Maandag 24 augustus
Mark
Het was al laat toen hij thuiskwam, even na twee uur ’s nachts. Zijn vlucht vanuit Málaga had vertraging opgelopen en toen was hij zijn parkeerticket kwijt geweest en had het hem maar liefst drie kwartier gekost voordat hij zijn auto had gevonden.
Nu wenste hij dat het nog langer had geduurd, dat hij de auto nooit had gevonden, dat hij in een hotel had moeten overnachten. Hij had dan nog één avond respijt gehad. Want toen het, in het donker, tot hem doordrong dat de ramen in zijn huis allemaal kapot waren gegooid, wist hij dat hij die avond en geen enkele andere avond nog een oog dicht zou doen. De rust was voorbij, zijn gemoedsrust verstoord. Hij was verraden.
Hij wenste ook dat hij killer, harder was geweest, dat hij zijn verloofde aan het lijntje had gehouden. Als ze hem dan waren komen halen, had hij kunnen zeggen: ‘Ik? Ik ben net terug uit Spanje. Vier dagen in Andalusië, samen met mijn vriendin. Mijn aantrekkelijke, professionele, volwássen vriendin.’
Maar het had niet echt uitgemaakt, toch? Wat hij ook zei, wat hij ook deed, hoe hij zijn leven ook leidde, ze zouden hem aan het kruis nagelen. Het zou de kranten niet kunnen schelen, de politie, de school en de gemeenschap niet, dat hij helemaal geen viezerik was die voortdurend achter meisjes aan zat die half zo oud waren als hij. Het deed er niet toe dat hij verliefd op haar was geworden en dat zij verliefd was geworden op hem. Men zou het feit dat ze dezelfde gevoelens voor elkaar koesterden buiten beschouwing laten. Katies volwassenheid, haar oprechtheid, haar intelligentie, haar kéúze; dat zou er allemaal niet toe doen. Ze zouden alleen maar naar zijn leeftijd kijken, negenentwintig, en de hare, vijftien, en ze zouden hem tot de grond toe afbranden.
Hij stond op het gras naar de dichtgetimmerde ramen te kijken en snikte het uit. Als er nog een ruit heel was geweest, had hij hem ter plekke ingegooid. Hij stond haar daar op het gras te vervloeken, de dag te vervloeken dat hij haar had ontmoet, stukken mooier dan die domme, arrogante vriendinnen van haar. Hij vervloekte de dag dat ze langzaam naar zijn bureau was komen lopen, licht wiegend met de heupen en een glimlach om haar mond, en had gevraagd: ‘Mag ik u iets vragen, meneer Henderson?’ Ze had zich naar hem toe gebogen, zo dichtbij dat hij haar schone, ongeparfumeerde huid kon ruiken. Hij schrok, werd boos, dacht dat ze een spelletje met hem speelde. Dat ze hem plaagde. Zij was degene die ermee was begonnen. En waarom moest hij dan, als enige, de gevolgen ervan dragen? Hij stond op het gras, de tranen in zijn ogen, de paniek die hem bij de keel greep, en hij haatte Katie en hij haatte zichzelf, en hij haatte de doffe ellende waar hij nu in zat en waar hij geen uitweg uit zag.
Wat kon hij doen? Naar binnen gaan, de rest van zijn spullen pakken en weggaan? Vluchten? Hij kon niet meer helder denken: waarnaartoe dan en hoe? Hielden ze hem al in de gaten? Vast wel. Als hij geld opnam, zouden ze dat dan te weten komen? Als hij weer het land wilde verlaten, zouden ze hem dan oppakken? Hij zag al voor zich dat de douanebeambte een blik op zijn foto wierp en de telefoon pakte, waarna mensen in uniform hem uit een rij vakantiegangers zouden plukken, die allemaal nieuwsgierig toekeken. Zouden ze weten, als ze hem zo zagen, wat hij had gedaan? Geen drugsdealer, geen terrorist, nee, hij was vast iets anders. Iets ergers. Hij keek naar het huis, naar de dichtgetimmerde ramen, en stelde zich voor dat ze al binnen waren, dat ze op hem wachtten, dat ze zijn spullen hadden doorzocht, zijn boeken, zijn papieren, dat ze het hele huis ondersteboven hadden gehaald op zoek naar bewijs van wat hij had gedaan.
En ze zouden niets hebben gevonden. Hij voelde een sprankje hoop. Er was helemaal niets. Geen liefdesbrieven, geen foto’s op zijn laptop, totaal geen bewijs dat ze ooit in zijn huis was geweest (de lakens waren allang weggegooid, het hele huis was schoongemaakt, gedesinfecteerd, schoongeboend, totdat er geen spoor meer van haar te vinden was). Welk bewijs konden ze hebben, op de fantasie van een wraakzuchtige tiener na? Een tienermeisje dat haar best had gedaan om in een goed blaadje bij hem te komen en keihard op haar bek was gegaan. Niemand wist het, niet echt, wat er tussen Katie en hem had gespeeld, en niemand hoefde het ook te weten. Nel Abbott was gecremeerd en het woord van haar dochter stelde niets voor.
Hij klemde zijn kaken op elkaar en haalde zijn sleutels uit zijn zak, liep om het huis heen naar de achterdeur en deed die van het slot.
Ze viel hem aan voordat hij de kans kreeg om het licht aan te doen; een grote gapende muil, een en al tanden en nagels. Hij sloeg haar van zich af, maar ze stortte zich opnieuw op hem. Hij kon toch niet anders? Wat had hij anders kunnen doen?
En nu lag er bloed op de tegels en had hij de tijd niet om dat op te ruimen. Het werd al licht. Hij moest ervandoor.