Hoofdstuk 48

 

 

 

‘Waarom ben je tegenwoordig zo stil, Ries?’ vraagt zuster Monica enkele weken later. Ze fronst rimpels in haar gladde voorhoofd. De donkere ogen en de korte zwarte haartjes achter in haar nek maken haar vrouwelijk fragiel. Ries antwoordt niet, steekt haar vinger in de ronding van een op de tafel liggende schaar en slingert die met open bek wild over het gladde blad. Ze zwijgt.

Voorzichtig, maar routineus draait ze ’s avonds zachtjes de houten knop om, tilt de deur een eindje omhoog om een schrapend geluid over de vloer te voorkomen en opent haar kastdeur. Een 4711-geur zwerft de cel in. Ze vond de eau de cologne laatst op het bed met enkele witte zakdoeken, cadeautjes van Tantezuster die regelmatig haar kleding inspecteert op afwezige knoopjes, kraagjes of lintjes. In de zakdoeken had ze Ries’ kostschoolnummer genaaid. Haar hand grijpt in de zwoele lucht, kromt om het houten beschot naast de open kastdeur en pakt het ronde flesje, waarin haar laatste kalmeringsdrankje zat. De lichten zijn uit, de ronde van de zaalzuster is voltooid, het eerste gesnurk dwaalt boven de cellen. Ze weifelt met het flesje boven de dekens. Zondigen, biechten, ter communie gaan; in die volgorde draaien de handelingen eindeloos rond, als in een carrousel. Ze zet het flesje terug en pakt het weer. Dan verdwijnt het schielijk onder de dekens. Met stijf dichtgeknepen ogen en flitsende rode bollen achter de oogleden bewerkt ze haar lichaam. Diep en woest woelt en draait ze het koele glas in haar onderlichaam, wanhopig verlangend naar dat ene genot. Als de top bereikt is, tuimelt ze terug in de diepe afgrond, waarin de even stilgezette carrousel het eentonige, intreurige liedje speelt: zonde, zonde, zonde.

De volgende dag sleept Ries haar moedeloosheid weer mee de kapel in. Zien ze dat ze niet ter communie gaat? Merkt de rector dat ze weer zwak was? Ries is overtuigd van zijn begrip voor haar. Hij weet alles van haar, ze merkt het aan zijn oogopslag; zijn dromerige blik seint een speciaal voor haar bestemde vertrouwelijkheid uit, denkt ze. Het geeft haar een veilig gevoel, gelooft ze.

Verlegen, zijn hulpeloze gedraal aanziend voor bezorgdheid, vraagt ze hem om raad, zonder woorden. Hij kent haar problemen immers al van de biecht. Hij stelt een onderzoek door een gynaecoloog voor.

Door wie de afspraak gemaakt wordt, blijft duister. Weet Mama hiervan? Haar mond blijft gesloten en Ries praat ook niet.

‘Geen afwijking,’ constateert de gynaecoloog, ‘alleen wat overgevoelig.’

De vicieuze cirkel is niet te doorbreken. Haar lichaam lijkt in een wurggreep geschroefd. Losworstelen lukt niet. De adviezen uit de biechtstoel blijven zonder resultaat. Ze houdt haar handen boven de dekens en prevelt schietgebedjes ter afwending van de bekoring, maar de verbinding tussen haar onder- en haar bovenwereld is allang verbroken. Tussen wat ze denkt en wat ze beleeft heeft Ries de communicatielijn rigoureus doorgesneden. De kracht die ze nodig heeft om het ondergrondse gepruttel afgesloten te houden en de kwalijke dampen niet te laten ontsnappen, versterken haar spieren zozeer dat ze trefzeker de opgegooide bal tot ver op het sportveld slaat en in een run langs alle honkpalen rent. ‘Hé, Ries, speel je mee?’ is dan ook een bekende kreet.

Ze vindt het heerlijk om te excelleren. Haar onophoudelijke hunkering naar waardering maakt haar rebels, kwajongensachtig, een durfal die vooroploopt bij het uithalen van geintjes.

Met Rinie, een meisje uit haar klas, heeft ze een band; geen echte vriendschapsband, maar ze haalt fouten uit haar Nederlandse teksten, bij haar licht ze in gesprekken soms een tipje van de thuissluier op als ze na een vakantie terugkomen op het internaat. De omgang geeft haar het gevoel naast een persoon te lopen die al volwassen is; ze voelt zich zo klein dat ze zelden deelt en meestal slechts luistert.

Bij het schrijven van opstellen leeft ze zich al dromend in de personages in, beschrijft ze in gevoelige details de omgeving en weet ze hier en daar een literair accent te leggen. En ze geniet als bij het bespreken van de opstellen het hare eruit wordt gepikt en de lerares Nederlands er stukjes uit voorleest.

Diezelfde lerares verwaardigt zich soms ook de leerlingen actief aan het werk te zetten met het redekundig en taalkundig ontleden van ingewikkelde zinnen. De Nederlandse tekst maakt ze zo lang dat ze het hele bordoppervlak nodig heeft. Ontleden is voor Ries een feest, voor Rinie een nachtmerrie. Het spiekbriefje wordt langs de rijen van de ene hand in de andere gesmokkeld, tot ook Rinie de gewenste taal- en redekundige benoemingen op papier heeft staan. Totdat Rinie wordt betrapt, wat haar een dikke onvoldoende oplevert voor een zwaar meetellend rapportcijfer.

Het exact beschrijven van alle handelingen, invloeden, uitkomsten, doelen en functies van uitgevoerde natuurkundeproeven beleeft Ries als het breien van een trui met een ingewikkeld patroon. Haar onrust verdwijnt als ze systematisch moet denken, en het behaalde hoge punt streelt haar eerzucht, terwijl de vriendelijk aanmoedigende blik van onder de kap van deze door alle kwekelingen geliefde lerares haar doet blozen.