Mark
Mark
Mark ritste net zijn koffer dicht toen de rechercheur aankwam. Een andere dan de keer ervoor, wel weer een vrouw, maar wat ouder en niet zo knap.
‘Brigadier Erin Morgan,’ stelde ze zich voor en ze gaf hem een hand. ‘Kan ik u even spreken?’
Hij vroeg niet of ze binnen wilde komen. Het was een zootje in huis en hij had geen zin om de gastheer te spelen.
‘Ik ben aan het pakken,’ zei hij. ‘Ik rij vanavond naar Edinburgh om mijn verloofde op te pikken. We gaan een paar dagen naar Spanje.’
‘Dit duurt niet lang,’ zei brigadier Morgan terwijl ze over zijn schouder naar binnen keek.
Hij trok de voordeur achter zich dicht. Ze voerden hun gesprek op de stoep.
Hij nam aan dat het weer over Nel Abbott zou gaan. Hij was per slot van rekening een van de laatsten die haar in leven had gezien. Hij was haar voor de kroeg tegen het lijf gelopen, ze hadden even gepraat en hij had gezien hoe ze in de richting van Mill House wandelde. Hij had zich voorbereid op dat gesprek. Maar niet op het gesprek dat zich daadwerkelijk ontwikkelde.
‘Ik weet dat u er al over bent ondervraagd, maar we moeten nog een paar dingen ophelderen,’ zei de vrouw, ‘en wel over wat er zoal voor Katie Whittakers dood is gebeurd.’
Marks hart ging sneller slaan. ‘O, eh, wat dan?’
‘U moest ongeveer een maand voordat Katie stierf tussenbeide komen toen Lena Abbott en Katie knallende ruzie hadden, heb ik gehoord?’
Mark kreeg een droge keel. Hij kon amper slikken. ‘Het was geen knallende ruzie,’ zei hij. Hij schermde zijn ogen af tegen de zon. ‘Waarom... Sorry hoor, maar waarom vraagt u daarnaar? Er is vastgesteld dat Katie zichzelf van het leven heeft beroofd, dus het lijkt mij...’
‘Inderdaad,’ viel de brigadier hem in de rede, ‘dat klopt en dat is nog steeds zo. Alleen zijn wij erachter gekomen dat er eh... omstandigheden waren rond Katies dood waarvan we niet op de hoogte waren en die we nader moeten onderzoeken.’
Mark draaide zich abrupt om en duwde de voordeur zo hard open dat die terugsloeg toen hij de hal in liep. De bankschroef zat strak om zijn hoofd, zijn hart ging als een gek tekeer, hij moest naar binnen, uit de zon.
‘Gaat het wel, meneer Henderson?’
‘Ja.’ Zijn ogen pasten zich aan aan het duister in de hal en hij draaide zich weer naar haar om. ‘Ja hoor. Een beetje hoofdpijn, meer niet. De felle zon is gewoon...’
‘Zal ik een glas water voor u halen?’ stelde brigadier Morgan vriendelijk glimlachend voor.
‘Nee,’ zei hij, en het viel hem onmiddellijk op dat dat wel erg korzelig overkwam. ‘Nee, het gaat wel.’
Het bleef even stil. ‘We hadden het over de ruzie, meneer Henderson. Tussen Lena en Katie?’
Mark schudde zijn hoofd. ‘Het was geen ruzie... Dat heb ik de politie toen ook al uitgelegd. Ik hoefde hen niet uit elkaar te halen. In elk geval niet op de manier waarop ze dat suggereerden. Katie en Lena waren dik bevriend, ze ergerden zich soms aan elkaar en gingen dan uit hun dak, veel meisjes op die leeftijd, kinderen van die leeftijd, doen dat.’
De rechercheur stond nog buiten in de zon op de stoep en was een silhouet geworden zonder gezicht. Dat vond hij prettig.
‘Een paar van Katies leraren zeiden dat ze de week voorafgaande aan haar dood afgeleid was en wellicht wat afstandelijker dan anders. Vond u dat ook?’
‘Nee,’ zei Mark. Hij knipperde langzaam met zijn ogen. ‘Nee, ik geloof van niet. Ik geloof niet dat ze was veranderd. Het is mij in elk geval niet opgevallen. Ik had het totaal niet verwacht. We... Niemand had het zien aankomen.’
Hij sprak zacht en moeizaam, en dat viel de brigadier op. ‘Sorry dat ik het weer oprakel,’ zei ze. ‘Ik kan me voorstellen hoe erg dat moet...’
‘Nee, dat kunt u zich niet voorstellen. Ik zag dat meisje elke dag. Ze was jong en slim, een van mijn beste leerlingen. We waren allemaal erg... dol op haar.’ Het woord ‘dol’ kwam er hakkelend uit.
‘Ik vind het echt heel erg. Maar het punt is dat er nieuwe feiten boven water zijn gekomen, en die moeten we wel nagaan.’
Mark knikte, het kostte hem moeite om haar te verstaan boven het gebulder van het bloed in zijn oren uit; hij had het vreselijk koud, alsof iemand benzine over hem heen had gegoten.
‘We hebben het vermoeden dat Katie misschien pillen gebruikte, Rimato. Weet u daar iets van, meneer Henderson?’
Mark kneep zijn ogen tot spleetjes. Nu wilde hij wel haar ogen zien, de uitdrukking op haar gezicht kunnen lezen. ‘Nee... ik... ik dacht dat ze niets had genomen? Dat heeft de politie tenminste gezegd. Rimato? Wat is dat? Een partydrug?’
