevallen als er geen vaag rood licht in had geschenen. Natuurlijk, Garrison had zijn eigen donkere kamer.
Nee, ze had het mis, besefte ze zodra ze de deur verder opende. Het was geen donkere kamer. Het was een goudmijn.
De waslijn die over de hele lengte van de kleine kamer was gespannen hing vol met afdrukken. In de plastic bakken in de extra grote gootsteen stonden chemicaliën, en flessen, kokers en ontwikkeltanks vulden de planken. Overal hingen en lagen afdrukken; ze namen alle ruimte aan de wanden en op het werkblad in beslag en lagen soms zelfs over elkaar heen. Maggie zag foto’s van stammen die met hun rituele dansen bezig waren, foto’s van Afrikanen met afschuwelijke littekens, foto’s van vreemde gemuteerde kikkers met poten die uit hun kop groeiden.
En toen zag ze ze. Foto’s van dode vrouwen.
Het moesten er een stuk of twaalf zijn. Naakte vrouwen, tegen een boom aan geleund, met hun ogen wijd open, tape over hun mond en handboeien om hun polsen. Maggie herkende Ginny Brier, de zwerfster die ze onder het viaduct hadden gevonden, de vrouw die bij Raleigh uit het meer was gevist en Maria Leonetti. Maar er waren er meer. Nog minstens zes anderen. En allemaal in dezelfde houding. Allemaal met hun ogen wijd open, recht in de camera kijkend.
Lieve hemel! Hoelang was dit al aan de gang? Hoelang volgde Garrison Everett en zijn jongens al?
Zonder te kijken waar het zat, reikte ze naar het lichtknopje; ze kon haar ogen niet van die dode vrouwen af houden. Er zou toch nog wel andere verlichting zijn dan de rode donkerekamerlamp. Op de tast vond ze een aantal schakelaars, en ze probeerde er een. Het werd pikdonker in de kamer. Automatisch stak ze haar hand uit naar een volgende schakelaar, maar toen verstijfde ze. Ze kon haar ogen niet geloven. De waslijn die door de kamer was gespannen, lichtte op in het donker.
Omdat haar knieën knikten, leunde ze tegen het werkblad. Haar maag draaide zich om. Een lichtgevende waslijn. Wat een ideale uitvinding voor een donkere kamer. En wat een ideaal wapen voor een moordenaar.
Wat was ze dom geweest! Garrison fotografeerde de dode vrouwen niet alleen. En het waren niet de dode ogen die hem interesseerden. De ogen waren de vensters van de ziel. Waarom had ze daar niet eerder aan gedacht? Probeerde Garrison soms de ontsnappende ziel te fotograferen?
Ze deed het rode licht aan en bekeek de foto’s wat zorgvuldiger. Ze zag de lijnen op de hals van de slachtoffers. Keer op keer moest hij hen bij bewustzijn hebben gebracht, hen in de goede houding hebben gezet en hebben gewacht. Geduldig hebben gewacht op dat ene moment, toekijkend met zijn fototoestel kant-en-klaar op het statief. Gewacht tot hij een glimp opving, tot hij het ogenblik kon fotograferen waarop de ziel het lichaam verliet.
Garrison. Garrison, en zijn obsessie met dat laatste ogenblik voor het sterven.
De vloerplanken in de woonkamer kraakten.
Maggie greep naar haar wapen. Wat er ook naderde, het klonk veel groter dan een kakkerlak. De huisbazin? Of was de echte gezondheidsinspecteur gearriveerd? Garrison kon het niet zijn; die zat in Cleveland. Zachtjes liep ze naar de deur van de donkere kamer, centimeter voor centimeter langs het werkblad.
Opnieuw gekraak, luider nu, dichterbij, net aan de andere kant van de deur.
Ze richtte haar revolver, hield het wapen met twee handen vast en negeerde het lichte knikken van haar knieën. In één snelle beweging schopte ze de deur van de donkere kamer open en sprong naar buiten. Ze richtte haar wapen en schreeuwde: ‘Geen beweging!’
Het was Garrison.
Hij stond midden in de kamer over de angstige huisbazin gebogen. Om haar nek zat een stuk waslijn, waar hij aan rukte alsof het een teugel was.
De oude vrouw zat op een van haar knokige knieën naar adem te happen. Haar bril was weg. Terwijl ze met haar magere armen zwaaide en zich tegen Garrison verzette, werden haar ogen dof.
Onaangedaan keek hij naar Maggie op. Hij leek niet eens op te merken dat ze haar wapen op zijn borst gericht hield. Hij stak zijn vrije hand uit en zei: ‘Als zij het niet heeft, moet jij het hebben. Geef me mijn moeders dagboek.’