Maandag 17 augustus
Nickie
Nickie zat in haar stoel bij het raam en keek toe hoe de zon opging en de ochtendnevel in de heuvels verdreef. Ze sliep maar heel weinig, door de warmte en door haar zus die de hele nacht in haar oor zat te tetteren. Nickie hield niet van de warmte. Ze was gebouwd op koud weer: haar vaders kant was afkomstig van de Hebriden. Afstammelingen van de Vikingen. Haar moeders kant kwam uit Oost-Schotland en werd honderden jaren geleden door heksenjagers naar het zuiden verdreven. De mensen uit de buurt van Beckford geloofden het niet, ze beschimpten haar en lachten haar uit, maar Nickie wist gewoon dat ze van de heksen afstamde. Er liep een directe lijn van Sage naar Seeton.
Nickie had gedoucht en gegeten en ging in keurig zwart gekleed naar de poel. Een lange, trage schuifelgang over het pad. Ze was blij dat de eiken en berken wat schaduw boden. Maar toch prikte het zweet in haar ogen en was haar rug kletsnat. Toen ze bij het strandje aankwam, trok ze haar sandalen uit en liep tot aan haar enkels het water in. Ze spetterde water over haar gezicht, haar nek en haar bovenarmen. Vroeger beklom ze het klif om eer te bewijzen aan degenen die waren gevallen, aan degenen die waren gesprongen en degenen die waren geduwd, maar haar benen wilden niet meer, dus moest ze dat wat ze tegen de zwemmers wilde zeggen hier beneden doen.
De eerste keer dat Nickie Nel Abbott had ontmoet, had ze op bijna dezelfde plek gestaan. Dat was een paar jaar geleden. Ze had toen ook wat in het water gepoedeld om af te koelen toen ze opeens een vrouw op het klif had gezien. Ze zag haar heen en weer lopen, één keer, twee keer, en bij de derde keer had Nickie een tinteling in haar handen gevoeld. Slecht nieuws, dacht ze. Ze zag dat de vrouw op haar knieën ging zitten en toen als een slang naar de rand van het klif kroop, totdat haar armen over de rand bungelden. Nickie was zich gek geschrokken en had gegild: ‘Hé!’ De vrouw zag haar staan en had glimlachend naar Nickie gezwaaid, die niet wist wat ze meemaakte.
Daarna had Nickie haar nog veel vaker gezien. Ze maakte foto’s, tekeningen, notities bij de poel. Ze was er altijd, op elk tijdstip van de dag, het hele jaar door. Nickie had Nel door het raam bekeken als ze door het dorp naar de poel liep, midden in de nacht, en tijdens een sneeuwstorm en toen de ijskoude regen de huid van je vlees striemde.
Soms haalde Nickie haar in op het pad, en dan gaf Nel geen krimp, ze zag zelfs niet dat ze gezelschap had, ze was veel te diep in gedachten verzonken. Daar hield Nickie wel van, ze vond het mooi dat de vrouw zo geconcentreerd kon zijn, dat ze geheel en al in beslag werd genomen door haar werk. Ze vond het ook mooi dat Nel weg was van de rivier. Vroeger ging Nickie op een warme zomerse ochtend graag even zwemmen, maar dat was lang geleden. Maar dan Nel! Die zwom ’s ochtends vroeg en tegen de avond, zowel in de zomer als in de winter. Nu ze er zo bij stilstond, bedacht Nickie dat ze haar al een tijdje niet meer in de rivier had zien zwemmen, al een paar weken niet. Misschien zelfs langer? Ze probeerde zich de laatste keer dat ze haar in het water had gezien voor de geest te halen, maar door dat geratel van haar zus in haar oor kon ze het zich niet meer herinneren en raakte ze finaal in de war.
Hield ze nou maar eens een keer haar waffel.
Nickie werd beschouwd als het zwarte schaap van de familie, maar eigenlijk was haar zus Jean dat. Als kind was Jeannie heel zoet, ze gehoorzaamde altijd en toen werd ze zeventien en ging ze zowaar bij de politie. De politie! Hun vader was verdorie mijnwerker. Het was verraad, zo noemde haar moeder het, verraad tegen de hele familie, de hele buurt. Haar ouders wilden niets meer met Jean te maken hebben en van Nickie werd ook verwacht dat ze haar links zou laten liggen. Maar dat kon ze gewoon niet. Jeannie was haar kleine zusje.
Ze had alleen een grote mond, dat was haar probleem; ze wist niet wanneer ze haar waffel moest houden. Nadat ze ontslag had genomen bij de politie en voordat ze uit Beckford was vertrokken, had Jean Nickie een verhaal verteld waar ze de gilzenuwen van kreeg, en sindsdien beet Nickie altijd op haar tong, spuugde ze op de grond en prevelde ze allerlei spreuken om zichzelf te beschermen als ze Patrick Townsend tegenkwam.
