Dinsdag 25 augustus
Erin
Ik ging al vroeg mijn rondje rennen langs de rivier. Ik wilde uit Beckford weg, om mijn hoofd helder te krijgen, maar hoewel de lucht door de regen schoon was gespoeld en de hemel strakblauw was, nam de mist in mijn hoofd steeds meer toe, werd hij steeds troebeler. Ik begreep er niets meer van.
Tegen de tijd dat Sean en ik Jules en Lena gisteren in Mill House achterlieten, was ik helemaal over mijn toeren en was ik zo kwaad op hem dat ik hem er in de auto mee confronteerde. ‘Wat had jij met Nel Abbott?’
Hij trapte zo hard op de rem dat ik dacht door de voorruit te zullen vliegen. We stonden midden op de weg stil, maar dat scheen Sean niet te deren. ‘Wat zei je daar?’
‘Zou je de auto misschien aan de kant willen zetten?’ vroeg ik, met een blik in de achteruitkijkspiegel, maar hij liet de auto staan waar hij stond. Ik voelde me vreselijk opgelaten omdat ik het er zomaar uit had geflapt, zonder enige inleiding, zonder eerst een hengeltje uit te gooien.
‘Trek jij mijn integriteit in twijfel?’ Ik had hem nog nooit zo zien kijken, zo kil. ‘Nou?’
‘Er werd gesuggereerd,’ zei ik, rustig pratend, ‘gehint op...’
‘Gehínt!’ zei hij ongelovig. Er toeterde een auto achter ons en Sean zette zijn voet weer op het gaspedaal. ‘O, dus iemand heeft gehint, hè? En het leek jou wel een goed idee om mij vervolgens op het matje te roepen.’
‘Sean, ik...’
We waren bij de parkeerplaats van de kerk aangekomen. Hij zette de auto aan de kant, boog zich voor me langs en maakte het portier open. ‘Heb je mijn staat van dienst gezien, Erin?’ vroeg hij. ‘Want ik heb die van jou namelijk wel gezien.’
‘Ik wilde je niet beledigen, chef, maar...’
‘Eruit.’
Ik had nog maar net het portier dichtgeslagen of hij trok al op.
Tegen de tijd dat ik de heuvel op was geklommen, kreeg ik bijna geen lucht meer; ik bleef even op de top staan om op adem te komen. Het was nog vroeg – nog geen zeven uur – en de hele vallei was van mij. Vredig en perfect, helemaal van mij. Ik strekte mijn benen en bereidde mezelf voor op de afdaling. Ik moest rennen, vliegen, mezelf uitputten. Want alleen op die manier kon je toch helder worden?
Sean had gereageerd alsof hij schuldig was. Of beledigd. Een man die dacht dat zijn integriteit in twijfel werd getrokken terwijl daar geen bewijs voor was. Ik ging sneller lopen. Die hatelijke opmerking over zijn staat van dienst was wel terecht. De zijne was voortreffelijk, terwijl ik bijna was ontslagen omdat ik het bed met een jongere collega had gedeeld. Ik rende nu in volle vaart heuvelafwaarts, met mijn blik op het pad gericht en de struiken aan mijn linker- en rechterkant in één groot waas. Hij heeft een indrukwekkend aantal arrestaties verricht, zijn collega’s kijken tegen hem op. Hij is, zoals Louise al zei, een goed mens. Ik struikelde over een steen en viel. Ik lag op het pad, hijgend als een paard. Sean Townsend is een goed mens.
Er zijn heel wat goede mensen. Mijn vader was een goed mens. Hij stond hoog aangeschreven als politieman. Toch sloeg hij mijn broers en mij altijd tot pulp als hij in woede ontstak, maar toch. Toen mijn moeder zich een keer beklaagde bij een van zijn collega’s nadat hij de neus van mijn jongste broer had gebroken, had die gezegd: ‘Sorry, hij is mijn collega. Er is niets wat ik voor je kan doen.’
Ik stond op en klopte het stof van mijn kleren. Ik kon mijn mond houden. Ik kon Louises hints en aantijgingen naast me neerleggen, ik kon Seans mogelijke intieme relatie met Nel Abbott negeren. Maar als ik dat deed, zou ik het feit negeren dat zodra er seks bij betrokken is, er ook een motief is. Hij had een motief om zich van Nel te ontdoen, net als zijn vrouw, trouwens. Ik zag Helens gezicht weer voor me toen ik haar op school had gesproken, de manier waarop ze het over Nel en over Lena had gehad. Wat verachtte ze zo erg? Haar ‘hardnekkige, irritante uitdrukking van seksuele beschikbaarheid’?
