Lena
Lena
Ik was bang toen ik bijkwam, ik had geen idee waar ik was. Ik kon niets zien. Het was aardedonker. Maar gezien het lawaai, het geschommel en de benzinelucht dacht ik dat ik in een auto moest liggen. Mijn hoofd deed pijn en mijn mond ook, het was warm en benauwd en er prikte iets in mijn rug, iets hards zoals een metalen bout. Ik wurmde mijn hand naar achteren om het te pakken, maar het zat ergens aan vast.
Dat was jammer, want een wapen kon ik goed gebruiken.
Ik mocht dan bang zijn, ik wist wel dat ik er niet aan toe mocht geven. Ik moest goed kunnen nadenken. Goed en snel, want vroeg of laat zou de auto stilstaan en dan zou het tussen hem en mij gaan, en het mocht niet zo zijn dat hij verantwoordelijk werd voor de dood van Katie én die van mama én die van mij. Dat ging niet gebeuren. Ik moest erin geloven, ik moest mezelf steeds voorhouden dat ík het zou overleven en hij niet.
In de weken na Katies dood had ik vaak nagedacht over hoe Mark Henderson zou boeten voor wat hij had gedaan, maar moord was nooit bij me opgekomen. Ik had wel andere dingen bedacht: zijn huis bekladden, zijn ruiten ingooien (nou, dat was gelukt), zijn vriendin bellen en haar alles doorgeven wat Katie me had verteld: hoe vaak, wanneer, waar. Hoe hij haar het ‘lievelingetje van de leraar’ had genoemd. Ik had bedacht dat een paar jongens uit een klas hoger hem in elkaar zouden slaan. Ik had bedacht dat ik zijn lul eraf zou hakken en die in zijn mond zou stoppen. Maar ik had nooit bedacht dat ik hem zou vermoorden. Tot nu dan.
Hoe was ik hier terechtgekomen? Niet te geloven dat ik zo dom was geweest om hem te laten winnen. Ik had nooit naar zijn huis moeten gaan, niet zonder een goed plan, niet zonder precies te weten wat ik ging doen.
Ik had er zelfs niet over nagedacht, ik deed maar wat. Ik wist dat hij thuis zou komen van zijn vakantie, daar hadden Sean en Erin het over gehad. En toen, na wat Louise had gezegd, en na het gesprek met Julia over hoe het niet mijn schuld was en ook niet die van mama, dacht ik: weet je wat? Ik ga gewoon. Ik wilde hem in de ogen kijken en hem schuld laten bekennen. Ik wilde dat hij het toegaf, toegaf wat hij had gedaan en dat hij dat niet had mogen doen. Dus ging ik ernaartoe, en omdat ik de ruit in de achterdeur al had ingegooid, kon ik daar gemakkelijk genoeg naar binnen komen.
Het rook vies in huis, alsof hij weg was gegaan zonder de vuilnis weg te brengen. Ik stond een tijdje in de keuken en keek met behulp van het lichtje op mijn mobiel rond, maar toen vond ik dat ik de lamp wel aan kon doen, want dat kon je toch niet zien vanaf de weg, en zelfs als de buren het zouden zien, zouden ze denken dat hij weer thuis was.
Het rook vies omdat het vies wás. Smerig zelfs: de vaat stond in de gootsteen, er lagen verpakkingen van magnetronmaaltijden bij met restjes eten er nog in, en alles zat onder het vet. En er stond een hele lading lege wijnflessen bestemd voor de glasbak. Ik had niet verwacht dat het zo’n rommeltje zou zijn. Op school ging hij altijd keurig gekleed, hij had geen rouwranden onder zijn kortgeknipte nagels en ik had eigenlijk verwacht dat hij ziekelijk schoon zou zijn.
Ik liep naar de woonkamer en bekeek daar alles met behulp van het schijnsel van mijn mobieltje, omdat ik daar het grote licht niet aan wilde doen, want dat zou vanaf de weg misschien wel te zien zijn. Alles zag er gewoontjes uit. Goedkope meubels, een heleboel boeken en cd’s, geen foto’s aan de muur. Het was gewoontjes en vies en triest.
Boven was het nog erger. De slaapkamer was goor. Het bed was niet opgemaakt, de kasten stonden open en het rook er akelig, zuur en zweterig, heel anders dan beneden, meer naar een ziek dier. Ik schoof het gordijn dicht en knipte het lampje op het nachtkastje aan. Het was echt stukken erger dan beneden, het leek wel alsof hier een oud mens woonde: lelijke gele muren en bruine gordijnen en kleren en kranten op de grond. Ik trok een la open, er lagen oordopjes en een nagelschaartje in. In de onderste la lagen condooms en glijmiddel en handboeien van namaakbont.
