Hoofdstuk 67

 

 

 

Een collega meent dat Ries overspannen is en geeft haar het adres van een Brusselse neuroloog.

Ries zit in de wachtkamer en kijkt rond. Hier hoort ze niet. Ze moet opstaan en weglopen, maar het is al te laat: haar naam wordt galmend omgeroepen.

In de witte spreekkamer neemt ze tegenover hem plaats; hij achter, Ries voor het bureau. In rap tempo vertelt ze: ‘Ik ben niet ziek. Ik ben alleen heel erg moe. Ik denk dat het komt omdat ik uitgetreden ben, dat vind ik nog steeds heel erg.’

Luistert hij wel? Hij stelt zijn eigen vragen: ‘Kunt u goed slapen? Hoe is uw eetlust? Hebt u vrienden?’

Ja, vrienden heeft ze wel, ze heeft zelfs verkering, vertelt ze, maar het slapen gaat slecht en het eten is ook niet zo best. Zij kijkt de man niet aan; ze is immers niet ziek en hij zou het kunnen merken, hij zou haar kunnen verwijten dat ze zijn kostbare tijd verknoeit.

‘Gaat u eens staan.’ Hij geeft opdrachten: ze moet haar hoofd, haar armen, haar benen bewegen. Haar handen naar voren strekken. Ze trillen, of trillen ze niet en doet ze alsof? Ze kan ze wel stilhouden, als die stomme, zwarte gedachten maar uit haar kop waren. Misschien geeft hij ook pillen, net als die andere dokter.

God, wat voelt ze zich klein. Ze vraagt hem timide: ‘Geef maar librium, dan kan ik alles weer aan.’

Hij schudt zijn hoofd, een kaal hoofd, met vriendelijke ogen achter brillenglazen; het montuur heeft gouden randen. Met deze man, denkt ze, kan ze praten; een van haar profielschetsen past op hem, ze vindt hem aardig. Heel langzaam voltrekt zich in haar lijf de tweedeling. Het dubbelspel begint weer en de efficiënte Ries is aan zet.

Die stelt, bijna euforisch: ‘Ik zal werk zoeken in Nederland, trouwen met Kees en kinderen krijgen. Gedachten die deze voornemens tegenwerken, zal ik uit mijn hoofd zetten. Het is me nu allemaal heel duidelijk: ik ben niet ziek, ik ben toch niet als die zielige mensen in de wachtkamer: aan hen kun je zien dat ze psychisch gestoord zijn. Ik! Ik!’ ze schreeuwt bijna. ‘Ik stel me alleen maar aan. Ik zoek problemen.’

Draden spant ze van de ene uithoek van haar hoofd naar de andere; warrige spinsels die als een web haar gedachten vangen. Ze moet de dokter niet vertellen van die zwartgallige momenten; hij zou inderdaad kunnen denken dat ze gek is.

Verdomme! Wat zit ze toch te zeuren? Dit wel vertellen, dat verzwijgen; ze moet opstaan en weglopen. Maar opeens voelt ze hoe de vermoeidheid bezit neemt van haar armen, haar benen; haar lijf wordt als lood en drukt haar neerwaarts. Omhoogkomen lijkt onmogelijk. De bazige Ries is uitgespeeld, en de andere geeft zich over als een lappenpop die futloos over de schouder van een kind hangt en naar knuffels verlangt.

De dokter kijkt op van zijn bureau, van het dossier met haar naam, geboortedatum en met aantekeningen die ze niet kan lezen.

‘We zullen u opnemen voor een slaapkuur. Meld u morgen maar.’ Hij slaat het dossier dicht.

 

Spuiten en pillen. Even wakker worden om aan tafel te eten met de twee patiënten uit de andere bedden. Ook slaapkuurders. Ze praten niet. Ze maken alleen eetgeluidjes – zachte, uit beleefdheid voor elkaar – en klikketikken met het bestek. Daarna weer het openslaan van de dekens, een forse duim op een zware spuit en de vloeistof schiet haar lichaam in, maakt haar warm en doezelig. Ze slaapt weer en beseft niet dat er een wereld bestaat.

’s Avonds zijn er pillen op een schoteltje met een groot glas water. De zuster in stijf wit uniform wacht op het doorslikken. Grote ronde borsten heeft ze, waarlangs de gesteven banden van haar schort een halve hoepel vormen.

Kees komt. Ries kan met moeite haar ogen openhouden. Voor zijn liefkozingen kruipt hij haast bij haar onder de dekens. Hij drukt haar handen tegen zijn lippen, houdt ze tegen zijn voorhoofd en fluistert: ‘Ik hou zoveel van je, mooie, lieve Ries.’ Ze laat hem even toe in haar wereld van verdoving en onderbewustzijn, maar niet van harte. Eigenlijk duldt ze hem niet op dit afgesloten terrein waarover ze alléén wil dwalen. Maar als een soort beloning laat ze hem begaan, hij komt immers op de scooter helemaal naar Brussel om haar zijn geluk te brengen. Ze vertelt dat het goed gaat en slaapt weer in. Hij gelooft haar en gaat tevreden naar huis.

Een paar oud-medezusters staan aan haar bed; via via hebben zij vernomen van haar opname. Ries voelt hun ongerustheid.

‘Kunnen wij je ergens mee helpen?’ Hun aandacht voelt vertrouwd. Wat zou Ries graag weer tussen hen in staan als een van hen; haar heimwee is nog niet verdwenen, hun ongecompliceerde leven blijft trekken. Ze bieden haar aan de was te verzorgen. Dan verdwijnen ze weer in de mist van de slaap.

Spuiten, pillen, slapen.

Ries nestelt zich in de kussens: niet denken, niet denken, niet denken, alleen maar slapen. Geen warrige gedachten in haar hoofd, even geen strijd, geen angst, geen pijn. Alleen maar spuiten en pillen.