Hoofdstuk 47
Haar klasgenoten staan met de rug tegen de muur en kijken naar Ries met blikken die snijden als pas gewette slagersmessen. Kervend. Dwars door haar heen kijken ze, ofschoon Ries hun ogen niet kan zien. De zon schijnt te fel en de muur is te ver weg. Ze draalt op het bordes, wringt haar vingers tussen de knellende gummiboord en haar nek, strikt de zijden lavallière die is losgeraakt en drapeert de lussen opnieuw over haar zwarte internaatsjurk.
Dan loopt ze aarzelend de vier treden af. De muffe lucht meetronend uit het kamertje waarin het verraad plaatsvond. De slijmerige woorden die ze zacht voor zichzelf repeteert en waarmee ze tot klikken werd aangezet, malen haar gevoel tot gruis. Haar benen lopen niet; het is alsof ze drijft, gevoelloos naar de groep klasgenoten tegen de muur wordt gestuwd. Ze prepareren de confrontatie. Ries ziet ze hun ruggen rechten, een been heffen en de voet met de zool plat tegen de muur drukken. Ellebogen zoeken achterwaartse steun.
Nog enkele meters, en de enorm lijkende speelplaats heeft ze overbrugd. Dichterbij komend ziet ze hoe de meisjes hun nekken strekken. Hun dreigende blikken flikkeren. Vijandigheid wolkt haar tegemoet. Verstikkend.
Ries houdt op haar gezicht een luchthartige uitdrukking. Ze verschuilt zich erachter als achter een masker. Haar klasgenoten zeggen niets. Ze vormen een eenheid, een blok, massief. Ze sluiten haar buiten en houden haar op afstand.
Ries zwijgt, schuifelt wat rond, zoekt aansluiting in een andere, rondslenterende groep van haar klas, maar ontmoet ook hier strakke gezichten terwijl de ineengehaakte armen hechter samentrekken. Vijandigheid overal.
Is iedereen over haar vergrijp geïnformeerd? Nieuwtjes doen vlug de ronde binnen een kostschoolpopulatie. En daarbij heeft ze een code doorbroken die aan je wordt doorgegeven op de eerste dag van je leven als pensionaire. Ries zweet in haar zwarte goed.
In de steek gelaten draait ze rond haar as en kijkt tussen de verspreid staande groepjes door naar een vogel in een boom. Ze kijkt hem na als hij opvliegt. Dan richt ze haar blik op de grauwe tegels en begint te tellen; alle tegels van de rechthoekige speelplaats telt ze. De trappen van het brede bordes neemt ze er ook bij. Eerst telt ze de rijen in de lengte, dan het aantal per rij. Het vermenigvuldigen in haar hoofd mislukt. Het verraad ligt misselijkmakend als een steen in haar maag en blokkeert haar denken.
Omzichtig loert ze naar haar vriendinnen. Want dat zijn ze: vriendinnen. Ze hebben gezworen lief en leed met elkaar te delen. In de loop van de jaren dat ze elkaars leven delen, hebben ze een soort pact gesloten met solidariteit als uitgangspunt. Ze heeft zich in deze vriendschap geborgen gevoeld als een kind in de moederschoot.
Pijn sluipt van haar buik naar haar maag, de krampen doen Ries ineenkrimpen. Een zenuwtrek vertrekt haar mond tot een grijns die de indruk wekt dat de hele affaire haar niet aangaat. Ondertussen houdt Ries de bewegingen van de anderen scherp in de gaten.
Opeens splijt het blok. Als bij het orakel van Delphi treedt er een priesteres naar voren: Suzanne. Haar stem verheft zich, wordt krijsend, neemt andere stemmen mee. En plots klinkt het in koor: ‘Waarom heb je ons verraden?’
Als een te stenigen vrouw tronen ze haar tot in hun midden mee en leiden haar naar de muur, duwen haar ertegenaan met hun armen, hun lijven, hun adem die briesend de woorden meevoert: ‘Waarom heb je geklikt?’
De stenen schuren haar uniform. Ries schuift haar handen met de rug over haar billen en betast de harde muur, die warm en korrelig aanvoelt. Ze tilt een been achterwaarts en plaatst de voetzool plat tegen de muur. Niet-strijdvaardig buigt ze door en laat haar hoofd hangen; ze is zich van haar schuld bewust. Hun gezichten boven haar vermoedt ze wit en hard met ogen die fonkelen. Ries kijkt in het donkere gat tussen wanden van stijve uniformen waaronder voeten stampen van woede en ergernis. Kil trekt het woord ‘geklikt’ door haar heen; het schakelt het laatste restje licht uit. Het uitgespaarde stukje speelplaats tussen hen en Ries licht op als een helder scherm, waarop haar verraad zich nog eens als een film afspeelt. Met scherpe details. Een film die koud enkele uren geleden is opgenomen en zich nu als een primeur voor haar ogen ontrolt, terwijl haar medespeelster haar vanaf het bordes toelacht als een zegevierende complice. Haar zwarte figuur tekent zich spookachtig af in de felle namiddagzon, alleen haar witte kap licht als een aureool van heiligheid op rond het jonge gezicht dat Ries tot dit verraad verleidde. Laf als een hond die de hielen van zijn meester likt, heeft ze dubbelspel gespeeld. Ries weet het. Het heeft haar in tweeën gespleten en verdeeld en het doet haar nu tegen de ruwe muur belanden. Een muur die recht lijkt te spreken door de ontelbare vensters die als levende ogen meeloeren.