Ik werd niet goed. Ik ging op het bed zitten en zag toen dat het laken een stukje was verschoven en dat er een bruine vlek op het matras zat. Ik dacht echt dat ik moest overgeven. Het deed zeer. Het besef dat Katie hier met hem was geweest, in deze afschuwelijke kamer, in dit walgelijke huis, deed lichamelijk zeer. Ik wilde al weggaan. Het was gewoon een stom idee geweest, om hier halsoverkop naartoe te gaan. Ik deed het licht uit en liep naar beneden, en ik stond al bijna bij de achterdeur toen ik iemand het pad op hoorde lopen. En toen ging de keukendeur open en daar stond hij. Hij zag er vreselijk uit, zijn gezicht en zijn ogen waren rood, zijn mond hing open. Ik vloog hem aan. Ik wilde de ogen uit zijn lelijke kop krabben, ik wilde hem horen krijsen.
Ik weet niet wat er toen gebeurde. Volgens mij viel hij, en ik lag op mijn knieën, en er gleed iets over de vloertegels naar me toe. Een stuk metaal, een sleutel of zo. Ik pakte het en voelde dat het niet gekarteld was maar glad. Een rond ding. Een rond, zilveren ding met een sluiting bezet met onyx. Ik draaide het om in mijn hand. De keukenklok tikte luid en Mark haalde zwaar adem. ‘Lena,’ zei hij, en ik keek hem aan en ik kon zien dat hij bang was. Ik stond op. ‘Lena,’ zei hij weer, en hij kwam overeind en deed een stap in mijn richting. Ik moest glimlachen, want vanuit mijn ooghoek had ik iets anders zilverkleurigs ontdekt, een scherp ding, en ik wist precies wat ik daarmee ging doen. Ik zou even ademhalen, rustig worden, en ik zou wachten totdat hij opnieuw mijn naam zou zeggen en dan zou ik de schaar pakken die op de tafel lag en hem diep in die klotenek van hem steken.
‘Lena,’ zei hij en hij stak zijn hand naar me uit, en opeens ging alles heel snel. Ik pakte de schaar en viel hem aan, maar hij was langer dan ik en hij had zijn armen uitgestoken en ik moest hebben gemist of zo. Want hij was niet dood, hij reed in deze auto en ik lag achterin met een bult op mijn hoofd.
Ik begon te schreeuwen, stom natuurlijk, want wie zou me nou horen? Ik wist dat de auto snel reed, maar ik schreeuwde toch. ‘Laat me eruit, laat me eruit, stomme klootzak die je d’r bent!’ Ik bonsde met mijn vuisten tegen de klep van de kofferbak terwijl ik zo hard mogelijk schreeuwde, en toen opeens beng! De auto stond stil en ik knalde tegen het metaal aan, en toen stond ik mezelf toe te huilen.
Dat kwam niet alleen door de pijn. Om de een of andere reden bleef ik maar denken aan de ruiten die Josh en ik hadden ingegooid, en hoe erg Katie dat zou hebben gevonden. Ze had het allemaal vreselijk gevonden; ze had het vreselijk gevonden dat haar broertje, na al die tijd leugens te hebben opgehangen, opeens de waarheid vertelde, ze had het vreselijk gevonden dat Mark me pijn deed, maar bovenal had ze het vreselijk gevonden dat we de ramen hadden ingegooid, omdat ze daar nu juist zo bang voor was geweest. Gebroken ruiten en woorden als ‘pedo’ op de muren gekladderd en stront door de brievenbus en verslaggevers op de stoep en mensen die spuugden en vuistslagen uitdeelden.
Ik huilde vanwege de pijn en ik huilde omdat ik het erg vond voor Katie, want dit alles zou haar hart hebben gebroken. ‘Maar zal ik jou eens wat vertellen, Katie?’ fluisterde ik alsof ik gek was geworden, net als Julia die in het donker in zichzelf zat te mompelen. ‘Het spijt me. Het spijt me heel erg, want dit verdient hij niet. Ik kan het nu wel zeggen, omdat je er niet meer bent en ik in de kofferbak lig met bloed in mijn mond en een kapotte kop, maar ik kan je dit wel vertellen: Mark Henderson verdient het niet om te worden opgejaagd of in elkaar te worden getimmerd. Hij verdient veel erger. Ik weet dat je van hem hield, maar hij heeft niet alleen jouw leven verpest, maar ook het mijne. Hij heeft mijn moeder vermoord.’