Ik was onder aan de heuvel aangekomen en rende om de brem heen; het huisje lag een paar honderd meter verderop en ik zag iemand buiten staan. Een gezette figuur met een kromme rug in een donkere jas. Het was niet Patrick en ook niet Sean. Ik kwam dichterbij en zag dat het de oude goth was, de helderziende, de knotsgekke Nickie Sage.
Ze stond met een paars aangelopen hoofd tegen de muur van het huisje geleund. Ze zag eruit alsof ze elk moment een hartaanval kon krijgen.
‘Mevrouw Sage!’ riep ik. ‘Gaat het wel goed met u?’
Ze keek me zwaar ademend aan en schoof haar slappe fluwelen hoed een stukje naar boven. ‘Ja hoor,’ zei ze, ‘al is het een tijd geleden dat ik zo’n eind heb gelopen.’ Ze nam me van top tot teen op. ‘Zo te zien heb jij in de modder zitten spelen.’
‘Ach ja,’ zei ik, en ik veegde nog wat vuil van me af. ‘Ik ben gevallen.’
Ze knikte. Ze richtte zich op, onderwijl piepend ademhalend.
‘Wilt u even binnenkomen?’ vroeg ik.
‘Hier?’ Ze knikte naar het huisje. ‘Nee, bedankt.’ Ze liep een eindje bij de voordeur vandaan. ‘Weet je dan niet wat hier is gebeurd? Weet je dan niet wat Anne Ward heeft gedaan?’
‘Ze heeft haar man vermoord,’ antwoordde ik. ‘En toen heeft ze zichzelf daar in de rivier verdronken.’
Nickie haalde haar schouders op en waggelde naar de oever. Ik liep achter haar aan. ‘Het was eerder duiveluitdrijving dan moord, als je het mij vraagt. Ze wilde de kwade geest verdrijven die haar man had bezeten. Hij verliet inderdaad die man, maar niet het huis. Kun je wel goed slapen daar?’
‘Nou, ik...’
‘Dat verbaast me niets. Totaal niet. Ik had je dat al kunnen vertellen, maar je had toch niet geluisterd. Dit huis is doordrenkt van het kwaad. Waarom denk je dat Townsend het houdt, ervoor zorgt alsof het een speciale plek voor hem is?’
‘Ik zou het niet weten,’ antwoordde ik. ‘Ik dacht dat hij het gebruikte voor als hij gaat vissen.’
‘Vissen!’ riep ze uit, alsof ze nog nooit zoiets belachelijks had gehoord. ‘Vissen!’
‘Nou, ik heb hem hier anders wel zien vissen, dus...’
Nickie snoof en wapperde laatdunkend met haar hand. We stonden op de wal. Nickie wurmde haar opgezwollen, verkleurde voeten uit haar instappers. Ze stak een teen in het water en gniffelde voldaan. ‘Het water is hier knap koud, hè? En zo schoon.’ Ze waadde tot aan haar enkels in de rivier en vroeg: ‘Ben je bij hem langs geweest? Bij Townsend? Heb je hem naar zijn vrouw gevraagd?’
‘Helen bedoelt u?’
Ze keek me vol minachting aan. ‘Seans vrouw? Die Helen, met dat gezicht als een oorwurm? Wat heeft zij er nou mee te maken? Die is zo saai als maar zijn kan. Nee, de vrouw die jij moet nagaan is Patricks vrouw Lauren.’
‘Lauren? Die dertig jaar geleden is overleden?’
‘Ja, Lauren die dertig jaar geleden is overleden! Of denk je soms dat de doden er niet toe doen? Denk je soms dat de doden niet praten? Je moest eens horen wat ze allemaal te vertellen hebben.’ Ze schuifelde een stukje verder de rivier in, bukte en stak haar handen in het water. ‘Hier is het, hier kwam Annie haar handen wassen, op deze manier, alleen liep ze daarna door...’
Ik had er genoeg van. ‘Ik moet ervandoor, mevrouw Sage, ik ga douchen en dan aan het werk. Leuk met u gesproken te hebben,’ zei ik, en ik draaide me om. Ik was halverwege het huisje toen ik haar hoorde roepen.
‘Denk je soms dat de doden niet praten? Je zou eens moeten luisteren, dan hoor je misschien wat. Je moet achter Lauren aan, zij is degene bij wie het is begonnen!’
Ik liet haar roepen. Ik was van plan om al vroeg naar Sean toe te gaan; ik dacht dat als ik hem thuis op kwam halen en hem naar het bureau zou rijden, ik ten minste een kwartier ongestoord met hem zou kunnen praten. Hij zou niet weg kunnen lopen en me ook niet uit de auto kunnen gooien. Op het bureau wilde ik niet met hem in gesprek, want de muren hadden daar oren.
