Woensdag 19 augustus
Erin
Baardmans had binnen vijf minuten de e-mail met de factuur voor de afslankpillen in Nel Abbotts spamfolder gevonden. Voor zover hij kon zien had ze de pillen één keer gekocht, tenzij ze natuurlijk nog een ander e-mailadres had dat niet langer in gebruik was.
‘Gek, hè?’ zei een van de agenten in uniform, een wat oudere figuur van wie ik de moeite niet had genomen de naam te onthouden. ‘Ze was al zo mager. Die had ze toch echt niet nodig. Haar zus was de dikkerd.’
‘Jules?’ vroeg ik. ‘Die is helemaal niet dik.’
‘Nee, nu niet meer, maar dan had je haar vroeger moeten zien.’ Hij moest lachen. ‘Ze was echt een vet varken.’
Wat een kutopmerking.
Nadat Sean me over de pillen had ingelicht, was ik Katie Whittakers gangen nagegaan. Het was allemaal duidelijk zat, hoewel de reden nog steeds onbekend was, maar dat was vaak genoeg het geval. Haar ouders hadden niet doorgehad dat er iets mis was. De leerkrachten zeiden dat ze misschien een beetje afgeleid was, wellicht ook wat afstandelijker dan anders, maar dat er geen alarmerende dingen waren. In haar bloed werd niets aangetroffen. Ze had nooit aan automutilatie gedaan.
Het enige – en zoveel stelde het nu ook weer niet voor – was dat ze naar verluidt ruzie had met haar hartsvriendin Lena. Een paar schoolvriendinnen verklaarden dat Lena en Katie ergens onenigheid over hadden. Louise, Katies moeder, had aangegeven dat ze elkaar wat minder vaak zagen, maar dat ze niet dacht dat er ruzie was. Als dat wel het geval was geweest, zei ze, had Katie dat wel gezegd. Ze hadden vroeger, zoals het tienermeisjes betaamt, weleens gekibbeld, maar Katie had dat altijd aan haar moeder verteld. En ze hadden het altijd weer goedgemaakt. Lena had een keer, na een behoorlijke ruzie, zoveel spijt gehad dat ze Katie een kettinkje cadeau had gegeven.
Haar schoolvriendinnen – Tanya nog wat en Ellie huppeldepup – beweerden echter dat er iets ergs aan de hand was geweest, hoewel ze niet wisten wat het was. Een maand of wat voordat Katie stierf hadden Lena en zij een ‘megaruzie’ gehad, zoals ze dat noemden, die was uitgemond in een handgemeen waarbij een leraar tussenbeide moest komen. Lena ontkende dat in alle toonaarden en zei dat Tanya en Ellie haar niet mochten en haar zo problemen wilden bezorgen. Louise had in elk geval niet van de ruzie geweten en de leraar die erbij betrokken was geweest – Mark Henderson – gaf aan dat het niet echt een ruzie was geweest. Ze hadden gedaan alsof, zei hij. Het was voor de lol. Ze waren erg luidruchtig geweest en hij had gezegd dat het wel wat minder kon. Meer niet.
Ik had er vluchtig over gelezen toen ik Katies dossier doornam, maar ik bleef erop terugkomen. Er klopte iets niet. Doen meisjes alsof ze ruzie hebben? Van jongens zou ik het eerder verwachten. Misschien ben ik toch seksistischer dan ik dacht. Maar ik had net de foto’s van de meiden bekeken – geposeerd, knap, Katie om door een ringetje te halen – en op mij kwamen ze niet over als meisjes die een ruzie speelden.
Toen ik de auto voor Mill House parkeerde, hoorde ik iets en ik keek naar boven. Lena hing uit een van de bovenramen te roken.
‘Hoi Lena,’ riep ik. Ze zei niets, maar gooide doelbewust de peuk in mijn richting. Toen trok ze met een klap het raam dicht. Ik geloof er geen bal van dat die twee net deden alsof ze ruzie hadden: als Lena ruzie heeft, dan is dat ook echt zo.
Jules liet me binnen en wierp zenuwachtig een blik over mijn schouder.
‘Gaat het een beetje?’ vroeg ik. Ze zag er niet uit: afgepeigerd, grauw, wazige ogen, ongewassen haar.
‘Ik doe geen oog meer dicht,’ zei ze zacht. ‘Ik kan de slaap maar niet vatten.’
Ze slofte naar de keuken, zette de waterkoker aan en liet zich op een stoel zakken. Ze deed me denken aan mijn zus, die drie weken nadat ze was bevallen van een tweeling amper genoeg kracht had gehad om haar hoofd recht te houden.
‘Misschien moet je de dokter om slaappillen vragen,’ stelde ik voor, maar ze schudde haar hoofd.
‘Ik wil niet al te diep slapen,’ zei ze met grote ogen als een bezetene. ‘Ik moet alert blijven.’
Ik had comapatiënten gezien die alerter waren dan zij, maar ik zei maar niets.
