De opdracht is gegeven (2014)
Wim liet Sandra bellen en vroeg of ik naar haar – naar hem dus – toe wilde komen. Daar aangekomen neemt hij me gelijk weer mee naar buiten. Hij wil weten hoe Sonja had gereageerd op de twee boodschappen die ik haar door moest geven.
De eerste was: hij moet bij slecht weer en slecht zicht op een scooter rijden. Daardoor loopt hij het risico dat hij een keer valt met die scooter. Dat is haar schuld, want zij geeft het autootje van Richie niet af. Ik moest haar zeggen: ‘Als ik val met die brommer en ik heb wat, dan schiet ik Francis en haar zoontje dood, wat een vieze hoer. Dus ik moet zo rijden? Zeg dat maar tegen haar. Zeg maar dat ik heel kwaad ben. Dat het me niks uitmaakt, dat ze gaat zien wat ik ga doen, maar dat als ik val met die brommer ik een van haar kinderen doodschiet.’
In datzelfde gesprek dreigt hij herhaaldelijk ook Sonja zelf dood te schieten. Ik breng haar die gecombineerde boodschap over.
‘En?’ vraagt hij.
‘Ze kan die auto niet meer geven. Ze heeft hem al verkocht.’
Dat landt helemaal verkeerd bij hem. Ze doet niet wat hij zegt? Terwijl hij met haar kinderen dreigt? Hij is verbaasd. Hij gaat ervan uit dat Sonja geen risico neemt als het om haar kinderen gaat, en dat ze de auto zal afgeven. Dat is het normale patroon, en dat is hij gewend: zij doet wat hij zegt. En dat zou ook nu zo gegaan zijn, als Sonja en ik niet hadden afgesproken niet toe te geven, juist om zijn reactie te kunnen vastleggen.
‘Aan wie heeft ze het eigenlijk verkocht?’
Ik antwoord hem dat zij dat niet gaat zeggen. ‘Want dan ga jij daar weer voor de deur staan.’
Ik zie hem denken: nog meer ongehoorzaamheid van Sonja? Waar is zij mee bezig?
Ik vertel hem dat ik zijn boodschap over het doodschieten van haar en haar kinderen heb overgebracht, en dat Sonja heeft geantwoord dat het haar allemaal niet meer uitmaakt, omdat ze toch al haar hele leven bang is.
‘Goed.’
Vervolgens vertel ik hem Sonja’s reactie op zijn tweede boodschap. Die boodschap luidde – opnieuw – dat als de eerdere opmerking van Francis ertoe zou leiden dat hij voor de moord op Cor vast kwam te zitten, dat hij Sonja zou meetrekken en justitie zou vertellen dat zij hem de opdracht had gegeven om Cor te laten doen.
‘Waarom denk je dat Cor zo lang heeft geleefd? Ik heb hem altijd gewaarschuwd,’ had Sonja gereageerd.
Dit had hij niet verwacht. Hij is er even stil van. ‘Wat een hoer, hè?’ zegt hij met verbazing in zijn stem.
‘Nee, maar nou snap ik ’m wel. Zij heeft gewoon dubbelspel gespeeld,’ antwoord ik.
Hij kan het niet geloven en stamelt: ‘Nee…’
Ik zie de twijfel in zijn ogen. Hij heeft de dubbelrol van Sonja al die jaren nooit doorzien. Hij is uit zijn evenwicht gebracht, hij wil niet geloven dat Sonja altijd haar eigen geheime agenda heeft gehad, en niet volledig werd geleefd door zijn agenda. Tegelijkertijd weet hij als geen ander dat dat precies is wat dubbelspel inhoudt.
‘Wat een hoer, hè,’ zegt Wim weer.
Ineens ziet hij in dat hij niet altijd de touwtjes in handen heeft gehad, en misschien ook nu niet heeft. Als ze met Cor over hem sprak terwijl hij dat niet wist, met wie praat ze dan nog meer? Hij heeft eerder meegemaakt dat de bedreigingen zijn slachtoffers te veel werden en zij een noodsprong richting justitie maakten. Zou het? Sonja die altijd gezwegen heeft als het graf?
Hij voelt dat hij de controle kwijt is en wil elk risico op dubbelspel door Sonja in de toekomst vermijden. ‘Ik wil je vragen om nog één ding tegen haar te zeggen: nergens meer komen, bij mijn familie… en zeg maar dat zij hetzelfde voor mij is als mijn broertje Gerard.’
Wim en Gerard zien elkaar al jaren niet meer. Wim heeft hem ‘afgeschreven’. Hij vertelt dat het een kwestie van tijd en voldoende geld is voordat hij ook aan hem toekomt, en beeldt het pistool uit.
