Hoofdstuk 1
De deurbel. Ries spitst haar oren. Je moet heel sterk zijn om de koperen bel ver uit te kunnen trekken. Als je hem dan loslaat, springen er in het huis klinkende klingels rond. Ze denderen de trap op, weerkaatsen tegen het plafond en de muren tot ze over de grond rollen en hun geluid in de kokosmat is gekropen.
Soldaten kunnen hard trekken. En Toon is soldaat. Hij is groot en sterk. Op zijn jas zitten twee rijen knopen die blinken als goud. De kepie op zijn hoofd lijkt op een omgekeerd bootje. Ries zit onder de tafel zo stil als een muisje in zijn holletje. Ze houdt haar adem in en luistert naar zijn voetstappen op de trap, op de overloop, in de gang. Nog even, dan roept hij: ‘Ries, waar zit je?’
Hij trekt de gangkast open. Zijn grommende stem kruipt in de oude jassen. Als een grote hond neust hij in de keuken, onder de divan, onder het buffet. Ries ziet hem rondsnuffelen. Ze duikt nog dieper weg en speurt van onder het pluchen tafelkleed naar zijn militaire benen met de glimmende beenkappen. Ries kruipt in elkaar van spanning en wacht tot hij het kleed optilt, haar beetpakt en haar op zijn schouders zet.
Toon is een neef uit Limburg. Sinds enkele maanden is hij gelegerd in een kazerne in de buurt van hun stad. Telkens als hij op bezoek komt, zet hij plechtig zijn kepie op haar hoofd en zegt: ‘Jij bent mijn adjudant.’ Ries verkneukelt zich. Hij is er weer. De bel tingelde hard.
Maar Toon zoekt helemaal niet. Van onder het tafelkleed ziet Ries dat hij gewoon rechtop loopt. Ze zakt teleurgesteld tegen de tafelpoot aan, wrijft over de jeukende ribbels op haar knieën, steekt haar duim in de mond en sabbelt zo hard dat de duim tegen haar verhemelte kleeft. De grote mensen zijn ernstig. Ze praten op een fluistertoon en lachen niet. Waar is hij nou? Ze veert omhoog, stoot haar hoofd tegen het tafelblad en zakt weer terug op haar knieën. Enkele haren zitten vast aan het ruwe hout. Boos, maar vooral verdrietig trekt ze haar krullen los.
Toon gaat gewoon naast Papa zitten. Ze wil onder de tafel weg. Ries zoekt een uitweg, maar benen en stoelpoten versperren die. Ze blijft zitten, zuigt hard op haar duim. Gedachten kruipen door haar hoofd. En opeens weet ze wat ze gaat doen: benen tellen. Ze kijkt rond: lange en korte benen, wiebelbenen en stabenen. Ze weet wie eraan vastzitten.
De twee benen van Mama. Haar voeten in brede, zwarte schoenen staan ver uit elkaar. De zwarte kousen glanzen over de dikke bulten, enge, paarse bulten die kunnen openspringen. Ze had Mama’s benen gezien, laatst, toen tante Mien op bezoek was.
Tante Mien is een zus van Mama. En mager dat ze is! Papa lacht haar weleens uit, maar alleen als ze niet in zijn buurt is. Zijn brede mond buldert de lach dan naar alle hoeken van de kamer en terwijl hij zich op zijn knieën slaat van plezier, roept hij: ‘Ze is zo mager als een plank met twee erwtjes, die zuster van jou.’ Mama is zo dik dat haar billen niet op de stoel passen.
Mama en tante Mien vertellen elkaar altijd geheimen. Ze staan dan heel dicht tegen elkaar aan, bouwen schuttinkjes van hun handen en smiespelen sissende woorden. Maar eerst jagen ze de kinderen weg: ‘Ophoepelen, jullie. Ga maar buiten spelen.’ Soms duikt Mama de keukenkast in en tovert toffees tevoorschijn. Ze geeft ze aan Gerrit om te verdelen. Likkend en sabbelend vertrekken ze dan; Gerrit voorop als een heerser die de stoet leidt.
Laatst stonden Mama en tante Mien weer met zijn tweeën in de keuken, de deur stond op een kier. Ries had geen zin in de spelletjes van haar broers en hing een beetje tegen de muur van de gang. Ze kon precies de keuken in kijken. Mama tilde haar rokken op. Een grote witte onderbroek spande zich strak om haar dikke billen. Mama en tante Mien bogen zich voorover, en Ries zag hoe de spitse wijsvinger van tante Mien van beneden naar boven op Mama’s benen wees.
‘Maar Gerda!’ De stem van tante Mien klonk angstig piepend. ‘Wat heb jij veel spataders. En van die grote!’ Ries, nieuwsgieriger, stak haar hoofd de keuken in en zag de dikke bulten en de dunne blauwe slingerdraadjes ertussen. ‘Tjee, Gerda, je mag wel verschrikkelijk oppassen dat je je benen niet stoot. Ze kunnen springen hoor, en dan kun je doodbloeden.’
