Hoofdstuk 19
Het zomert al. De blaadjes aan de bomen ontvouwen zich. Gezamenlijk werpen ze al schaduw in het park waar met de armen wijd gespreid het Heilig Hartbeeld staat. Volgende week vrijdag vieren ze zijn feest. Vanuit school zullen ze in processie op de stenen trappen bloemen leggen. Soeur Imelda heeft haar klas gevraagd om bloemen mee te brengen of zelf een bloemstukje te maken voor de huldiging. Ries weet het al: ze gaat margrieten plukken en er een hart van maken. Het is woensdagmiddag. De wasketel staat op het fornuis.
‘Wil jij erop letten, Ries? En dit stuk zeep erin snipperen?’ Mama geeft Ries een groot stuk Sunlight-zeep. Frits wil wel helpen. Zo staan ze samen voor het grote fornuis in de keuken. Ries leunt tegen de koperen stang die vastgehaakt zit in blinkende knoppen en helemaal rond het fornuis loopt. In de kromming van de stang hangt de blauwgeblokte handdoek te drogen. Ze schuift hem opzij en pookt het fornuis op; de was moet koken. De ronde zinken ketel begint te pruttelen. Van onderuit kruipen bellen omhoog en ze spatten boven op het vuile wasgoed uiteen. Uit elke bel ontsnapt met een ploef wasem. De temperatuur in de keuken stijgt. Met een scherp aardappelschilmesje snijdt Ries reepjes van het stuk zeep. Dunne, grauwgroene plakjes. Ze gaat op haar tenen staan om de schilfers in het hete sop te kunnen mikken.
Frits roert met een stok in de was. Af en toe vist hij een kledingstuk uit de ketel, houdt het druipend omhoog en slingert het heen en weer. Druppels vallen op de hete kachelplaat, en verdampen sissend in kringeltjes rook. Dan laat Frits het goed weer in de ketel ploffen en stampt het met de stok terug in het sop. Lachend kijkt hij Ries aan. ‘Leuk hè?’ Hij doet het nog eens.
‘Laat dat! Je kliedert me helemaal nat.’ Ze gaat een eindje van de kachel af staan. De zeep is een rond bolletje geworden. Ze kerft er ogen in, een neus en een mond. Aan weerszijden oren. Het voorhoofd is hoog, zoals bij knappe mensen. Ries’ tongpuntje hangt van inspanning uit haar mond.
Onverwachts fluistert Frits: ‘We zijn alleen thuis!’
Ze schrikt op. Het mesje schiet uit over de glibberige zeep en snijdt in haar vinger. Bloed op de zeep. Ze kijkt ernaar. Toen Mama met de anderen naar de markt ging en Frits voorstelde dat Ries hem met de was zou helpen, kreeg ze weer pijn in haar buik. Scherpe pijn die steekt. Ze weet immers wat Frits bedoelt. Zal ze het zeephoofd in de ketel gooien en weglopen? De deur staat op een kier…
Maar haar benen bewegen niet. Ze lijkt wel zo’n trekpop, die Frits kan laten bewegen wanneer hij maar wil. Ze kijkt de gang in, die langer lijkt dan anders. Door het kleine deurraampje schuift de zon stralen naar binnen die een geel vierkantje tekenen op de rode loper. Frits hangt nog steeds met zijn ellebogen op de rand van de wasketel. Schuin naar beneden herhaalt hij: ‘Ries, we zijn alleen thuis. Kom, even maar.’ Hij schudt zijn armen los en loopt op haar af. Het zeephoofd, nat en glibberig, glijdt uit haar handen en rolt onder het fornuis. De wat lui uitgevallen poes holt er met opgeheven staart achteraan. Ries legt het mes op tafel. Frits duikt op de grond en raapt het hoofd op. Grinnikend bekijkt hij het van alle kanten. ‘Ben ik dat?’
Dan gooit hij het met een grote zwaai in het sop en duwt haar op de grond. Zelf laat hij zich ook vallen en bonkt tegen de keukendeur, die met een harde klap dichtslaat. De deur siddert nog even na. Dan is het stil in de keuken. Alleen het gepruttel van de wasketel is nog hoorbaar. De kat rolt zich weer op onder de tafel.
Frits kruipt tegen haar aan. Ries scharrelt terug, weg van hem. Ze neemt haar armen en benen mee, drukt ze stijf tegen haar lichaam en maakt zich heel klein. Ze kent het spelletje, steeds weer hetzelfde, dat haar zo in de war maakt omdat ze het niet wil. Een afschuwelijk, vies spelletje. En nu is hij zelfs broeder geweest. Mag het dan toch, wat hij met haar doet? Doen broeders die spelletjes ook? Ze weet het niet. Ze duwt hem weg. Haar hoofd, haar armen en benen, ze willen allemaal tegelijk weglopen. Maar ze zijn even versteend als de granieten vloer.