Sonja heeft hij nu ook ‘afgeschreven’ en ik begrijp wat haar lot is. ‘Zeg maar dat ik er klaar mee ben.’ Wat zoveel betekent als: je moet achterom kijken en vrezen voor je leven.
Het maakt hem onzeker dat hij er zojuist achter is gekomen dat Sonja al die jaren haar eigen positie heeft ingenomen. Het betekent dat zij nu ook misschien wel haar eigen positie durft te bepalen, en hem zal verraden bij de politie.
Zijn gezicht toont een gekwelde blik. Hij stopt, staat stil, buigt zich naar me toe en fluistert in mijn oor: ‘Als ze praat over Cor, dan heeft ze een probleem.’
Het is de enige keer dat ik hem de naam van Cor heb horen noemen. Wat hij nu zegt, verwoordt zijn angst: dat Sonja over Cor gaat praten, omdat hij weet wat zij daarover kan vertellen. Dat hij Cor heeft vermoord.
Ik hoop zo dat mijn afluisterapparatuur dit heeft opgenomen! denk ik terwijl hij verder praat.
Maar ik wil meer dan deze reactie op band. Hij en ik weten precies wat hij bedoelt, maar een ander die de opname zal horen niet. Ik moet voor de luisteraar duidelijker krijgen wat wij hier op onze manier bespreken, waar wij het over hebben. Maar ik wil het zelf niet benoemen, want ik wil niet dat hij later kan zeggen dat ik hem heb uitgelokt en dat zijn verklaring op band niets waard is. Dus als hij zegt over Sonja dat ze een viezerik is, zeg ik alleen maar kort: ‘Om daar nog een keer ellende mee te krijgen.’
Hij en ik weten allebei wat die ‘ellende’ is: alsnog veroordeeld worden voor de liquidatie van Cor.
Dat ene zinnetje van mij was genoeg om hem terug te laten komen op de manier waarop hij omgaat met ‘praters met de politie’: ‘Ik zal je zeggen, Astrid, dan moet ik dat gewoon oplossen, meteen.’
Hij maakte daarbij met zijn rechterhand het gebaar van een pistool. Het is het gebaar dat hem ongrijpbaar maakt voor justitie. Voor het fluisteren heb ik zo goed en zo kwaad als het gaat een oplossing gevonden, door het gebruik van afluisterapparatuur, maar een handgebaar kan ik niet opnemen.
Wat ik ook niet kan opnemen is de betekenis die we aan het gebruik van dat gebaar toekennen. Dus bevestig ik die betekenis met mijn eigen woorden: ‘Nee, dat moet je niet doen, dat kan niet, Wim, daar kan je nooit mee leven.’
Zijn reactie is typerend: ‘Ik wel. Ik kan er niet mee leven als ik het níet doe.’
Ik zoek naar nog meer bevestiging op band en wijs hem op zijn eigenbelang en de risico’s die het opnieuw laten uitvoeren van een liquidatie in justitieel opzicht kunnen hebben.
‘Nee. En weet je wat het is, dan heb je weer een los eindje,’ zeg ik.
‘Maakt me niet uit.’
‘Dat moet je niet doen,’ zeg ik om te laten horen op band dat ik hem op andere gedachten wil brengen.
‘Maakt me niet uit, As.’
Hij zegt niet: ‘Wat bedoel je: los eindje?’ Of: ‘Waar heb jij het nou over?’ Nee, hij antwoordt dat een los eindje hem niets uitmaakt, hij is bereid het risico van een huurmoordenaar – en dus een mogelijke getuige – op de koop toe te nemen. Zijn vastberadenheid maakt me angstig, en ik probeer nog een keer de dreiging op Sonja af te wenden. Als hij zijn zin over die auto krijgt, is hij misschien nog mild te stemmen.
Het blijkt ijdele hoop.
‘Je moet zeggen dat ze ’m niet meer mag geven, het maakt niks meer uit. En zeg ook maar dat ik weet dat ze ’m niet heb verkocht.’
Ik schrik, want die woorden heb ik eerder gehoord. Dat zei hij ook in januari 2004, het jaar dat Willem Endstra werd geliquideerd. Endstra ‘mocht niet meer betalen’. En als je hem niet meer mag betalen, dan weet je dat het definitief te laat is voor je.
De boodschap die hij geeft, begrijp ik luid en duidelijk, maar Wim gaat verder en trekt de parellel met Endstra door. Hij denkt dat Sonja al met de politie praat. ‘Neem van mij aan: mensen die zo doen, die praten met de politie.’
