Hoofdstuk 43
Om onduidelijke redenen mag Ries geen werk zoeken. Mama meldt haar aan bij een naaischool geleid door zusters. Het vlotte buurmeisje zit er ook op. Dat maakt Ries extra schuw. Ze voelt zich, alleen al bij de gedachte dat ze met dat meisje zal moeten omgaan, als van hout. De andere klasgenoten zijn giebelende meiden, de meeste veel jonger dan Ries. Ze praten voortdurend over jongens, trouwen en kinderen krijgen.
Boven de mannenonderbroeken met split die op het programma staan, zit Ries te dubben. De soeur met de halfronde kap die lesgeeft, is van dezelfde congregatie als de soeurs op de lagere school. Een aardige non, die met Ries, als oudere leerling, omgaat alsof ze een bondgenoot heeft gevonden tegen de lacherige anderen. Ries lijkt vanuit de kap van de lerares mee te kijken naar haar pret makende klasgenoten, en de afstand groeit. Ook hier wordt over haar gefluisterd dat ze later zeker zuster zal worden.
De gulp is het moeilijkste onderdeel van de katoenen onderbroek. Ries speldt en rijgt het bovenbeleg tegen het ondersplit. Ze voelt zich ongemakkelijk, loert over het werk naar haar klasgenoten, schuift afgunstig op haar stoel heen en weer. Ze zou graag mee willen lachen, pret maken, maar het lukt niet. Haar mond vertrekt zich alleen maar tot een zuur lachje.
Opeens staat de soeur naast haar tafel. Haar felle donkere ogen kijken Ries vanuit de ribbeltjeskap onderzoekend aan.
‘Je naait keurig,’ zegt ze met een vleiend knikje. ‘Is het waar wat de meisjes vertellen?’ Onderwijl tekent ze met potlood de plaats van de knoopsgaatjes op de onderbroekband. ‘Wil je echt zuster worden?’
‘Ja.’ Ries knikt braaf en naait ijverig door, blij met de pluim voor haar naaikunst.
‘Nee!’ schreeuwt een afknappende stem in haar hoofd. Ze wil net zo zijn als haar klasgenoten. Maar het lijkt alsof alles en iedereen rondom haar – de lol, de grapjes, het gegiechel – spotten met dat machteloze verlangen.
Aan het eind van de lessen knielen alle leerlingen op de houten vloer: eerst nog een kwartier knopspelden zoeken. Ze zitten elkaar grappend achterna. Als de witbeschorte soeur haar kap naar hen keert, houden ze zich rustig, maar zodra de kap zich weer omdraait, giechelen de meiden weer terwijl ze tussen de planken de knopspelden wegpeuteren.
Ook Ries kruipt over de bobbelige planken. Heel erg alleen tussen de flauwe grappen en schuine moppen.
In diezelfde septembermaand komt pater M. op bezoek, om hulp te werven voor het jeugdwerk waarvoor hij verantwoordelijk is. Het bed van Trees en Ries is opgeklapt, de kleding die tot grote ergernis van Peter soms dagen over de stoelleuningen slingert, opgeruimd. De koffie is gezet en het hele gezin zit rond de pater geschaard.
De zonnige dag heeft zomerwarmte in huis achtergelaten en er drijft, nu het avond is, een lichte herfstgeur door de openstaande buitendeuren naar binnen. Aangetrokken door de warmte scheren enkele grote langpootmuggen onbeholpen boven de hoofden en cirkelen rond de lamp; ze schroeien hun vleugels, tuimelen op de tafel, scharrelen weer overeind en beginnen aan een herhalingsvlucht.
Telkens duikt Ries omlaag en schudt ze haar haardos uit angst voor nestelende lange poten. De pater zet lachend zijn bril omhoog als hij haar angst ziet, hij lacht haar niet hinderlijk uit, het is eerder een gebaar van plagerige bescherming. Ries raakt erdoor verward maar vindt de aandacht ook prettig. Toch is ze opgelucht als hij met Leendert, die al enkele jaren een paar jeugdgroepen begeleidt, verder over het jeugdwerk praat.
‘Hoe moeten we het gebrek aan leiding ondervangen?’ Dan kijken beiden haar richting uit.
Indringend en met een vleug van reeds verworven vertrouwelijkheid in zijn stem, vraagt de pater: ‘Ries, zou jij leidster willen worden van de jongste jongensgroep?’
Ries voelt zich groeien. Ze wordt als een volwassene aangesproken en ze tonen vertrouwen in haar. Vereerd knikt ze. De pater grijpt op borsthoogte in zijn toog, waar de ontelbare zwarte glimmende knoopjes openstaan, legt papieren op tafel, noteert haar naam en maakt afspraken.
Een lichtblauw overhemd met een wit fluitkoord maakt Ries tot leidinggevende. Deze standaardkleding geeft haar zekerheid in de omgang met de jeugd, want in de gekregen jurken die haar zwarte jurk moeten vervangen en die soms zo verschillen van de gangbare mode, voelt ze zich niet prettig.