Als spinnen met lange griezelpoten woelt de pijn in haar buik. Frits laat zich tegen haar aan vallen als een zware zandzak. Zijn lach is van zijn gezicht verdwenen en zijn grote donkere ogen staan zielig, schooierachtig, vindt Ries, alsof hij een arme jongen is die verwend moet worden. Ze zweeft boven hem en denkt aan haar pop. Ze heeft het dasje af. Het is lang genoeg en past precies om de nek van de pop. Ze kan er zelfs een knoop in leggen. Een jurkje is moeilijker. Een broekje breien kan ze wel; dat is gemakkelijk. In haar hoofd zet ze de steken op: de draad tussen duim en wijsvinger van de linkerhand, en met de breinaald in de rechterhand lussen maken die als steken op de naald schuiven.
Hij trekt aan haar jurk. Ze verheft zich een beetje, bang dat haar jurk verder kapotgaat; in de rok zit al een scheurtje. Nu ze op de grond zit, voelt het fornuis niet zo warm. In de asla vallen vurige kooltjes uit het rooster. Ze gloeien als lampjes en doven langzaam uit. Het lijkt op een dier met ijzeren leeuwenpoten en een grote vurige muil. Ries zou het willen aaien en vragen om Frits met die enorme muil weg te blazen. Maar Frits pakt haar hoofd met beide handen beet en zijn tong rolt door haar mond; zijn speeksel smaakt zilverig vies. Ze probeert haar gezicht van hem weg te draaien, maar hij houdt haar stevig vast.
‘Misschien komen ze wel gauw thuis,’ lispelt ze met een verwrongen mond.
Frits lacht. ‘Nee hoor, dat duurt wel even.’ Hij laat haar hoofd los en trekt haar broekje omlaag.
‘Nee, niet doen!’ Ze duwt zijn armen weg, maar hij pakt haar stevig beet en fluistert hard in haar oor: ‘Toe nou maar. Je bent toch mijn zus. Ik zal zorgen dat je vanavond mag opblijven.’ Zijn handen bewegen nu over haar hele lichaam, met vlugge bruine vingers waarvan hij de duimen ver naar achteren kan duwen. Met zijn gezicht heel dicht bij het hare pakt hij haar hand.
Ze moet nog bloemen plukken. Lange margrieten met witte blaadjes en gele hartjes. Ze weet in welke wei ze staan. Het is zo voorbij. Het is zo voorbij, repeteert ze in haar hoofd en met nauwelijks bewegende lippen.
Hij heeft haast. Misschien toch bang dat er onverwacht iemand thuiskomt? Zijn adem piept, kleine zweetdruppels lekken natte lijntjes op zijn gezicht. Uit angst voor het vieze dat komen gaat, wil Ries haar hand terugtrekken, maar Frits houdt haar vast. Daar komt het! Ze griezelt. Hij hijgt. Zijn dikke rode lippen smakken. Ze trekt haar handen terug. Met een sprong komt hij overeind, trekt zijn broek omhoog en zegt: ‘Niet vertellen hoor, anders mag je vanavond niet opblijven!’
Ries blijft zitten, de handen open in haar schoot. Haar benen met de witte kniekousen steken recht vooruit, haar schoenen raken het randje van de kokosmat. Ze hoort wel wat hij zegt, maar luistert niet. Gedachten dwarrelen door haar hoofd. Stuurloos. Ze ruikt aan haar handen. Die stinken. Haar hele lichaam stinkt. Ze schudt haar hoofd, wil niet meer denken. Ze zal het niet vertellen, of ze nu wel of niet mag opblijven, het maakt niet uit. Ze staat op, steekt haar handen onder de kraan en laat het koude water lang stromen.
In de zonnige gang pakt ze het grote stuk krijt uit haar jaszak, ze opent zachtjes de voordeur en holt naar haar plekje op de warme stoep. Ze gaat op de rand zitten en legt het krijt naast zich in de goot.
De duim smaakt zoet. Ze zuigt hem klem tegen het verhemelte en knippert tegen de felle zon, die tussen het gebladerte door helgele vlekjes op de stoep tovert. Als ze haar ogen sluit, schieten ze als lampjes nieuwsgierig naar binnen, alsof ze in haar hoofd willen rondneuzen. Ze knijpt haar ogen nog strakker dicht. In dit donker lijkt het of ze nog naast het fornuis zit.
Heel langzaam, als op haar hoede voor een dreigend gevaar, doet ze haar ogen weer open en loert om zich heen. Haar wijsvinger kruipt over haar neus en duwt de bril omhoog. De kinderkopjes bewegen als een plein vol dansende kale mensen. De hele straat danst mee: de huizen met de deftige balkons en de diepe portieken, de kerktoren met de draaiende haan, de dikke eikenbomen, zelfs de locomotief die achter het hek voorbijdendert en met zijn krijsende stoomfluit een langgerekt schril gefluit laat horen.
`Op en neer duwt ze haar bril. Oppassen, want Papa heeft hem pas nog gemaakt; de neusbrug mag niet weer kapot. Papa kan vreselijk mopperen als hij die weer moet solderen. De laatste keer brak de bril op het kerkpleintje in tweeën. Ze was keeper voor haar voetballende broers, en de bal kwam precies op haar neus terecht. De bloedneus vond Ries niet erg, maar de kapotte bril wel. Mama mopperde, omdat ze aan Papa moest vragen hem weer te solderen.
Ze weet precies wat hij dan zegt: ‘Meisjes voetballen niet, help je moeder liever!’ En dan zal hij haar met zijn lachende twinkelogen aankijken.