‘Nou, dat lijkt mij heel sterk, Wim, hoe moet zij daar nou terechtkomen? Dat kan niet, dat geloof ik niet.’
Hij zet me stil door voor me te gaan staan, buigt zich naar mijn oor: ‘Maakt mij niet uit, hoor. (fluisterend) Ik heb de opdracht al gegeven.’
‘Oké.’
‘Dat is goed. Als zij dat gaat doen. Doei.’ (Handgebaar pistool)
Ik ging direct naar huis om te luisteren of ik zijn stem, en liefst zijn gefluister, had kunnen opnemen. Ik vroeg Cor me te helpen, zoals ik zo vaak deed. Hij was op de achtergrond aanwezig bij alles wat we deden om Wim voor zijn liquidaties veroordeeld te krijgen, hij gaf ons altijd de kracht om door te gaan door ons een teken te sturen. Noem het bijgeloof, noem ons gek, maar als we in de put zaten en het even niet meer wisten, gebeurde er altijd wel iets waardoor wij wisten dat hij nog bij ons was en alles deed om ons te steunen.
Dan weer was het een roos die in tijden van enorme stress en druk onverklaarbaar op de stoep van Sonja’s huis lag, dan weer een liedje met betekenis, dan weer waaide er een plotselinge windvlaag door de kamer of gingen de lichten aan en uit. Wij waren er daardoor van overtuigd dat hij er nog steeds was.
Nu had ik hem weer hard nodig.
‘Laat het gelukt zijn, laat het alsjeblieft gelukt zijn.’ Ja! Het was gelukt! Ik hoorde hem zelfs de naam van Cor zeggen. Eindelijk noemde hij eens een naam. Het is zeldzaam, maar wat een geschenk dat hij dat net in dit gesprek deed. Ik was blij met het resultaat: zou dit eindelijk voldoende zijn voor een veroordeling voor de moord op Cor?
Ik was blij met de opname, maar tegelijkertijd zeer bezorgd over de inhoud. Hij had de opdracht voor Sonja al gegeven: ‘Als zij dat gaat doen. Doei.’
De manier waarop hij voor me ging staan, de blik in zijn ogen, de kilheid in zijn stem, het fluisteren.
Ik moest onmiddellijk naar haar toe.
Ik zocht in huis naar een plek waar ik deze voor mij zo belangrijke opname kon bewaren, zonder dat iemand hem kon vinden. Deze opname was goud waard, maar ook duidelijk een opname waaruit zou blijken dat ik bezig was hem veroordeeld te krijgen. Ik moest er erg voorzichtig mee zijn.
Ik koos ervoor de opname mee te nemen naar Sonja, om haar te laten horen wat hij gezegd had.
‘Ben je thuis?’ sms’te ik haar.
‘Ja.’
‘Dan kom ik er nu aan.’
‘Zusje, je moet de komende tijd goed opletten. Hij heeft gezegd dat hij de opdracht voor jou al heeft gegeven, voor het geval je met de politie gaat praten.’
‘Dat meen je niet,’ zei Sonja, ‘echt waar? Waarom dan?’
‘Hij is bang dat je met de politie gaat praten.’
‘Weet hij het?’ vroeg ze geschrokken.
‘Nee, dat denk ik niet, maar hij is er gewoon bang voor, vandaar dat hij de druk bij jou zo opvoert. Hij legt een verband tussen het praten met de politie en de afpersing van de filmrechten, of hij doet dat expres om mij zand in de ogen te strooien, en weet hij wel dat we al hebben gepraat.’
‘Nee, dan zou hij er niets over zeggen tegen jou,’ zei Sonja. ‘En nu? Wat moet ik nu doen?’ vroeg ze met lichte paniek in haar stem.
‘Hij moet vooral niet de indruk krijgen dat je met de politie praat. Maar je weet hoe hij is: als hij het denkt, heeft hij in zijn hoofd de bevestiging zo gevonden.’
‘Wat moet ik doen?’
‘Zo normaal mogelijk blijven doen, want als je je nu ineens anders gaat gedragen, dan vindt hij daarin de bevestiging dat je met de politie praat.’
‘As, ik kan er allemaal niet meer tegen,’ huilde ze zachtjes.
‘Ik weet het, maar eens zal het toch goed komen. Ik heb namelijk ook goed nieuws,’ probeerde ik zo opgewekt mogelijk te klinken.
‘Wat dan?’
‘Ik heb alles op band staan,’ zei ik, ‘dus als er iets met je gebeurt, zusje, kan ik ze laten horen dat hij de opdracht heeft gegeven.’ Een grapje, om de ernst van de situatie enigszins te doorbreken.
‘Nou, dat is dan tenminste nog iets,’ zei ze gelaten.