Het is maar een kippeneind van het huisje naar Townsends woning. Zou je de rivier kunnen volgen, dan is het waarschijnlijk maar een kilometer of vier, vijf, maar daar ligt geen weg, dus moet je eerst naar het centrum van het stadje en vervolgens weer terugdraaien, dus het was al na achten tegen de tijd dat ik er aankwam. Ik was te laat. Er stonden geen auto’s meer op het erf, hij was al weg. Ik kon maar beter omkeren en naar het bureau rijden, maar ik hoorde Nickie nog in mijn achterhoofd en Louise ook, en wilde eens kijken of Helen er toevallig was.
Ze was er niet. Ik klopte een paar keer op de deur, maar niemand kwam opendoen. Ik liep al terug naar mijn auto, maar toen bedacht ik dat ik net zo goed even bij Patrick Townsends huis kon aankloppen. Daar werd evenmin opengedaan. Ik tuurde door het raam naar binnen, maar kon niet veel zien, het was te donker in de kamer. Ik liep terug naar de voordeur en klopte opnieuw aan. Weer geen reactie. Maar toen ik de deurknop vastgreep, zwaaide de deur open, en dat beschouwde ik als een uitnodiging om naar binnen te gaan.
‘Hallo?’ riep ik. ‘Meneer Townsend? Hallo?’ Er werd niet gereageerd. Ik liep naar de zitkamer, een sober ingerichte ruimte met een houten vloer en kale muren; er stond alleen een aantal foto’s op de schoorsteenmantel. Patrick Townsend in uniform – eerst het leger, daarna de politie – en wat foto’s van Sean als kind en tiener, stijfjes glimlachend naar de camera, met op elke foto dezelfde houding en dezelfde uitdrukking op zijn gezicht. Er was ook een foto van Sean en Helen op hun trouwdag, voor de kerk in Beckford. Sean zag er jong, knap en ongelukkig uit. Helen zag er niet veel anders uit dan ze nu is, alleen misschien iets magerder. Zij zag er wel gelukkig uit en glimlachte verlegen naar de camera, ondanks haar spuuglelijke jurk.
Op een houten dressoir voor het raam stonden nog meer lijstjes, maar hierin zaten diploma’s, eerbetuigingen en certificaten; een galerij ter ere van wat vader en zoon hadden bereikt. Ik zag nergens foto’s van Seans moeder.
Ik verliet de zitkamer en riep weer: ‘Meneer Townsend?’ Mijn stem weergalmde in de gang. Het huis leek verlaten, maar was toch brandschoon, er lag zelfs geen stof op de plinten en de trapleuning. Ik ging naar boven, waar twee slaapkamers naast elkaar lagen die al even spaarzaam waren ingericht als de zitkamer, maar die wel werden gebruikt. Allebei, zo te zien. In de hoofdslaapkamer, waar een groot raam uitzicht bood op de vallei en de rivier, bevonden zich spullen van Patrick: gepoetste zwarte schoenen tegen de muur, zijn pakken in de kledingkast. In de andere kamer stond een stoel naast een keurig opgemaakt eenpersoonsbed, waar het jasje van een mantelpakje overheen hing, dat ik herkende omdat Helen het aan had gehad toen ik haar had gesproken op school. In de kast hingen nog meer kleren van haar, zwart en grijs en donkerblauw en vormloos.
Mijn mobiel piepte oorverdovend hard in de diepe stilte die in dat huis heerste. Het was een voicemail; ik had een telefoontje gemist. Het was van Jules. ‘Ik moet met je praten,’ had ze op zakelijke toon ingesproken. ‘Het is erg dringend. Ik kom langs voor een gesprek. Ik... eh... Ik wil je graag onder vier ogen spreken. Ik zie je straks op het politiebureau.’
Ik stak de telefoon in mijn zak. Ik liep terug naar Patricks kamer en keek nog een keer snel rond, naar de boeken in de boekenkast, in de la van het nachtkastje. Daar lagen foto’s in, oude, van Sean en Helen, die bij het huisje in de rivier aan het vissen waren. Sean en Helen die trots bij een nieuwe auto stonden, Helen voor de school, met een blije en verlegen uitdrukking op haar gezicht. Helen op het erf met een kat in haar armen. Helen, Helen, Helen.
Ik hoorde een klik, een grendel die werd opgetild en toen het gekraak van de houten vloer. Ik legde de foto’s snel terug, deed de la dicht, en liep zo stilletjes mogelijk de overloop op. Daar bleef ik als aan de grond genageld staan. Helen stond onder aan de trap en keek me recht in de ogen. Ze had een aardappelschilmesje in haar linkerhand en hield het lemmet zo stevig vast dat er bloed op de grond sijpelde.