Lena
Lena
Ze keken me allemaal aan en ik wilde tegen hen krijsen dat ze mijn huis uit moesten. Míjn huis. Het is míjn huis, van ons, het zal nooit van haar zijn. Tante Julia. Ik betrapte haar in mijn kamer, ze zat in mijn spullen te snuffelen terwijl ze me niet eens kent. Vervolgens deed ze heel lief en aardig tegen me en zei ze dat ze het heel erg vond, alsof ik ooit zou geloven dat het haar een reet kan schelen.
Ik heb al twee dagen niet geslapen en ik wil niet met haar en ook niet met iemand anders praten. En ik wil verdomme ook haar hulp niet of haar condoleances en ik wil ook geen stomme theorieën aanhoren over wat er met mijn moeder is gebeurd van mensen die haar nooit hebben gekend.
Ik wilde mijn kop houden, maar toen ze zeiden dat ze waarschijnlijk was gevallen, werd ik witheet van woede, want natuurlijk is ze niet gevallen. Echt niet. Ze snappen er niets van. Dit was niet zomaar een ongeluk, ze heeft het zelf gedaan. Niet dat het er nog iets toe doet, maar ik vind dat ze gewoon de waarheid onder ogen moeten zien.
Ik zei: ‘Ze is niet gevallen. Ze is gesprongen.’
De vrouwelijke rechercheur begon allemaal domme vragen te stellen over waarom ik dat zei en of ze misschien depressief was geweest en of ze het al eens eerder had geprobeerd, en de hele tijd zat tante Julia me met haar droevige bruine ogen aan te kijken alsof ik een freak was of zo.
Ik zei: ‘Ze was geobsedeerd door de poel, door wat er allemaal is gebeurd en iedereen die daar ooit is gestorven. Dat weten jullie ook. Zelfs zíj weet dat,’ zei ik, terwijl ik Julia aankeek.
Ze deed haar mond open, maar klapte hem toen weer dicht, net als een vis. Ik wilde hun eigenlijk alles vertellen, het hun duidelijk maken, maar wat had het voor nut? Volgens mij hadden ze het toch niet begrepen.
Sean, inspecteur Townsend, zoals ik hem moet noemen als hij dienst heeft, stelde Julia vragen: wanneer had ze mijn moeder voor het laatst gesproken? Hoe was ze toen overgekomen? Had ze ergens mee gezeten? En tante Julia loog glashard.
‘Ik heb haar in geen jaren gesproken,’ zei ze, en ze kreeg een vuurrood hoofd. ‘We waren van elkaar vervreemd geraakt.’
Ze zag dat ik naar haar keek en ze wist dat ik wist dat ze lulkoek uitkraamde, en ze werd almaar roder, en toen probeerde ze de aandacht van zich af te leiden door aan mij te vragen: ‘Waarom zeg je nou dat ze is gesprongen, Lena?’
Ik keek haar heel lang aan voordat ik daarop reageerde. Ik wilde haar laten weten dat ik dwars door haar heen keek. ‘Raar dat jij dat vraagt,’ antwoordde ik toen. ‘Jij hebt haar toch zelf aangepraat dat ze een doodswens had?’
Julia schudde haar hoofd en zei: ‘Nee, nee, dat is niet waar... Dat heb ik niet zo gezegd.’ Leugenaar.
De andere rechercheur, de vrouw, had het erover dat ze ‘op dit moment nog geen bewijs hadden dat wees op een bewuste daad’, en dat ze ook geen afscheidsbriefje hadden gevonden.
Daar moest ik om lachen. ‘Denken jullie nou echt dat ze iets zou schrijven? Mijn moeder zou echt geen kutbriefje achterlaten. Dat zou zo fantasieloos zijn.’
Julia knikte. ‘Dat is... Dat is waar. Nel zou het leuk hebben gevonden dat iedereen ging twijfelen... Ze was dol op mysterie. En ze zou het prachtig hebben gevonden als men haar dood als een mysterie beschouwde.’
Ik had haar het liefst een klap voor haar bek gegeven. Stomme trut, wilde ik zeggen, het is óók jouw schuld.
De vrouwelijke rechercheur schonk voor iedereen een glas water in en wilde een glas in mijn hand drukken, maar ik kon er niet meer tegen. Ik stond op het punt in janken uit te barsten en dat ging niet gebeuren waar zij bij waren.
Ik liep naar mijn kamer en deed de deur op slot en liet daar mijn tranen de vrije loop. Ik sloeg een sjaal om me heen en snikte zo zacht mogelijk. Ik had mijn best gedaan om er niet aan toe te geven, aan de drang om mezelf te laten gaan, want ik was bang dat er, zodra ik eenmaal begon, geen einde aan zou komen.
Ik wilde de woorden tegenhouden, maar ze bleven maar in mijn hoofd rondtollen: het spijt me het spijt me het spijt me, het was mijn schuld. Ik bleef maar naar mijn slaapkamerdeur kijken en dacht telkens weer aan zondagavond, toen mama me welterusten was komen wensen. Ze zei: ‘Je weet dat ik heel van je hou, hè Lena, wat er ook gebeurt?’ Ik draaide me van haar af en deed mijn oortjes in, maar ik wist dat ze er stond, ik voelde haar daar naar me staan kijken, het was net of ik haar verdriet voelde en daar was ik blij om, want dat had ze verdiend. Ik zou er alles, echt alles voor overhebben om nu op te kunnen staan, haar te knuffelen en te zeggen dat ik ook van haar houd en dat het helemaal niet haar schuld was. Ik had nooit moeten zeggen dat het haar schuld was. Als ze al ergens schuld aan had, dan ging dat ook voor mij op.