69
‘Wie zijn dat?’ vroeg Min.
Chung-Cha keek naar het strand. ‘Zomaar mensen. Toeristen. Ze zijn schelpen aan het zoeken, net als wij gisteren.’
‘Waarom lopen al die mannen om hen heen? En wat hebben zij in hun oren?’
‘Dat weet ik niet,’ zei Chung-Cha. ‘Misschien zijn ze slechthorend en kunnen ze daardoor beter horen.’
Met die ene blik zag Chung-Cha dat de twee mensen die in Bukchang waren geweest, er nu ook bij waren. Ze wist niet hoe Robie en Reel heetten, maar ze vroeg zich af of ze hier waren omdat de Amerikanen waren gewaarschuwd voor een aanslag op de presidentiële familie. Dit was zeker een complicatie waar ze aandacht aan moesten besteden.
Ze trok Min met zich mee toen ze de parkeerplaats verlieten. Chung-Cha ging op een bankje zitten, maakte een aantekening en vouwde het papier op. Ze zei tegen Min: ‘Achter de toonbank van die winkel daar staat een man.’ Ze wees. ‘Hij is klein en kaal, en Koreaan. Je moet dit briefje naar hem toe brengen.’
Min nam het papier aan en keek ernaar. ‘Wat staat erop?’
‘Het is gewoon een aantekening.’
‘Ken je die man ook? Net zoals die andere man?’
‘Ja. Ga naar hem toe en geef hem dit. Misschien vraagt hij of je wilt wachten, terwijl hij een antwoord opschrijft. Ga nu maar.’
Min stak snel de straat over en liep de winkel in. Chung-Cha kon de man door het raam zien terwijl Min naar de toonbank liep. Er waren geen andere klanten in de winkel. Hij had deze baan heel snel gekregen, want omdat het zomerseizoen afgelopen was gingen veel jongelui die hier dan werkten terug naar de wal.
Ze zag dat de man het briefje las en een antwoord opschreef dat Min mee terug moest nemen. Hij nam een minuut de tijd om een paar dingen voor Min in een plastic tasje te stoppen, alsof ze die had gekocht.
Min stak de straat weer over, nu met het tasje in haar hand. Ze gaf Chung-Cha het briefje en daarna liepen ze samen terug naar de auto.
Chung-Cha ging achter het stuur zitten en las het gecodeerde bericht twee keer over.
Min zat naar haar te kijken. ‘Er is iets mis, Chung-Cha,’ zei Min toen Chung-Cha het papier opvouwde en in haar zak stopte. ‘Je ziet er niet goed uit.’
‘Het gaat prima met me, Min. Prima.’
*
Zwijgend reden ze terug naar hun cottage. Daar aangekomen, maakte Chung-Cha een vuur in de open haard en zette voor haar en Min thee. Ze gingen voor het vuur op de grond zitten.
Ten slotte vroeg Min: ‘Waarom heb je me uit Yodok gehaald?’
Chung-Cha bleef naar de vlammen kijken. ‘Ben je blij dat ik dat heb gedaan?’
‘Ja. Maar waarom ik?’
‘Omdat je me deed denken aan... aan mezelf.’ Ze keek naar Min en zag dat het meisje aandachtig naar haar keek. ‘Jaren voordat jij daar kwam, Min, was ik daar ook. Ik ben niet net als jij in Yodok geboren, maar ik was nog zo jong toen ik daar kwam dat ik me niets van mijn leven voor die tijd kan herinneren.’
‘Waarom ging je daar naartoe?’
‘Ik werd ernaartoe gestuurd. Omdat mijn ouders hardop zeiden dat ze tegen de leiders waren.’
‘Waarom deden ze dat?’ vroeg Min verbaasd.
Chung-Cha schudde haar hoofd en zei toen: ‘Omdat ze ooit moedig waren.’
Mins ogen werden groot, alsof ze haar oren niet kon geloven. ‘Moedig?’ vroeg ze.
Chung-Cha knikte. ‘Het vraagt moed om te zeggen wat je vindt, terwijl anderen dat niet willen.’
Min dacht hierover na en nam een slok thee. ‘Dat denk ik ook.’
‘Zoals jij toen je zo opstandig was in het kamp, Min. Daar was moed voor nodig. Jij hebt je niet laten breken door de bewakers.’
Min knikte. ‘Ik haatte de bewakers. Ik haatte iedereen daar.’
