Hoofdstuk 52
In het internaat schudt Ries haar verhitte krullenkop en veegt via de halsopening van haar witte blouse jeukend zweet tussen haar borsten weg. Wonderlijk zachte borsten, de volle rondingen liggen in haar hand. Ze verstart: ook geen moederschap.
Ze glipt de kapel binnen. De deuren staan wijd open. Het rozenhoedje voor het lof is al begonnen. Het beantwoorden van de Onzevaders en Weesgegroeten verloopt in etappes. Het amen van de kwekelingen resoneert zelfs niet meer als de laatste woorden door de zusters met hun plechtstatige ritme ingezet worden. Ries loopt op haar tenen. Ze hapt adem, houdt hem in haar longen vast en baant zich vlug een weg door de atmosferische dijk van benauwde lucht, die als een bedorven reukoffer achter in de kapel hangt en afkomstig is van de talrijke rokdragende kloosterlingen.
Bijna hollend stapt ze naar voren. Derde stoel, tweede rij rechts. Over de benen van haar klasgenoten heen stappend vindt ze haar plek. Met de ellebogen op de gladde bidplank en het hoofd in haar handen zegt Ries als tegen een vriend dwars door het monotone geprevel heen: ‘Jezus, doe met mij wat u wilt. Ik weet het niet meer zo goed.’ Dan bukt ze zich, pakt haar rozenkrans, die onder de stoel op het plankje naast haar missaal ligt, kijkt bij haar buurvrouw bij welk tientje ze zijn en antwoordt automatisch mee. De turbulentie zakt weg. Ze voelt zich een maffe kever waarvan ze zelf de poten uitgetrokken heeft. Het muffe idee om in te treden, gelanceerd als gemakkelijke oplossing voor alle problemen, slikt ze weer haar keel in. Wat is ze een stomme, onderdanige trut.
Een heldere nonnenstem bidt de litanie van de Heilige Maagd Maria. Zuiver als kristallen klinken de titels door de kapel:
Allerreinste Moeder, bid voor ons.
Zeer kuise Moeder, bid voor ons.
Maagdelijke Moeder, bid voor ons.
Onbevlekte Moeder, bid voor ons.
Ries vouwt haar handen, knijpt de knokkels wit, buigt zich voorover en duwt de emoties die als razende torren in haar omhoogkruipen, terug. Ze zou alles ongedaan willen maken.
De dagen erna zwijgt ze. Ries praat met niemand over het bezoek aan haar Tantezuster.
Krampen in haar buik en anarchie in de kloostergelederen: de vaste volgorde bij het ter communie gaan is verstoord. Ries merkt het vanaf een rare plaats: ze ligt plat op de koude kapelvloer bij te komen van een flauwte. Wervelende rokken in plaats van rustig geruis en bedaarde voetstappen. Vanaf het moment dat de rector met de ciborie de communiebank naderde, lopen de religieuzen kriskras door elkaar en verstoren de anders zo regelmatige cadans van het bank-voor-bankgestommel. Reden van deze wanorde: uitbanning van de kuddegeest en versoepeling van de regels ter bevordering van de eigen religieuze verantwoordelijkheid.
Ries’ flauwvallen heeft met deze ordeverstoring niets te maken. Het gewirwar van de religieuzen heeft alleen tot gevolg dat het weer bij haar positieven komen haperend verloopt; haar hoofd duizelt langer. Ze rekt het buiten kennis zijn en blijft met gesloten ogen loom op de koele kapelvloer liggen. Een vredig gevoel maakt zich van haar meester, de noodremschok van het bewustzijnsverlies heeft de rit onderbroken van de door haar hoofd racende trein van oorzaken en gevolgen.
Zuster Monica, eindelijk weergekeerd van de wanorde, helpt haar overeind. Ze leidt Ries langs de banken met de inmiddels herstelde rangorde: vooraan de kwekelingen, dan de postulanten, daarachter de witgesluierde novicen, dan veel banken met gewone zusters en als laatsten de leden van de hoge raad met de algemene overste.
Als ze de bank van de jongste Tantezuster passeert, geeft die Ries een bemoedigende knipoog vanuit haar even zijdelings gedraaide kap. Zou ze het nieuws doorgekregen hebben? Ries heeft haar na de visite aan haar zus bewust gemeden, ze voelt immers dat ze zich met de toezegging om bij hen in te treden heeft vergaloppeerd.
In de lange, nog lege gang, waar de geur van de ontbijtkoffie al hangt, begint zuster Monica een gesprek; fluisterend, alsof ze het gewijde moment van de pas ontvangen communie wil eerbiedigen. Ries realiseert zich dat, als de zuster echt gelooft, ze nu loopt in de tegenwoordigheid van Jezus zelf. Ze neemt met enkele passen afstand van zuster Monica.
‘Je hebt ons weer laten schrikken, Ries. Hoe voel je je nu? Je hoeft je toch niet druk te maken over je studie, je slaagt met vlag en wimpel. Maar je moet wel beter eten.’ Ries proeft bezorgdheid en laat haar praten. Maar ze is op haar hoede. Dit zijn zwakke momenten die haar loslippig kunnen maken doordat een stom gevoel van zelfmedelijden haar tot openhartigheid drijft.
‘Je hebt je tante verteld van je besluit om bij ons in te treden. Ik vind het fantastisch, je bent er het juiste type voor. Treed je meteen in of wacht je wat langer?’
De trein die Ries op dood spoor gerangeerd dacht te hebben door er niet meer over te praten, dendert gewoon verder. Ze heeft verwachtingen gewekt, toekomstbeelden gecreëerd waarvan ze zelf gruwelt, en nu ze rechtstreeks geconfronteerd wordt met wat ze heeft toegezegd, kruipt ze in haar schulp. Ze wil zich verbergen, doen alsof er niets gebeurd is. Ze negeert de vragen. Ze verwarren haar, en ze vlucht voor de door haar zelf uitgelokte vriendelijke bejegening. Ze zit klem.
Gisteren beschreef ze haar stomme onnozelheid nog in haar piepkleine zakagendaatje. Dat gaf haar het gevoel dat ze haar problemen met iemand deelde. Ze hoefde niet naar woorden te zoeken, die stonden in haar geheugen gekerfd. Met het voor haar duidelijke maar voor anderen onleesbare gekriebel heeft ze het bezoek opgetekend, met aan het eind de aan haarzelf gestelde vraag: ‘naar het klooster ????????????????????’ Met zoveel vraagtekens als er op het velletje pasten.