Zondag 23 augustus
Patrick
Patrick had altijd dezelfde droom over zijn vrouw. Het was avond en zij lag in de rivier. Hij liet Sean achter op de oever en dook het water in, hij zwom en zwom, maar zodra hij dichtbij genoeg was om haar te pakken, dreef ze verder weg en moest hij weer zwemmen. In de droom was de poel veel breder dan in werkelijkheid. Het was geen poel, het was een meer, een oceaan. Hij leek een eeuwigheid te zwemmen en pas als hij zo stuk was dat hij dacht zelf kopje-onder te gaan, wist hij haar uiteindelijk beet te pakken en naar zich toe te trekken. Als hij dat deed draaide ze zich langzaam om in het water, keerde haar gezicht naar hem toe en lachte de tanden in haar kapotte, bebloede mond bloot. Zo ging het altijd, alleen deze keer, toen ze zich naar hem omkeerde, was het opeens Helen.
Hij schrok wakker, zijn hart ging als een razende tekeer. Hij zat rechtovereind in bed, met zijn hand op zijn borst, durfde zijn angst niet onder ogen te zien, en evenmin het feit dat daar ook een zwaar gevoel van schaamte bij kwam kijken. Hij schoof de gordijnen open en wachtte op het lichter worden van de lucht, van zwart naar grijs, voordat hij naar Helens kamer naast de zijne ging. Hij liep stilletjes naar binnen, pakte voorzichtig het krukje bij de kaptafel en zette dat naast haar bed. Hij ging zitten. Ze had haar gezicht van hem afgewend, net zoals in de droom, en hij moest de neiging onderdrukken om haar wakker te schudden om er zeker van te zijn dat haar mond niet vol bloed en afgebroken tanden zat.
Toen ze na een tijdje wakker werd en zich langzaam omdraaide, schrok ze zo erg toen ze hem zag zitten dat haar hoofd naar achteren schoot en tegen de muur klapte.
‘Patrick! Wat is er? Is er iets met Sean?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, er is niets aan de hand.’
‘Maar waarom...’
‘Heb ik... soms iets in je auto laten liggen?’ vroeg hij. ‘Gisteren? Ik had wat rommel uit het huisje meegenomen en dat wilde ik weggooien, maar toen moest ik de poes... Ik werd afgeleid en heb alles geloof ik in de auto laten liggen. Klopt dat?’
Ze slikte moeizaam en knikte, haar ogen zwart, de pupillen zo groot dat er van de irissen alleen een lichtbruin randje overbleef. ‘Ja, ik... Uit het huisje? Heb je die spullen uit het huisje weggehaald?’ Ze fronste haar wenkbrauwen, alsof ze iets niet helemaal snapte.
‘Ja, uit het huisje. Wat heb je ermee gedaan? Wat heb je met de tas gedaan?’
Ze ging zitten. ‘Die heb ik weggegooid,’ zei ze. ‘Het was toch vuilnis? Zo zag het er wel uit.’
‘Ja, alleen maar rommel.’
Haar blik schoot weg en richtte zich toen weer op hem. ‘Denk je dat het weer aan de gang was, pa?’ Ze zuchtte. ‘Tussen hem en haar. Denk je...’
Patrick boog zich naar voren en streek de haren van haar voorhoofd. ‘Dat weet ik niet. Zou kunnen. Misschien wel, voor korte duur. Maar nu is het voorbij, toch?’ Hij wilde opstaan, maar zijn benen waren slap en hij moest zich aan het nachtkastje optrekken. Hij merkte dat ze naar hem keek en hij geneerde zich. ‘Heb je trek in een kop thee?’ vroeg hij.
‘Ik ga het wel even zetten,’ zei ze, de dekens van zich af slaand.
‘Nee, nee. Blijf jij nou maar liggen. Ik doe het wel.’ Bij de deur draaide hij zich om. ‘Heb je het weggegooid? Die rommel?’ vroeg hij weer. Helen knikte. Met houterige bewegingen en een benauwd gevoel op zijn borst stommelde hij de trap af naar de keuken. Hij vulde de ketel met water en ging met een zwaar gemoed aan tafel zitten. Helen had nog nooit tegen hem gelogen, maar net was hij er redelijk zeker van geweest dat ze dat deze keer wel had gedaan.