‘Zij hebben ervoor gezorgd dat je iedereen haatte, zelfs de mensen die net zo waren als jij. Dat doen ze, opdat de gevangenen niet tegen hen in opstand zullen komen, maar elkaar verraden. Dat maakt het werk van de bewakers veel gemakkelijker.’
Min knikte weer. ‘Doordat de mensen elkaar verraden?’
‘Ja,’ zei Chung-Cha. ‘Ja,’ zei ze geëmotioneerd.
‘Die jongen op het strand?’ begon Min.
‘Wat is er met hem?’
‘Denk je dat hij samen met mij schelpen zou willen zoeken?’
Chung-Cha verstijfde toen Min dit voorstelde. ‘Dat lijkt me geen goed idee, Min,’ zei ze langzaam.
‘Waarom niet?’
‘Gewoon niet. Ik ben over een paar minuten terug.’
Chung-Cha liep naar haar kamer en ging aan een klein bureau zitten dat tegen de muur stond. Ze maakte een aantekening en las hem nog een keer door.
De man had zijn bezorgdheid uitgesproken over de aanwezigheid van Robie en Reel bij de presidentiële familie. Hij had voorgesteld de aanslag uit te stellen en op een andere kans te wachten.
Als de leider van deze missie wist Chung-Cha dat de moordaanslag zou doorgaan. Ze zouden niet nog zo’n kans krijgen. Zodra de Amerikanen dood waren, zou er een briefje worden achtergelaten, in het Engels, waarin alle misdaden werden opgesomd die Amerika had gepleegd, misdaden die tot gevolg hadden dat de Noord-Koreanen wraak namen op de presidentiële familie. Dit, dacht men, zou hard aankomen bij de Amerikaanse burgers. Wat er ook gebeurde, de Amerikaanse pers zou overal verslag van doen, of de regering van het land daar nou slecht uit naar voren kwam of niet. In Noord-Korea zou zoiets onmogelijk zijn.
Ze keek naar de deur. Min zat in de andere kamer en vroeg zich ongetwijfeld af wat er aan de hand was.
Chung-Cha stond op en liep naar de andere kamer. Min zat nog steeds voor de haard met haar lege theekopje in de hand. Chung-Cha ging naast haar zitten.
‘Zal ik je een paar Engelse woorden leren?’ vroeg Chung-Cha.
Min keek verbaasd, maar knikte gretig.
Chung-Cha keek haar aan en zei in het Engels: ‘Ik heet Min.’ In het Koreaans voegde ze eraan toe: ‘Nu moet jij het zeggen.’
Min sprak de woorden verkeerd uit. Maar ze bleven oefenen tot ze deze drie woorden goed uitsprak.
‘Nu moet je zeggen: Ik ben tien.’
Dat lukte haar, na vijf pogingen.
‘Nu moet je het achter elkaar zeggen: Ik heet Min. Ik ben tien.’
Min zei dit en wachtte tot Chung-Cha meer zou zeggen.
Chung-Cha was kennelijk in tweestrijd en keek verbaasd.
‘Wat nu?’ vroeg Min gretig.
Chung-Cha leek een besluit te nemen en keek Min weer aan. ‘Nu moet je zeggen: Wilt u me helpen?’
Min oefende eerst zonder geluid te maken en zei het toen hardop. Ze bleven oefenen tot ze de woorden vloeiend kon uitspreken.
‘Zie je, nu kun je Engels spreken,’ zei Chung-Cha.
‘Wat betekent die laatste zin?’ vroeg Min. ‘Wilt u me helpen?’
‘Dat is gewoon een vriendelijke groet. Als mij iets overkomt...’ Chung-Cha realiseerde zich meteen dat ze een fout had gemaakt.
Min keek meteen gealarmeerd. ‘Wat zal je overkomen?’
‘Niets, Min, niets. Maar je kunt nooit weten. Dus als me iets overkomt, is het goed als je die woorden zegt. Wil je het allemaal nog een keer zeggen? Ik wil zeker weten dat je ze hebt onthouden.’
Ze herhaalden alles nog heel vaak. En toen Chung-Cha Min die avond naar bed bracht, hoorde ze dat het meisje de woorden steeds herhaalde.
‘Ik heet Min. Ik ben tien. Wilt u me helpen?’
Chung-Cha deed Mins slaapkamerdeur dicht en leunde met haar voorhoofd tegen het hout. Ze voelde dat haar borst en haar keel werden dichtgeknepen en dat ze tranen in haar ogen kreeg. Heel zacht zei ze: ‘Ik heet Yie Chung-Cha. Ik ben jong, maar oud. Wilt u mij ook helpen?’