Hoofdstuk 39
Al-Shirqat
Irak
De wind was nog meer aangetrokken en leek nu stabiel met een snelheid van dertig kilometer per uur, met windstoten van meer dan zestig kilometer per uur. Het donker en het sissen van het zand dat tegen de muren werd geblazen, creëerden een desoriënterende sensorische deprivatie. Het had weinig gescheeld of Rapp was van de straat gelopen en tegen een van de gebouwen aan de andere kant gebotst.
Lalehs aanwijzingen waren indrukwekkend gedetailleerd, maar ze opvolgen was onder deze zware omstandigheden een hele opgave. Er verscheen een stel koplampen aan de andere kant van de straat, en ze kwamen langzaam dichterbij. Rapp hield een hand boven zijn ogen en prentte elk detail van het nu verlichte terrein in zijn hoofd: de met kogels doorzeefde stenen gevels, de smalle steegjes, de zwart gekleurde lijken die aan een niet meer gebruikte elektriciteitsleiding hingen.
Toen het voertuig dichterbij kwam, draaide hij zich ernaartoe en stak een hand op. De gewapende mannen achterin keken eerst wantrouwend, maar herkenden hem toen als de Amerikaan die de gunst van generaal Mustafa had gewonnen. De man die niet alleen de CIA had weerstaan, maar ook de beruchte Mitch Rapp.
Ze schreeuwden iets onverstaanbaars terwijl ze langsreden en salueerden met hun geweren. Rapp liep verder door de straat en navigeerde op zijn geheugen terwijl zijn ogen weer wenden aan het donker.
Hij liet een hand over de muur rechts van hem glijden en tastte met zijn vingers de muur van het steegje af dat hij net nog had gezien. Laleh had hem daarover verteld, maar het was nog geen anderhalve meter breed, en dus nog donkerder dan deze straat. Het duurde bijna een minuut, maar toen vond Rapp de deurknop waarover ze had verteld, en hij gebruikte hem om een gebouw in te komen, waar het rook naar verbrand hout. Hij liep de trap op, geleid door een smal lichtstreepje dat onder een deur bovenaan door viel.
Kloppen bleek onnodig. De deur ging open en hij werd naar binnen getrokken. De man die de deur achter hem dichtdeed, was direct herkenbaar als Lalehs broer, Mohammed. De andere vier mannen in de ruimte waren gewapend en stonden tegen de verste muur. De wapens, van AK’s tot een Smith & Wesson SD40-pistool, waren allemaal op Rapp gericht.
‘Zijn dit jouw mannen?’ vroeg Rapp in het Arabisch.
‘Ja,’ zei Mohammed terwijl hij bij hen ging staan.
Rapp blies langzaam zijn ingehouden adem uit en knipperde met zijn gezwollen ogen in het licht van een enkele lamp aan het plafond. Lalehs andere broer was er ook, nog steeds niet helemaal over de klap heen die Rapp had uitgedeeld. De twee mannen rechts van hen waren allebei mager en droegen een dikke bril. Rapp had honderden van dit soort mannen ontmoet tijdens zijn werk in het Midden-Oosten – seculiere intellectuelen die eindeloze politieke filosofieën konden opdreunen, maar verder nauwelijks ergens goed voor waren. De laatste man was een beest, bijna net zo groot als Maslick, met een dikke baard en ogen vol haat.
‘Is dit alles?’ vroeg Rapp.
Mohammed knikte.
Dus: twee kerels die waarschijnlijk astma hadden, één die hij duidelijk te hard had geslagen en één die naar hem keek alsof hij zijn hart eruit wilde snijden met een scherpe steen. Geweldig.
‘Hoe heb je zo goed Arabisch leren spreken?’ vroeg de grote man.
‘Mijn moeder is in de jaren vijftig uit Irak geëmigreerd. Zij heeft het me geleerd.’
Het was een geloofwaardig verhaal dat zowel zijn donkere huid als zijn accent verklaarde.
‘Je bent een leugenaar. Jij bent een van die CIA-mannen die al tientallen jaren onze mensen uitmoorden.’
Rapp haalde zijn schouders op en gebaarde naar de kapot geblazen ramen. ‘Wat heeft de CIA jullie ooit aangedaan dat hiermee te vergelijken is?’
De andere mannen hadden hun wapens laten zakken, maar de grote hield hem op Rapps borst gericht.
‘Waarom zouden we hem helpen?’
‘Hier hebben we het al over gehad,’ zei Mohammed. ‘De Amerikanen zijn de enigen die de macht hebben om ISIS te verslaan en ons land te bevrijden. Maar ze aarzelen. Waarom, Gaffar? Omdat ze ons constant onder elkaar zien vechten. Ze hebben geen enkele hoop.’
Mohammed pakte een opgerold stuk papier en rolde dat op de grond uit. Rapp knielde naast hem neer en herkende het meteen als een kaart van Al-Shirqat.
‘Wij zijn hier,’ zei Mohammed, wijzend naar het noordelijke deel van de stad terwijl de anderen er ook omheen kwamen staan. Hij liet zijn vinger naar de westelijke rand glijden. ‘Het gebouw waarin het trainingscentrum dat u zoekt ligt, staat hier.’