Misschien had hij boos op haar moeten worden, maar eigenlijk was hij kwaad op Sean, want het was zijn schuld dat ze op dit punt waren beland. Helen zou helemaal niet hier moeten zijn! Ze zou thuis bij haar man in bed moeten liggen. En ze hadden hem niet in deze positie moeten manoeuvreren, in de beschamende positie dat hij de troep van zijn zoon op moest ruimen. De onfatsoenlijke positie dat hij in de kamer naast zijn schoondochter sliep. De huid onder het verband op zijn arm jeukte en hij krabde er afwezig aan.
En toch, als hij eerlijk was, en dat wilde hij altijd graag zijn, wie was hij dan om op zijn zoon af te geven? Hij wist nog hoe het was om een jonge man te zijn, overgeleverd aan de hormonen. Hij had zelf een verkeerde beslissing genomen en schaamde zich daar nog steeds voor. Hij had voor een schoonheid, een zwakke, egoïstische schoonheid gekozen, een vrouw die bijna geen zelfbeheersing had gehad. Een onverzadigbare vrouw. Ze was het pad van de zelfvernietiging ingeslagen en het enige wat hem nu verbaasde, was dat het nog zo lang had geduurd. Patrick wist wat Lauren nooit had ingezien: dat ze heel vaak op het randje van de dood had gebalanceerd.
Hij hoorde Helen de trap af komen en draaide zich om. Ze stond op haar blote voeten in de deuropening, nog steeds in haar pyjama.
‘Gaat het goed, pa?’ Hij stond op om thee te zetten, maar zij legde haar hand op zijn schouder. ‘Ga maar zitten, ik doe het wel.’
Hij had de eerste keer een verkeerde beslissing genomen, maar de tweede keer niet. Want Helen was door hém gekozen. Ze was de dochter van een collega; rustig, gewoontjes en ijverig. Hij had in één oogopslag gezien dat ze stevig in haar schoenen stond, betrouwbaar en liefdevol en trouw was. Hij had Sean moeten overhalen. Die was verliefd geworden op een vrouw die hij tijdens zijn studie had ontmoet, maar Patrick wist dat dat geen blijvertje was, en toen het toch langer duurde dan hij had verwacht, had hij er zelf een eind aan gemaakt. Nu keek hij naar Helen en wist dat hij een goede keuze had gemaakt voor zijn zoon. Helen was rechtdoorzee, bescheiden, intelligent en totaal niet geïnteresseerd in beroemdheden en roddels waar andere vrouwen zo dol op waren. Ze verspilde geen tijd aan tv of boeken, ze werkte hard en klaagde nooit. Ze was aangenaam gezelschap en ging glimlachend door het leven.
‘Alsjeblieft.’ Ze reikte hem glimlachend een kop thee aan. ‘O,’ zei ze geschrokken, ‘dat ziet er niet goed uit.’ Ze keek naar zijn arm, waar het verband door het krabben was verschoven. De huid was rood en opgezwollen, de wond was donkerrood. Ze kwam met warm water, zeep, ontsmettingsmiddel en schoon verband aanzetten. Ze maakte de wond schoon, legde een verband aan, en toen ze klaar was, kuste hij haar op de mond.
‘Pa,’ zei ze en ze schoof hem rustig weg.
‘Sorry,’ zei hij. ‘Sorry.’ De schaamte overviel hem, nog erger dan eerst, tezamen met woede.
Vrouwen brachten het ergste in hem naar boven. Eerst Lauren en toen Jeannie en ga zo maar door. Maar niet Helen. Helen toch zeker niet? En toch had ze tegen hem gelogen. Hij had het aan haar gezicht gezien, haar open gezicht, niet gewend aan bedrog, en er ging een rilling door hem heen. Hij moest weer aan de droom denken, dat Lauren zich in het water omkeerde; de geschiedenis herhaalde zich, alleen werden de vrouwen steeds erger.