‘Die Robbie Cannon over wie je het had,’ begon ik. Ze bewoog nerveus en beet op haar nagel. ‘We zijn hem eens nagegaan. Je had gelijk, hij is gewelddadig, zo is hij bijvoorbeeld een paar keer veroordeeld wegens huiselijk geweld. Maar met de dood van je zus had hij niets van doen. Ik ben naar Gateshead geweest, daar woont hij, en heb een babbeltje met hem gemaakt. Hij was bij zijn zoon in Manchester op bezoek toen Nel stierf. Hij zegt dat hij haar in geen jaren had gezien, maar hij had over haar dood gelezen in het plaatselijke krantje en vond dat hij afscheid moest komen nemen. Hij vond het behoorlijk raar dat we hem natrokken.’
‘Heeft hij...’ fluisterde ze, ‘heeft hij het nog over mij gehad? Of over Lena?’
‘Nee. Waarom wil je dat weten? Is hij hier geweest?’ Ze had inderdaad wel heel voorzichtig de voordeur opengedaan, én meteen gecontroleerd of er niemand achter me stond.
‘Nee, dat denk ik niet. Geen idee.’
Ik kreeg verder niets meer uit haar. Ze was duidelijk bang voor hem, maar ze was niet van plan om te vertellen waarom. Daar was ik niet blij mee, maar ik liet het maar zo, omdat ik het over iets anders wilde hebben, iets wat zeer gevoelig lag.
‘Ik vind het heel vervelend,’ zei ik, ‘maar helaas moeten we het huis nogmaals doorzoeken.’
Ze keek me vol afschuw aan. ‘Waarom? Hebben jullie nieuws? Wat dan?’
Ik vertelde haar over de pillen.
‘O, god.’ Ze kneep haar ogen dicht en liet haar hoofd hangen. Het kon zijn dat de vermoeidheid haar reactie afstompte, maar erg geschrokken kwam ze niet over.
‘Nel heeft ze vorig jaar op 18 november op een Amerikaanse site gekocht. We hebben geen aanwijzingen dat ze ze nog een keer heeft besteld, maar we moeten zeker weten...’
‘Ja, oké,’ zei ze. ‘Uiteraard.’ Ze wreef met haar vingertoppen in haar ogen.
‘Er komen vanmiddag een paar agenten langs, goed?’
Ze haalde haar schouders op. ‘Als het moet, maar ik... Wanneer had ze ze besteld, zei je?’
‘Op 18 november,’ zei ik, na het gecontroleerd te hebben. ‘Hoezo?’
‘Nou... dat is de sterfdag van onze moeder. Dat is wel erg... Ach, nou ja.’ Ze fronste haar wenkbrauwen. ‘Ik vind het een beetje vreemd, want Nel belde me normaal gesproken op die datum, maar verleden jaar gek genoeg niet. Achteraf bleek dat ze in het ziekenhuis lag vanwege een acute blindedarmontsteking. Ik vind het heel vreemd dat ze dus afslankpillen bestelde terwijl ze in het ziekenhuis lag. Weet je zeker dat het de 18e was?’
Eenmaal op het bureau vroeg ik het na bij Baardmans. De datum klopte.
‘Misschien heeft ze ze met haar smartphone besteld,’ opperde Callie. ‘Je verveelt je dood in een ziekenhuis.’
Maar Baardmans schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik heb het ip-adres gecontroleerd en degene die de pillen bestelde, heeft dat ’s middags om zeventien minuten over vier gedaan, vanaf een pc die gebruikmaakte van de internetverbinding in Mill House. Dus het moet in of rond het huis zijn gebeurd. Weet je hoe laat ze het ziekenhuis in ging?’
Dat wist ik niet, maar daar kwam ik snel genoeg achter. Nel Abbott werd op 18 november vroeg in de ochtend opgenomen met een acute blindedarmontsteking, zoals haar zus me had verteld. Ze lag die dag in het ziekenhuis en had er ook overnacht.
Nel had de pillen niet kunnen kopen. Iemand anders had dat gedaan, met haar creditcard, in haar huis.
‘Lena,’ zei ik tegen Sean. ‘Het moet Lena zijn geweest.’
Hij knikte grimmig. ‘We moeten met haar praten.’
‘Nu meteen?’ vroeg ik en hij knikte weer.
‘Van uitstel komt afstel,’ legde hij uit. ‘En dat terwijl het kind net haar moeder is verloren. God, wat een ellende.’
En het werd nog veel erger. We liepen het kantoor uit toen Callie ons opgewonden achterna kwam.
‘De vingerafdrukken!’ zei ze buiten adem. ‘We hebben een match. Nou ja, niet echt een match, want ze zijn van niemand die zich heeft gemeld, maar...’
‘Maar wat?’ vroeg de inspecteur ongeduldig.
‘Een of andere slimmerik heeft gekeken of de vingerafdruk op het pillenpotje en die op de videocamera overeenkwamen, die camera die kapot was, weten jullie wel?’
‘Ja, dat weten we nog wel,’ antwoordde Sean.
‘Oké, nou, en die komen inderdaad overeen. En nee, de afdruk is niet van Nel Abbott en ook niet van Katie Whittaker. Iemand anders heeft zowel het potje als de camera in handen gehad.’
‘Louise,’ zei Sean. ‘Dat kan bijna niet anders. Louise Whittaker.’