‘Buiten de stad.’
‘Net. Misschien een halve kilometer. De Amerikanen hebben het gebouwd als een school, maar de leraren zijn allemaal vermoord. Nu wordt het gebouw gebruikt om de meisjes die door ISIS worden gebruikt en verkocht te huisvesten. Drie maanden geleden kwam er een groepje nieuwe mannen daar wonen en trainen. Eric Jesem was daar één van.’
‘Hoeveel waren het er in totaal?’
Mohammed keek naar een van zijn bebrilde kameraden, die antwoordde met een stem die zo zacht was dat Rapp hem nauwelijks kon verstaan.
‘In het begin misschien vijftig. De meesten zijn een maand geleden vertrokken, Jesem ook. Sommigen zijn teruggekomen, maar de meesten niet. Nu vermoeden we dat er nog drieëntwintig zijn.’
Dat snapte Rapp wel. Mustafa had teams gestuurd, zoals het team waarvan Jesem deel had uitgemaakt, om de splijtstof uit Pakistan te stelen. Een deel van hen was gedood, de rest had waarschijnlijk een nieuwe taak gekregen binnen ISIS. De mannen die waren overgebleven, waren degenen die waren uitgekozen om de volgende fase van de operatie uit te voeren.
‘Omschrijf het gebouw eens,’ zei Rapp.
‘Het is hoofdzakelijk van beton gemaakt, met een verdieping,’ zei Mohammed. ‘Er staat een hek omheen, maar de poort is verwoest toen ISIS het overnam en die is nooit gerepareerd. Een bewaker bij de ingang. De kinderen worden ’s nachts op de bovenste verdieping gezet. Daar kun je komen via een trap achter in het gebouw. De mannen slapen op verschillende plekken op de begane grond.’
‘Kennen je mannen het gebouw?’
Hij knikte.
‘Elektriciteit?’
‘Ze hebben generators. Er wordt ’s nachts wat gebruikt, maar niet veel.’
Dat had Rapp wel verwacht. Ze hadden het opleidingscentrum in een gebouw vol kinderen geplaatst om het te beschermen tegen de Amerikaanse bommen, maar het zou te veel opvallen als ze het ’s nachts volledig zouden verlichten.
‘Wapens?’
‘Ze hebben allemaal AK-47’s, en een pistool. De modellen zijn verschillend.’
‘En jullie?’
‘Niet meer dan je hier ziet. Een paar reservemagazijnen voor elk wapen.’
‘Zijn er nog meer mannen of wapens?’
‘Nee.’
‘Goed,’ zei Rapp terwijl hij opstond. ‘Laten we dan maar gaan.’
Ze staarden hem zwijgend aan. Mohammeds broer was de eerste die zijn mond opendeed. ‘Hoe bedoel je? Waarnaartoe?’
‘We gaan het centrum aanvallen.’
‘We kunnen toch niet gewoon aanvallen? We moeten erover praten. Een plan maken. We moeten…’
‘Waar moeten we over praten? Mohammed zei dat jullie het gebouw kennen. We kennen de kracht van de tegenstander en we weten waar de leerlingen zijn.’
‘Nee, dit is…’
‘Stilte!’ riep Gaffar terwijl hij zijn hele, zeker twee meter lange, lichaam oprichtte. ‘We gaan dat centrum niet aanvallen.’
‘Waarom niet?’ vroeg Rapp. ‘Ben je bang?’
Als antwoord hief hij zijn SD40, tot de loop een paar centimeter van Rapps neus af was. ‘Omdat ik jou niet volg. Kijk eens naar je gezicht. Kijk eens wat je jezelf hebt laten aandoen. Nee. Je praat als een grote strijder, maar je ruikt naar een bureaucraat. Als een man die in zijn broek pist zodra hij een druppel bloed ziet.’
Rapp overwoog de man met woorden te overreden, maar hij was duidelijk niet de persoon die met woorden over te halen was. En dat maakte hem eigenlijk bijzonder bruikbaar in deze groep.
In plaats van te praten dook Rapp dus naar rechts, greep Gaffars pols en trok zijn arm recht. Een milde klap tegen de elleboog van de Irakees was genoeg om het wapen op de grond te laten belanden, maar niet genoeg om schade toe te brengen. Die fout had Rapp al bij Mohammeds broer gemaakt.
Het pistool viel en Rapp ving het op terwijl de andere mannen in de ruimte hun geweer pakten. Hij trapte tegen de zijkant van het been van de grote man om hem op de grond te krijgen, terwijl hij vier kogels afvuurde in de richting van de mannen die naar hun wapen graaiden. Elke kogel vloog op een paar centimeter afstand langs hun hand.
Na de echo van de schoten werd alles doodstil. Gaffar zat op zijn knieën op de grond en de anderen stonden als versteend bij de achterste muur. Rapp stopte het pistool onder zijn riem en wees naar de deur. ‘Wie rijdt er?’