Doodbloeden! Doodbloeden. Doodbloeden. Het woord echode door de keuken, door de gang, rende samen met Ries de trap af, trok aan het touw, rukte de buitendeur open die met een harde klap tegen de muur vloog en vluchtte met Ries naar buiten. Op de stoeprand hijgde Ries uit. Ze zette haar voeten in de goot, de ellebogen op de knieën en kneep haar ogen stijf dicht. De blauwe bulten werden rode, draaiende bollen; haar duim kroop haar mond in. Ries wilde niets meer horen, niets meer zien. Maar dat lukte niet. De bulten rolden als knikkers door haar hoofd. ’s Nachts droomde ze dat alle bulten als ballonnen kapot sprongen. Een voor een. Het bloed spetterde tegen de muren en langzaam sijpelde de hele kamer vol. Mama stond er middenin. Ze ging bijna kopje-onder. Ries gilde. Gelukkig stak tante Mien haar hand uit, trok Mama uit het bloed en draaide wit verband rond haar benen. Mama was gelukkig nog niet dood, maar wel bijna.
’s Morgens rende Ries de trap af. Zou het echt gebeurd zijn? Maar daar zat Mama gewoon aan tafel. Ze sneed het brood, smeerde de sneden, doopte ze in de suikerpot en bouwde voor ieder een stapeltje. Voor ze in haar eerste boterham hapte, tilde Ries het tafelzeil op en loerde stiekem naar Mama’s benen. De zwarte kousen glansden over de dikke bobbels.
Mama leunt met haar ellebogen op tafel. Haar puntige buik steekt naar voren en de lange, zwarte rok hangt als een zak tussen haar benen. Als Ries zich nou eens heel klein maakt, zo klein als een babykangoeroe, dan zou ze zo in die wijde zak kunnen kruipen. Maar ze weet al wat Mama zal zeggen: ‘Ries, je bent te groot voor die dingen.’ Ze mag niet meer op schoot. Treesje en Herman mogen wel. Vijf jaar is al groot, en Mama heeft een heel dikke buik. Toch zou ze nog wel een keer, één keertje maar, haar hoofd op de zachte borsten willen leggen, haar ogen sluiten en dromen dat ze nog heel klein is.
‘Droomjuffertje, zit je weer te dromen?’ Papa zegt dat altijd als ze duimend in een hoekje van de kamer zit.
Ries telt verder: drie, vier. De benen van Papa. Hij heeft een been over het andere geslagen. Het beeft alsof het ergens bang voor is. Hij gaat straks werken, want hij heeft zijn dikke fluwelen spoorbroek aan. Papa rijdt ook in het donker met de trein. Dat kan, want aan de zijkanten van de locomotief hangen lantaarns en voor op zijn kop heeft het grote ijzeren trekpaard twee ooglampen. Papa moet het vuur stoken en er kolen op scheppen. Als het water in de dikke buik van de locomotief stoom is geworden, beginnen de wielen te draaien.
Soms moet Papa midden in de nacht opstaan. Samen met Mama gaat hij naar beneden. Half wakker hoort Ries ze weleens als ze de krakende trap af gaan; ze luistert dan naar het gerommel in de keuken. Ries weet precies wat Mama allemaal doet: ze zet thee en smeert Papa’s boterhammen. De hete thee giet ze in een beugelbierfles, en daar draait ze een blauw-witgeblokte handdoek omheen, waarin ze ook een stukje zeep wikkelt. Zo blijft de thee warm en kan Papa zich wassen. De boterhammen stapelt ze in de gebloemde blikken trommel. Die heeft een deksel en als je daar met je nagel over krast, hoor je ribbeltjesmuziek. Mama rekt een fietsbandelastiek uit dat ze om de trommel schuift.
Van fietsbandelastieken kun je stuiterballetjes maken. Als Papa goede zin heeft, knipt hij een hele band kapot, ook al heeft hij maar twee elastieken nodig. Leendert en Gerrit draaien de berg elastieken om een stevige prop papier en hollen dan dol van plezier achter het stuiterende balletje aan, graaien het telkens weer voor de grijpende handen van de kleintjes weg. Hels is het gekrijs. Bang dat de onderburen met hun bezemsteel tegen het plafond zullen kloppen, roept Mama: ‘Ga alsjeblieft naar buiten met dat ding.’
Ries telt verder. Ze begint weer vooraan. Ze kan wel tot tien, maar alleen heel vlug achter elkaar. ‘Een, twee, drie, vier,’ raffelt ze af, ‘vijf, zes, zeven, acht,’ telt ze langzaam verder. Vier bengelende benen op een rij, vier zwarte kniekousen met rode boorden. De witte, ronde knieën zijn van Leendert, de witkop. Hij heet net als Papa, maar hij lijkt niet op hem. Daarnaast de geschramde bruine van Gerrit, de durfal. Ineens maken de benen ruzie, ze schoppen elkaar en haken om elkaar heen. Een stoel schuift woedend over het zeil, de benen van Papa staan ineens recht. Er vallen kletsende klappen. De vechtende benen schieten los, bengelen nog even en hangen dan stil.
