Lena
Lena
Ík had het moeten doen. Ik ben haar nabestaande, haar kind. Degene die van haar hield. Ik had het moeten doen, maar dat mocht niet. Ik werd in mijn eentje achtergelaten en kon alleen maar in het verlaten huis zitten roken totdat de sigaretten op waren. Ik ging naar de winkel om een pakje te kopen; dat dikke mens daar vraagt weleens om je legitimatiebewijs, maar dat zou ze vandaag niet doen, dat wist ik gewoon. Ik wilde net de winkel verlaten toen ik die kutwijven van school – Tanya en Ellie en die hele bende – mijn kant op zag komen.
Ik kreeg een wee gevoel in mijn maag, boog mijn hoofd, draaide me om en liep zo snel mogelijk de andere kant op, maar ze zagen me, riepen me en renden me achterna. Ik had geen flauw idee wat ze van plan waren. Maar toen ze me hadden ingehaald omhelsden ze me en zeiden ze hoe erg ze het vonden, en Ellie had zelfs het gore lef om er een paar krokodillentranen uit te persen. Ik liet ze me omhelzen, me beetpakken en me over mijn haar strelen. Het voelde eigenlijk wel fijn om aangeraakt te worden.
We liepen over de brug. Ze waren van plan om naar het huisje van de Wards te gaan, wat pillen te slikken en dan te gaan zwemmen. ‘Als een soort wake, een soort herdenking,’ zei Tanya. Stomme trut. Dacht ze nou echt dat ik in dat water zou gaan zwemmen als ik high was? Ik zat te bedenken wat ik zou zeggen, maar kreeg opeens Louise in het oog; dat kwam wel heel goed uit, ik kon gewoon wegkomen zonder iets te zeggen, en ze konden me niet tegenhouden.
Ik dacht eerst dat ze me niet had gehoord, maar toen ik haar had ingehaald, zag ik dat ze aan het huilen was en niets van me wilde weten. Ik pakte haar bij haar arm. Geen idee waarom, maar ik wilde gewoon niet dat ze wegging, dat ze me zou achterlaten bij die valse bitches die net deden alsof ze het heel erg vonden maar er ondertussen volop van genoten. Ze wilde weg en was bezig mijn vingers stuk voor stuk los te wrikken, en ze zei: ‘Sorry, Lena, maar ik kan nu niet met je praten.’
Ik wilde iets zeggen in de trant van: u bent uw dochter kwijt en ik mijn moeder. Dan staan we toch quitte? Kunt u het me nu niet vergeven?
Maar ik zei niets en toen kwam dat stomme mens van de politie eraan en die dacht dat we ruzie aan het maken waren, dus zei ik dat ze kon oprotten en ging ik in mijn eentje naar huis.
Ik had verwacht dat Julia inmiddels wel thuis zou zijn. Hoe lang kan het nou duren om naar het mortuarium te gaan, toe te kijken hoe ze het laken terugslaan en te zeggen: ja hoor, dat is ze? Julia hoefde per slot van rekening niet naast haar te gaan zitten, haar hand vast te houden om haar te troosten, zoals ik wel zou hebben gedaan.
Ik had het moeten doen, maar dat mocht niet.
Ik ging op bed liggen, in de stilte. Ik kan zelfs niet meer naar muziek luisteren, omdat ik het gevoel heb dat het een heel andere betekenis heeft die ik nooit eerder had opgemerkt, en het doet me op dit moment te veel verdriet om daarmee om te gaan. Ik wil niet de hele tijd huilen, ik krijg er pijn van in mijn borst en in mijn keel, en het ergste is nog dat niemand me komt troosten. Er is niemand meer om me te troosten. Dus lag ik op mijn bed de ene sigaret na de andere te roken, totdat er iemand het huis binnenkwam.
Ze riep niet of zo, maar ik hoorde haar de keukenkastjes open- en dichtdoen, in de weer gaan met potten en pannen. Ik bleef liggen totdat ze naar me toe zou komen, maar uiteindelijk kreeg ik er genoeg van; ik was misselijk van al die sigaretten en ik had ook heel erge honger, dus ging ik naar beneden.
Ze stond voor het fornuis met een pollepel in een pan te roeren en toen ze zich omdraaide en me zag staan, schrok ze zich lam. Maar het was anders dan wanneer iemand je laat schrikken en je daarna moet lachen; de angst bleef haar aan te zien.
‘Gaat het, Lena?’ vroeg ze.
‘Heb je haar gezien?’ vroeg ik.
Ze knikte en sloeg haar ogen neer. ‘Ze zag eruit als... zichzelf.’
‘Mooi,’ zei ik. ‘Daar ben ik blij om. Ik wil niet dat ze...’
‘Nee, nee. En dat was ze ook niet. Onherkenbaar.’ Ze roerde weer in de pan. ‘Hou je van spaghetti bolognese?’ vroeg ze. ‘Dat eh... ben ik aan het maken.’
Dat vind ik zeker lekker, maar dat ging ik haar niet aan haar neus hangen, dus zei ik niets. In plaats daarvan vroeg ik: ‘Waarom heb je tegen de politie gelogen?’
Ze draaide zich zo razendsnel om dat de rode saus van de pollepel op de grond spetterde.