Morgan schudde haar hoofd. ‘Het zijn afslankpillen,’ antwoordde ze.
‘Maar Katie was helemaal niet te dik,’ zei hij, en hij besefte meteen dat dat een domme opmerking was. ‘Ze hebben het er wel altijd over, nietwaar? Tienermeisjes, over hun gewicht. En niet alleen tieners, ook volwassen vrouwen. Mijn verloofde zaagt er altijd en eeuwig over door.’
Dat was waar, maar het klopte niet helemaal. Want zijn verloofde was zijn verloofde niet meer, ze zeurde niet meer over haar gewicht, en hij ging haar ook niet ophalen voor hun vakantie naar Málaga. In haar laatste e-mail, alweer enkele maanden geleden, had ze hem vervloekt en gezegd dat ze hem nooit zou vergeven voor wat hij haar had aangedaan.
Maar had hij nou echt zoiets ergs gedaan? Als hij werkelijk een vreselijke man was, een kille, gemene, harteloze vent, dan had hij haar toch aan het lijntje gehouden? Dat was voor hem beter geweest. Maar hij was helemaal geen slechte vent. Hij was alleen wel het soort man dat er helemaal voor ging als hij van iemand hield, en wat was daar nou mis mee?
Nadat de brigadier was vertrokken, liep hij door het huis, laden opentrekkend, boeken doorbladerend, op zoek. Op zoek naar iets waarvan hij zich heel goed bewust was dat hij het niet zou vinden. De avond na de langste dag van het jaar had hij kwaad en bang een vuurtje in de achtertuin gestookt en daar alle kaarten en brieven en een boek in gegooid. En nog meer cadeautjes. Als hij door het achterraam naar buiten keek, kon hij nog steeds een stukje verschroeide aarde zien waar hij radicaal alle sporen van haar had gewist.
Hij trok de lade van zijn bureau in de woonkamer open en wist precies wat hij daar zou aantreffen, want het was niet voor het eerst dat hij dat deed. Hij had, soms bang, soms verdrietig, naarstig gezocht naar iets wat hij wellicht over het hoofd had gezien. Maar hij was die eerste avond uiterst grondig te werk gegaan.
Er lagen foto’s, wist hij, in het kantoor van de rectrix. Er was een dossier. Inmiddels gesloten, maar het was er wel. Hij had een sleutel van de afdeling Administratie en wist precies waar hij moest zijn. En hij wilde iets, hij had íéts nodig om met hem mee te nemen. Dit was niet zomaar iets, het was broodnodig, omdat de toekomst ineens onzeker was. Hij had zo het vermoeden dat als hij eenmaal de achterdeur op slot deed, het huis afsloot, hij dat nooit meer opnieuw zou doen. Hij kwam misschien wel nooit meer terug. Het was misschien wel tijd om voorgoed te verdwijnen, om ergens anders opnieuw te beginnen.
Hij reed naar school en zette de auto op het verlaten parkeerterrein. Soms werkte Helen Townsend door tijdens de schoolvakanties, maar vandaag was haar auto nergens te bekennen. Hij was alleen. Hij draaide de voordeur van het slot en liep naar binnen, langs de lerarenkamer, naar Helens kantoor. De deur was dicht, maar toen hij de kruk beetpakte, bleek de deur niet op slot te zijn.
Hij ging naar binnen en rook de vieze, chemische lucht van tapijtreiniger. Hij zette koers naar de archiefkast aan de andere kant van de kamer en trok de bovenste la open. Die was leeggehaald en de lade eronder zat op slot. Hij kwam tot het teleurstellende besef dat iemand alles opnieuw had ingedeeld, dat hij geen flauw idee had waar hij moest zoeken, en dat de tocht vergeefs was geweest. Hij dook de gang in om te kijken of hij nog steeds alleen was – en dat was ook zo, zijn rode Vauxhall was de enige auto op het parkeerterrein – en liep terug naar het kantoor van de rectrix. Hij zorgde ervoor dat hij niets van zijn plek haalde en maakte Helens bureauladen stuk voor stuk open, op zoek naar de sleutels van de archiefkast. Hij kon ze niet vinden, maar zag wel iets anders: een sieraad dat onmogelijk van Helen kon zijn. Het kwam hem vaag bekend voor. Het was een zilveren armband waar sja in stond gegraveerd, de sluiting was versierd met onyx.
Hij ging zitten en keek er heel lang naar. Hij had geen flauw idee waarom hij daar lag, wat het betekende. Het betekende niets. Het kón gewoon niets betekenen. Mark legde de armband terug, gaf zijn zoektocht op en liep terug naar zijn auto. Hij had net de sleutel in het contact gestoken toen hem te binnen schoot waar hij de armband van kende. Nel had hem gedragen toen hij haar bij de kroeg had gezien. Ze hadden even met elkaar gesproken. Hij had gezien dat ze koers zette naar Mill House. Maar daarvoor, voordat ze gedag had gezegd, had ze met iets om haar pols gespeeld, en nu lag dat hier. Hij liep terug naar Helens kantoor, maakte de la open, pakte de armband en stak hem in zijn zak. Hij wist dat als iemand hem zou vragen waarom hij dat had gedaan, hij het niet zou kunnen uitleggen.
Het is net, dacht hij, alsof ik me in diep water bevind, alsof ik naar iets zoek, wat dan ook, om mezelf te redden. Het was alsof hij naar een reddingsboei had willen graaien maar in plaats daarvan alleen maar strengen wier had gevoeld en die dan maar had vastgegrepen.