De Verdrinkingspoel
Anne Ward, 1920
Het was al binnen. Het was hier in huis. Buiten was er niets engs, het gevaar kwam van binnen. Het lag op de loer, het had al die tijd al op de loer gelegen, al sinds hij weer thuis was.
Uiteindelijk kwam het voor Anne niet door de angst maar door het schuldgevoel. Het was de kennis, zo koud en hard als een kiezelsteentje uit de rivier, over wat ze had gewenst, de droom waar ze zich ’s nachts aan had overgegeven als de nachtmerrie van het echte leven haar te zwaar werd. Híj was de nachtmerrie, naast haar in bed, of gezeten bij het vuur met zijn laarzen aan en een glas in de hand. De nachtmerrie was als ze hem betrapte als hij naar haar keek en de walging op zijn gezicht zag alsof ze lichamelijk afstotelijk was. Dat lag niet aan haar, wist ze. Dat had hij met alle vrouwen, alle kinderen, met oudere mannen, met iedere man die niet bij de oorlog was betrokken. Toch deed het haar pijn om te zien, om te voelen – veel erger dan wat ze ooit in haar leven had gevoeld – hoezeer hij haar haatte.
Maar het was haar eigen schuld, toch?
De nachtmerrie bestond echt, hij woonde in haar huis, maar de droom, dat ze zichzelf toestond om ergens naar te hunkeren, achtervolgde haar. In de droom was ze in haar eentje in huis; het was in de zomer van 1915 en hij was net vertrokken. In de droom zou het avond zijn, de zon zakte langzaam achter de heuvel aan de andere kant van de rivier, de schemering verduisterde de hoeken van het huis, en er zou op de deur worden geklopt. Er zou een man voor de deur staan, in uniform, en hij zou haar een telegram overhandigen en zij zou weten dat haar man nooit meer terug zou keren. In haar dagdromen maakte het niet uit hoe het was gebeurd. Het kon haar niet schelen of hij als held was gestorven om een maat te redden, of als een lafaard, vluchtend voor de vijand. Het was één pot nat voor haar, zolang hij maar dood was.
Het zou het leven er voor haar een stuk gemakkelijker op hebben gemaakt. Dat was toch zo? Dus waarom zou hij haar niet haten? Als hij daar was gesneuveld, zou ze om hem hebben gerouwd, mensen zouden medelijden met haar hebben gehad; haar moeder, haar vriendinnen, zijn broers (als ze het hadden overleefd)... Ze zouden haar hebben geholpen, financieel hebben bijgedragen, en ze zou het hebben gered. Ze zou heel lang om hem hebben getreurd, maar dat zou op een gegeven moment over zijn geweest. Ze zou negentien, twintig, eenentwintig zijn geweest, met nog een heel leven voor zich.
Het was zijn goed recht dat hij haar haatte. Het was drie jaar geleden, bijna drie jaar geleden, dat hij daar zat, onder de stront en het bloed van de mannen voor wie hij een sigaret had aangestoken, en nu wenste ze dat hij nooit was teruggekomen, vervloekte ze de dag dat het telegram niet was gekomen.
Ze hield van hem sinds haar vijftiende, kon zich niet meer herinneren hoe het leven zonder hem was geweest. Hij was achttien toen de oorlog uitbrak en negentien toen hij ging vechten, en elke keer kwam hij ouder terug, geen maanden, maar vele, vele jaren ouder.
De eerste keer was hij nog wel zichzelf geweest. Hij huilde ’s nachts, rilde als een man met hoge koorts. Hij zei dat hij nooit meer terug zou gaan, dat hij veel te bang was. De nacht voordat hij terug moest, trof ze hem aan bij de rivier en sleepte ze hem mee naar huis. (Dat had ze nooit moeten doen. Ze had hem moeten laten gaan.) Het was egoïstisch van haar geweest om hem tegen te houden. Kijk nu maar eens naar wat er van hem terecht was gekomen.
De tweede keer dat hij was teruggekomen huilde hij niet meer. Hij was stil, sloot zich af, keek haar nauwelijks aan, alleen stiekem van onder halfgesloten oogleden, en nooit als ze in bed lagen. Dan draaide hij haar om en ging gewoon door, ook al smeekte ze hem ermee op te houden, ook al bloedde ze. Hij haatte haar toen, haatte haar toen al; dat had ze aanvankelijk niet door, maar toen ze hem vertelde hoe erg ze het vond dat ze die meisjes in de gevangenis zo mishandelden, over de dienstweigeraars en zo, had hij haar in het gezicht geslagen en haar bespuugd en haar uitgemaakt voor gore landverraadster.
De derde keer dat hij terugkeerde, was hij er niet meer.
En ze wist dat hij nu nooit meer terug zou keren. Dat er niets meer over was van de man die hij ooit was geweest. En ze kon niet weg, ze kon niet op iemand anders verliefd worden, want hij was altijd de enige geweest, en nu was hij er niet meer... Weg, hoewel hij bij het vuur zat met zijn laarzen aan en dronk, dronk, en haar aankeek alsof zij de vijand was. Was hij maar dood.
Wat voor leven was dat?
Anne wilde dat het anders was geweest. Ze had graag de geheimen willen weten waar de andere vrouwen van op de hoogte waren, maar Libby Seeton was al lang geleden gestorven en ze had de geheimen meegenomen het graf in. Anne wist bepaalde dingen wel, net als de meeste vrouwen uit het dorp. Ze wisten welke paddenstoelen ze konden plukken en welke ze moesten laten staan, ze waren gewaarschuwd voor de wolfskers, die ze nooit ofte nimmer mochten aanraken. Ze wist die plant te vinden in het bos, maar ze wist ook wat hij aanrichtte en ze wilde niet dat hij op die manier zou sterven.
Hij was de hele tijd bang. Dat kon ze zien, het stond op zijn gezicht geschreven als ze even een blik op hem wierp: zijn ogen waren altijd op de deur gericht, als het ging schemeren keek hij naar buiten, om te zien wat er zich achter de bomen bevond. Hij was bang en wachtte op iets. En de hele tijd keek hij naar de verkeerde plek, want de vijand was niet daarbuiten, hij was al binnen, in zijn huis. Hij zat bij zijn haard.
Ze wilde niet dat hij bang was. Ze wilde niet dat hij de schaduw op zich zou zien vallen, dus wachtte ze tot hij sliep, gezeten in zijn stoel met zijn laarzen aan, de lege fles aan zijn voeten. Ze was stil en ze was snel. Ze legde het blad op zijn nek en hakte de bijl er zo diep in, dat hij de kans niet kreeg om wakker te worden, en toen was hij voorgoed weg.
Zo was het beter.
Het werd natuurlijk wel een enorme bende, dus ging ze naderhand naar de rivier om haar handen te wassen.