Helen
Helen
Helen had geen idee waarom Erin Morgan door Patricks huis liep alsof ze daar thuishoorde, maar ze maakte zich nu meer zorgen over het bloed op de vloer. Patrick hield van een schoon huis. Ze haalde een doekje uit de keuken en dweilde het op, maar ze maakte het er alleen maar erger op doordat de diepe snee in haar hand heviger ging bloeden.
‘Ik was uien aan het snipperen,’ legde ze uit aan de rechercheur. ‘U deed me schrikken.’
Dat was niet helemaal waar, want ze was met het snipperen opgehouden toen ze de auto had zien aankomen. Ze was stokstijf met het mesje in haar handen blijven staan toen Erin op de deur klopte, en had toegekeken hoe ze naar Patricks huis liep. Ze wist dat hij er niet was, dus nam ze aan dat de brigadier weer weg zou gaan. Maar toen schoot haar te binnen dat ze die ochtend de deur niet had afgesloten. Dus was ze met het mesje in de hand het erf overgestoken om poolshoogte te nemen.
‘Het is een diepe wond,’ zei Erin. ‘Die moet grondig worden ontsmet en daarna goed worden verbonden.’ Erin was de trap af gelopen en stond nu over Helen heen gebogen terwijl die de vloer dweilde. Ze stond daar in Patricks woning alsof ze er alle recht toe had.
‘Hij wordt laaiend als hij dit ziet,’ zei Helen. ‘Hij houdt van een schoon huis. Dat heeft hij altijd al gehad.’
‘En u... doet de huishouding voor hem?’
Helen wierp Erin een felle blik toe. ‘Ik help hem een handje. Hij doet het meeste zelf, maar hij is ook de jongste niet meer. En hij wil het nu eenmaal graag schoon hebben. Wijlen zijn vrouw,’ zei ze, terwijl ze Erin aankeek, ‘was een “verschrikkelijke slons”. Dat zijn zijn woorden. Een ouderwets woord. Sloddervos vindt hij waarschijnlijk een te aardige benaming.’
Ze stond op, keek Erin aan, en drukte het bebloede doekje tegen zich aan. De wond voelde warm en fel, bijna als een brandwond, met hetzelfde dichtschroeiende effect. Ze wist niet meer voor wie ze bang moest zijn, of waar ze zich nou schuldig over moest voelen, maar ze had wel het gevoel dat ze Erin hier moest houden, dat ze erachter moest zien te komen waar de brigadier naar op zoek was. Ze wilde haar een tijdje ophouden, hopelijk totdat Patrick thuiskwam, want ze was ervan overtuigd dat hij met Erin zou willen praten.
Helen veegde het heft af aan het doekje. ‘Wilt u een kopje thee, brigadier?’ vroeg ze.
‘Heerlijk,’ antwoordde Erin, maar haar vrolijke glimlach verdween al snel toen ze zag dat Helen de voordeur op slot deed en de sleutel in haar zak stak voordat ze doorliep naar de keuken.
‘Mevrouw Townsend...’ begon Erin.
‘Suiker erin?’ onderbrak Helen haar.
In dit soort situaties moest je de ander van zijn stuk brengen. Dat wist Helen na jarenlange ervaring op school. Je moest onverwachte dingen doen, want dan wisten mensen niet waar ze aan toe waren, en dat gaf je wat meer tijd. Dus in plaats van boos, wóédend, te zijn dat deze vrouw zonder toestemming hun huis was binnengegaan, bleef Helen uiterst beleefd.
‘Hebt u hem al opgepakt?’ vroeg ze, toen ze Erin een mok thee overhandigde. ‘Mark Henderson. Is hij al terecht?’
‘Nee,’ antwoordde Erin, ‘nog niet.’
‘Zijn auto stond op het klif en hij is nergens te bekennen...’ Ze zuchtte. ‘Zelfmoord kan een schuldbekentenis zijn, toch? Het lijkt er wel op. Wat een ellende.’ Erin knikte. Ze was zenuwachtig, dat kon Helen zien. Ze bleef blikken werpen op de deur en zocht iets in haar zak. ‘Voor de reputatie van de school is het een ramp. De reputatie van het hele dorp, trouwens, wederom bezoedeld...’
‘Had u daarom een hekel aan Nel Abbott?’ vroeg Erin. ‘Omdat ze de reputatie van Beckford bezoedelde door haar werk?’
Helen fronste haar wenkbrauwen. ‘Nou ja, het telt wel mee. Ze was een slechte moeder, zoals ik u al vertelde, ze had totaal geen respect voor mij noch voor de regels van de school.’
‘Was ze een slet?’ vroeg Erin.
Helen lachte verbaasd. ‘Pardon?’
‘Ik vroeg me gewoon af of u vond dat Nel Abbott een slet was. Ik heb vernomen dat ze met heel wat mannen hier in het stadje iets heeft gehad...’
‘Daar weet ik niets van,’ antwoordde Helen, maar ze had een rood hoofd gekregen en had het gevoel dat ze de touwtjes niet meer in handen had. Ze stond op, liep naar het aanrecht en pakte het aardappelschilmesje. Ze waste het bloed van het lemmet.
‘Ik weet helemaal niets van Nels leven af,’ zei ze rustig. Ze voelde dat de brigadier naar haar keek, naar haar gezicht, haar handen. Ze voelde hoe de blos omhoogkroop naar haar nek, haar borst; haar lichaam verraadde haar. Ze zei zo luchtig mogelijk: ‘Hoewel het me helemaal niet zou verbazen als ze inderdaad losbandig was. Ze was dol op aandacht.’
Ze had geen zin meer in dit gesprek. Ze wilde dat de rechercheur hun huis zou verlaten, ze wilde dat Sean er was en Patrick. Ze had de neiging om alles op tafel te leggen, om haar eigen zonden op te biechten en te eisen dat zij dat ook zouden doen. Zeker, er waren fouten gemaakt, maar de familie Townsend bestond uit goede mensen. Ze hoefden nergens bang voor te zijn. Ze wendde zich tot de brigadier, met haar kin in de lucht en een zo arrogant mogelijke uitdrukking op haar gezicht, maar haar handen beefden zo erg dat ze bang was dat ze het mesje zou laten vallen. Maar ze hoefde toch nergens bang voor te zijn?