‘Hoe bedoel je, Lena? Ik heb niet gelogen...’
‘Jawel. Je zei dat je geen contact had met mijn moeder, dat je haar al in geen jaren had gesproken.’
‘Dat is ook zo.’ Haar hoofd en nek werden vuurrood, haar mondhoeken wezen naar beneden zoals bij een clown, en toen zag ik het, de lelijkheid waar mijn moeder het altijd over had gehad. ‘Ik had niet echt contact met Nel sinds...’
‘Ze heeft je heel vaak gebeld.’
‘Niet zó vaak. Af en toe. En we praatten nooit.’
‘Ja, ze vertelde inderdaad dat je niet met haar wilde praten, wat ze ook deed.’
‘Zo eenvoudig ligt het niet, Lena.’
‘O nee?’ viel ik uit. ‘Hoe ligt het dan wel?’ Ze wendde haar blik af. ‘Dit is allemaal jouw schuld, hoor.’
Ze legde de pollepel op het aanrecht en zette een paar stappen naar me toe, haar handen in haar zij, een bezorgde uitdrukking op haar gezicht, als een leraar die je gaat vertellen hoe teleurgesteld hij is over jouw gedrag in de klas.
‘Waar heb je het over?’ vroeg ze. ‘Wat is mijn schuld?’
‘Ze wilde contact met je, ze wilde je spreken, ze had je nodig...’
‘Nel had me helemaal niet nodig. Nel heeft me nooit nodig gehad,’ onderbrak ze me.
‘Ze was ongelukkig!’ zei ik. ‘Kon je dat dan geen bal schelen?’
Ze zette een stap naar achteren. Ze veegde haar gezicht af alsof ik haar had bespuugd. ‘Waarom was ze ongelukkig? Ik wist niet... Ze heeft nooit gezegd dat ze ongelukkig was. Ze heeft me nooit verteld dat ze ongelukkig was.’
‘En wat had je gedaan als ze je dat wel had verteld? Niets! Je had helemaal niets gedaan, zoals altijd. Dat was ook zo toen jullie moeder stierf en jij zo lelijk tegen haar deed, of toen ze jou hier uitnodigde toen we hiernaartoe waren verhuisd, of toen ze je vroeg om voor mijn verjaardag langs te komen en je zelfs niet de moeite nam om te reageren! Je negeerde haar, alsof ze niet bestond. Ook al wist je best dat ze niemand anders had, ook al wist je best...’
‘Ze had jou toch?’ onderbrak Julia me weer. ‘En ik wist helemaal niet dat ze ongelukkig was, ik...’
‘Nou, dat was ze dus wel. Ze ging zelfs niet meer zwemmen.’
Julia bleef doodstil staan en draaide toen haar hoofd naar het raam alsof ze ergens naar luisterde. ‘Hè?’ vroeg ze, maar ze keek me daarbij niet aan. Het was net alsof ze iemand anders zag, of naar haar spiegelbeeld keek. ‘Wat zei je nou?’
‘Dat ze niet meer ging zwemmen. Ik weet niet beter dan dat ze elke dag naar de poel of de rivier ging, elke dag weer, dat hoorde bij haar, ze hield van zwemmen. Elke dag weer, zelfs in de winter als het vroor en er ijs op het water lag. En opeens hield ze ermee op. Van de ene dag op de andere. Zo ongelukkig was ze dus.’
Ze zei een tijdje niets, stond daar maar door het raam naar buiten te kijken alsof ze iemand zocht. ‘Zou ze misschien iemand van streek hebben gemaakt, Lena? Of viel iemand haar lastig, of...’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, dat had ze me wel verteld.’ Dan had ze me wel gewaarschuwd.
‘O ja?’ vroeg Julia. ‘Want Nel, eh, je moeder, was wel een beetje eigenaardig, toch? Ze kon mensen het bloed onder de nagels vandaan halen, ze kon mensen vreselijk kwaad maken...’
‘Niet waar!’ beet ik haar toe, hoewel ze dat inderdaad weleens deed, maar alleen bij domme mensen, mensen die haar niet begrepen. ‘Je kende haar helemaal niet, je begreep haar niet. Je was gewoon een jaloerse trut, dat was je al toen je jong was en dat ben je nog steeds. Jezus, met jou valt echt niet te praten.’
Ik stormde naar buiten, ook al stierf ik van de honger. Alles liever dan samen met haar te eten, dat zou verraad zijn. Ik zag mijn moeder voor me, met de telefoon aan haar oor, aan het praten, terwijl ze totaal geen reactie kreeg. Gevoelloze bitch. Ik werd er een keer boos om en vroeg: waarom houd je er niet mee op? Laat haar toch! Ze wil duidelijk niets met ons te maken hebben. Mijn moeder zei: ze is wel mijn zus, hè, meer familie heb ik niet. Ik vroeg: en ik dan? Ik ben toch ook familie? Ze lachte en antwoordde: jij bent geen familie. Jij bent veel meer dan alleen dat. Jij bent een deel van mij.
Een deel van mij is weg, en ik mocht haar niet eens zien. Ik mocht niet eens haar hand vastpakken of haar een afscheidskus geven of haar zeggen hoeveel het me spijt.