Tot nu toe had het gewerkt. Ze was ongedeerd gebleven. Maar Jeannie niet. Na dat gedoe met Patrick en zijn vrouw en alle ellende van dien, was Jeannie naar Edinburgh verhuisd en met een waardeloze man getrouwd, en waren ze vervolgens vijftien jaar bezig geweest zichzelf dood te drinken. Maar af en toe zag Nickie haar nog, ze sprak haar nog steeds. De laatste tijd behoorlijk vaak zelfs. Jeannie was weer erg spraakzaam geworden. Lawaaierig, aanhoudend, lastig.
Nadat Nel Abbott het water in was gegaan, was het nog erger geworden. Jeannie had Nel vast gemogen, had wellicht iets van zichzelf in haar herkend. Nickie mocht haar ook, vond het leuk om met haar te praten, vond het fijn dat Nel luisterde als Nickie iets zei. Ze luisterde naar haar verhalen, maar trok zich niets van haar waarschuwingen aan. Net als Jeannie wist Nel ook niet wanneer ze haar mond moest houden.
Het punt is dat als er bijvoorbeeld veel regen is gevallen, het water in de rivier stijgt. Het bewerkt de modderige bodem en brengt soms iets naar boven: de botten van een lam, een kaplaars van een kind, een gouden horloge bedekt met slik, een bril aan een zilveren ketting. Een armband met een kapotte sluiting. Een mes, een vishaakje, een dobber. Blikjes en supermarktkarretjes. Rommel. Spullen die belangrijk zijn, maar ook spullen die niet belangrijk zijn. En dat kan geen kwaad, zo gaan die dingen nu eenmaal, zo is de rivier nu eenmaal. De rivier kan terug naar het verleden en alles naar boven halen en kan het op de wal spugen, waar iedereen het kan zien, maar mensen kunnen dat niet. Vrouwen kunnen dat niet. Als je vragen gaat stellen en advertenties in winkels en kroegen gaat ophangen, als je foto’s gaat maken en met de kranten in gesprek gaat en alles te weten wilt komen over heksen en vrouwen en verloren zielen, dan is dat het begin van het einde.
Daar wist Nickie alles van.
Tegen de tijd dat ze haar voeten had afgedroogd en haar sandalen had aangedaan, en tergend langzaam terugwandelde over het pad, de treden op en de brug over, was het al na tienen, bijna tijd. Ze ging naar de winkel en kocht een blikje cola en liet zich op het bankje tegenover het kerkhof zakken. Ze ging niet naar binnen – de kerk was niets voor haar – maar ze wilde hen zien. Ze wilde de rouwende mensen en de toeschouwers en de uitgesproken hypocrieten zien.
Ze ging lekker zitten en deed haar ogen dicht – heel even maar, dacht ze – maar toen ze ze weer opendeed, was het al begonnen. Ze zag de jonge politievrouw, die nieuwe, heen en weer paraderen, rondkijkend als een stokstaartje. Ook Nickie was aan het kijken. Ze zag de mensen uit de kroeg, de barman en zijn vrouw en het jonge meisje dat achter de toog stond, een paar leerkrachten, de dikke slons en de knappe met een zonnebril op zodat zijn ogen niet te zien waren. Ze zag alle drie de Whittakers; de ellende sloeg van hen af, de vader krom van verdriet, de jongen bang voor van alles en nog wat, en alleen de moeder met haar kin omhoog. Een hele horde jonge meisjes, gakkend als ganzen, en een man die achter hen aan liep, iemand uit het verleden, een lelijke kop. Nickie kende hem, maar kon hem niet plaatsen, kreeg geen beeld bij hem in haar hoofd. Ze werd afgeleid door de donkerblauwe auto die het parkeerterrein op kwam rijden, door de tinteling op haar huid, de kille windvlaag in haar nek. Ze zag eerst de vrouw, Helen Townsend, zo onopvallend als een musje, die achter uit de auto stapte. Haar man had gereden en op de passagiersplaats had de oude man, Patrick, gezeten, met de rechte rug van een sergeant-majoor. Patrick Townsend: goede vader, goede echtgenoot, steunpilaar van de gemeenschap, ex-politieman. Tuig. Nickie spuugde op de grond en prevelde een spreuk. Ze voelde dat de oude man zijn blik op haar richtte en Jeannie fluisterde: ‘Kijk hem niet aan, Nick.’
Nickie telde hen toen ze naar binnen gingen en een halfuur later toen ze weer naar buiten kwamen. Er was een opstopping bij de deur, mensen botsten tegen elkaar op, baanden zich een weg naar buiten, en toen gebeurde er iets tussen de knappe leraar en Lena Abbott, een felle opmerking. Nickie keek toe en ze merkte dat de politievrouw het ook in de gaten had. Sean Townsend liep ertussen en stak met kop en schouders boven de anderen uit. Hij bewaarde de rust. Maar er werd iets over het hoofd gezien, ja toch? Het was net zoals bij een oplichterstruc, als je even niet oplet en niet meer weet waar het balletje is gebleven.