De volgende twee benen staan stevig op de grond in blinkend gepoetste molières met kartelrandjes langs de zool. Frits, trots op zijn mooie glanzende schoenen, heeft het moeilijke woord zo vaak met haar geoefend dat het nu zomaar van haar tong rolt. Vlak onder zijn knieën blinken twee gouden gespen, waar de broekspijpen overheen poffen. Frits draagt als grote broer een plusfour. ‘Een drollenvanger,’ pesten de jaloerse jongere broers, die zelf nog korte broeken met kniekousen dragen. Na de grote vakantie wordt Frits al vijftien, maar dan woont hij niet meer thuis. Hij gaat voor broeder leren op een juvenaat. Trots vertelt hij dat aan wie het maar horen wil, en slaat daarbij zijn blik ten hemel alsof hij weet dat hij daar later zeker terechtkomt.
De langste benen staan naast die van Frits, ze zijn van Dirk. Ze zitten in een lange broek die meetrilt op het zenuwachtige gewip van zijn voeten. Dirk is haar oudste broer, Ries is het oudste meisje. Dirk is erg groot, zij nog maar heel klein. Ze houdt niet van zijn donkere blikken, meestal glijden die over haar hoofd alsof ze haar niet willen zien. Misschien vindt hij meisjes niet leuk. Zij mag van hem nooit meespelen. Ries is jaloers als hij met de broers over de vloer rollebolt en zijn donkere lach tussen de heldere jongensgillen kruipt.
Voor Mama doet Dirk alles. Samen kloppen ze de matten, vouwen ze de lakens en maken ze de bedden op. Hij is ook niet vies van de in een emmer opgespaarde poepluiers van Herman. Hij schudt ze uit, gooit het vieze water in de wc en werpt de luiers in de grote wasketel die op het fornuis staat te pruttelen.
Ineens gaat het tafelkleed een eindje omhoog. Lamplicht weerspiegelt in de kaplaarzen, en Ries kijkt in het lachende gezicht van Toon. Ze maakt plaats voor zijn benen, die hij uitstrekt. Hij legt zijn vinger op zijn mond: nee, hij zal haar niet verraden. Het kleed zakt weer naar beneden. Toon praat ernstig verder met Papa en Mama.
‘Er komt oorlog, zeggen ze in de kazerne. We moeten paraat zijn. Hitler is op expansietocht. We zullen niet neutraal kunnen blijven.’
Papa staat op, zet de radio aan en zoekt de zender. Tussen het piepen en knarsen zitten losse woorden. Opeens klatert er een heldere zangstem door de kamer. Papa draait verder aan de knoppen en gromt. Dan een zware mannenstem die plechtig het nieuws verkondigt: ‘Hitler, die Oostenrijk binnen is getrokken, wordt op dit moment in Wenen door een dolenthousiaste menigte toegejuicht.’
‘Zet maar uit,’ zegt Mama. Ze staat op en verlaat de kamer. Ries kan onder de tafel uit glippen, maar ze blijft zitten. Toon zet zijn schoenen naast elkaar, mooie hoge schoenen met gaatjes en haakjes met bolle knopjes als parapluutjes. De jongens hebben ook van die schoenen, maar niet zo hoog, en er zitten weinig haakjes aan. Ze trekt de hoge schoenen van Gerrit weleens aan en kruist de lange veters dan heel vlug onder de bolle knopjes.
Zij heeft zwarte lakschoenen met knoopjes. Als haar tenen opgepropt zitten en de knoopjes niet meer dicht kunnen, pakt Papa een ijzeren haakje en trekt de onwillige knoopjes door het gaatje.
Op de keukenstoel met gladde poten zit Teun. Zijn kromme beentjes steken over de rand van de ronde zitting. Teun is zes jaar. Met een houten lepel timmert hij op de tafel. Van Sint-Nicolaas kreeg hij een echte trommel, maar Mama heeft het ‘lawaaiding’ gauw boven in de kast gezet.
Wat mogen ze lang opblijven. Is Mama de kleintjes vergeten? De twee allerkleinsten, Treesje en Herman, heeft ze om zes uur al naar bed gebracht. Ries wiegelt naar voren, trekt haar hoofd naar achteren en voelt dat ze al heel groot is. Het zusje van drie is echt klein, en Herman van twee nog kleiner.
Mama komt terug uit de keuken. Ries steekt haar neus in de lucht en snuift. Frieten. Mama zet de vergiet met de lange gele frieten midden op tafel. Ze strooit er zout over en geeft ieder een portie op een schoteltje. Toon tilt het tafelkleed op en trekt Ries op zijn knie. Ze zoeken de langste friet. Toon vindt die. Ze meten en happen om beurten.