‘Help je vanavond mee,’ vraagt Leendert enkele dagen voor Sinterklaas, ‘surprisezakjes vullen?’
De leiding staat in een lange rij. Op de tafel staan dozen met schuimpjes, chocoladebeestjes, speculaas, pepernoten en taaitaai. De papieren zakjes worden gevuld en doorgegeven. De laatste in de rij strikt de zakjes met een feestelijk lintje dicht.
Ze dragen die avond geen uniform. Ries voelt zich in haar vernaaide japon opgelaten naast een chic geklede leidster. Ze zwijgt en vergelijkt. Ze zweet in de wollen ruitjesjurk die Mama langer heeft gemaakt door tussen rok en lijfje een enkele decimeters brede band van dezelfde stof te naaien. De taaitaai plakt in haar handen. Ze ziet hoe haar bollende buik, geaccentueerd door de ingenaaide strook stof, als een opgeblazen ballon uit haar jurk puilt. Ze kijkt links, ze kijkt rechts, en probeert haar buik plat te houden. Haar schaamte openbaart zich door haar gehaspel en gestuntel met de zakjes. Ze trekt de aandacht van de mooie buurvrouw, die haar bedenkelijk aankijkt. Dan verontschuldigt Ries zich, pakt haar jas en verdwijnt.
Ries praat al weken niet. Somberte beheerst haar hele wezen en lijkt haar in een dikke donkere roetwolk te hebben ingepakt. Geen enkel zonnestraaltje dringt meer binnen. Haar huid trekt haar gezicht steeds strakker. Ze staat ’s morgens op, leeft door de dag en gaat ’s avonds even somber naar bed, zonder dat er één enkele lach om haar mond heeft gespeeld. Ze zit in zichzelf begraven en kan het graf niet meer openwrikken.
Ries ziet ze kijken: Papa bezorgd, zijn hoofd schuin naar haar gericht, terwijl hij Mama in het voorbijgaan bijna fluisterend vraagt: ‘Wat mankeert haar? Is ze ziek?’
Na het ontkennende schudden van haar hoofd en de hulpeloze vragende armbeweging, zet hij zijn hoed op en verdwijnt over het plaatsje naar zijn werkhok. Even later hoort Ries het regelmatige geklop, af en toe onderbroken door vrolijk gefluit.
Mama leunt met haar blanke dikke onderarmen op de tafel, haar vingers trommelen rusteloos op het blad. Dan hijst ze haar borsten op, gaat staan en loopt moeizaam langs de keukentafel naar het fornuis. Ze trekt de volle waterketel naar voren, tilt met het pookje het dekseltje en twee ringen van de kachel, schept eierkolen op het vuur en laat de ketel in het vuurgat zakken. Straks gaat het water zingen en dan zal ze het in de bruine aarden theepot gieten; huiselijke taferelen omringen Ries. Ze kijkt en zwijgt, alsof haar mond is dichtgeschroefd en ze van een afstand staat toe te kijken.
De anderen bemoeien zich niet met haar, ze zijn druk met hun toekomstplannen: Trees studeert voor haar mulo-examen, Teun vertelt enthousiast over zijn nieuwe baan als verkoper in een groot warenhuis. Maar ze werpen wel steelse blikken die vraagtekens seinen en gepaard gaan met een schouderophalen. Niemand lukt het Ries te benaderen.
Ze wroet en zoekt de schuld bij zichzelf; ze vecht tegen dit onevenwichtige gevoel dat haar in een zwarte afgrond trekt. Ze wil eruit en klautert verwoed tegen de hoge aarden wal omhoog, waardoor ze alleen maar meer verdriet oprakelt. Ze gaat vroeg naar bed, zonder welterusten te zeggen. Stiekem als een dief besluipt ze zichzelf; wild en woest stropen haar handen haar lichaam af. Vol schuld genietend, valt ze in een droomloze slaap, waaruit ze de andere morgen verbitterd ontwaakt, met weer een dag voor zich die ze stroef en strak, onbereikbaar voor iedereen, nog schuwer doorbrengt.
Mist ze de regelmaat van het kostschoolleven? Mama gooit het daarop en vraagt of ze terug wil om de kweekschool te volgen, waarna ze het onderwijs in kan. Als een drenkeling die zijn zwemkunst uitgeprobeerd heeft en toch ten onder dreigt te gaan, omklemt ze de toegestoken hand. Het voorstel weekt haar los uit haar sombere gedachten. Ze wikt en weegt, en de schuldgevoelens zijn verpletterend, maar ze ziet geen andere uitweg; ze verlangt inderdaad terug naar de omgeving die haar veilige regels biedt.
Mama overlegt met Hans, neemt een besluit en regelt de aanvraag zonder haar erbij te betrekken. Ries wil niets voelen als ze de hernieuwde gang naar het internaat accepteert. Ze trekt de uit kasten en laden opgediepte zwarte kleren weer aan en beseft dat ze wegvlucht, zoals ze vroeger haar veiligheid zocht in het Krijthuis op de stoep.