21

Chung-Cha had nog nooit een westerling ontmoet die het verschil kon zien tussen een Chinees en een Japanner, en al helemaal niet tussen een Noord-Koreaan en een Zuid-Koreaan. In haar werk was dat heel belangrijk geweest. De wereld vond Noord-Koreanen slecht, terwijl Zuid-Koreanen en Japanners totaal geen argwaan wekten. En Chinezen werden getolereerd omdat China alles maakte wat iedereen nodig had en bovendien al het geld bezaten, tenminste, dat was Chung-Cha verteld.

Ze had een vlucht naar Istanbul genomen en was daar in de Venice Simplon-Orient-Express gestapt. Nu was ze in Roemenië en reisde naar het westen. Ze had weleens in een Noord-Koreaanse boemel gezeten, maar nog nooit in een trein zoals deze. Ze had nog nooit iets gezien wat zo luxe was en zich kon verplaatsen!

Tijdens de treinreis had ze haar oortjes in en luisterde ze naar muziek. Chung-Cha luisterde graag naar muziek, omdat haar gedachten dan naar andere dingen afdwaalden. Nu kon ze zich dat permitteren, later zou dat onmogelijk zijn.

Het landschap hier was heel bijzonder. Met de trein reizen vond ze om verschillende redenen prettig, niet in het minst vanwege de minder strenge controles. Maar voor deze specifieke reis had ze de trein om een andere reden genomen.

Die reden zat in hetzelfde treinstel als zij, slechts vier coupés verderop.

Zij had hém wel gezien, maar hij háár niet. Dat kwam doordat hij niet had geleerd goed te observeren, in elk geval niet op hetzelfde niveau als zij.

De bestemming van de trein was Parijs, en de reis zou zes dagen duren.

Ze wachtte tot hij die avond naar het restauratierijtuig ging. Ze volgde hem met haar blik tot hij de slaapcoupé uit was.

Ze dacht dat ze dertig minuten de tijd had. Maar ze had nog niet de helft van die tijd nodig.

Chung-Cha vermoordde mensen niet gewoon, ze verzamelde inlichtingen. Ze zag eruit als een verlegen jonge Aziatische vrouw die voor niemand een bedreiging vormde. Daardoor kwam niemand op het idee dat zij iedereen in deze trein kon doden.

De coupé van de man zat op slot. Een paar seconden later was dat niet meer het geval. Chung-Cha glipte naar binnen en deed de deur achter zich dicht. Ze dacht niet dat ze veel zou vinden. De man was een Britse diplomaat die recent verbonden was aan de ambassade in Pyongyang. Die mensen lieten geen geheime documenten in hun verlaten treincoupé slingeren. De geheimen die zij hadden, werden opgeslagen in hun hoofd of op versleutelde apparaatjes waar een heleboel computers jaren voor nodig hadden om te ontcijferen.

Toch waren er uitzonderingen op die regel. En misschien was deze man wel een van die zeldzame uitzonderingen.

Het kostte haar amper vijftien minuten om zijn coupé efficiënt te doorzoeken zonder dat iemand kon zien dát ze dat had gedaan. Hij had, voor zover ze had gezien, zes subtiele vallen gezet voor iemand die zou proberen hier iets te vinden. Het aanraken van één van die vallen was het bewijs dat iemand hier iets had gezocht. Ze verplaatste ze niet of ze legde ze terug op hun oorspronkelijke plaats, tot op de millimeter.

Als hij een telefoon had, had hij die meegenomen. Er was geen computer. Er waren helemaal geen documenten. Hij had heel weinig bij zich. Het zat dus allemaal in zijn hoofd. Als dat zo was, kon ze dat ook wel te pakken krijgen.

Ze kende veel marteltechnieken. Daar was een bijzonder goede reden voor: ze waren allemaal op haar toegepast, in Yodok.

Ze had geleerd haar familie te verraden voor een beloning en soms alleen maar om ervoor te zorgen dat ze minder hard werd geslagen. Ze had eten gestolen van haar familie. Ze had anderen geslagen, ook kinderen. Haar familie had haar geslagen, haar verraden, eten van haar gestolen. Kinderen hadden haar geslagen, haar verraden, eten van haar gestolen. Zo ging dat gewoon. Nogmaals, als mensen maar bang genoeg waren, waren ze tot alles in staat.

Ze had altijd een van de Bowiwon-kinderen willen zijn, de kinderen van de bewakers. Hun stamboom was goedgekeurd door de Grote Leider, Il Sung. Zij hadden voedsel om te eten en iets zachters dan een betonnen vloer om op te slapen. In haar dromen was ze een volbloed geworden met een volle maag en misschien een kans om ooit langs het elektrische hek te komen.

En toen had ze die kans gekregen.

De mooiste dag van haar leven. Nooit eerder was een gevangene vrijgelaten uit de lifer-zone van Yodok. Zij was de eerste geweest. Ze was nog altijd de enige.

 

*

 

Ze liep terug naar haar coupé, maar ze had iets achtergelaten in de coupé van de man.

Een halfuur later hoorde ze hem terugkomen. De deur ging open en weer dicht. Ze wachtte en luisterde door het draadloze afluisterapparaatje in haar oor. In gedachten volgde ze zijn bewegingen gebaseerd op deze geluiden. Ze was niet aan het raden. Ze was uitstekend getraind om te zien met iets anders dan met haar ogen.

Eerst waren de bewegingen langzaam, geroutineerd, afgemeten. Daarna werden ze sneller. En daarna zelfs nog sneller.

Ze wist precies wat dat betekende.

Er was een zevende val geweest, en die had ze over het hoofd gezien.

Hij wist dat zijn coupé was doorzocht. Misschien had hij ook het afluisterapparaatje ontdekt dat ze daar had achtergelaten.

Meteen controleerde ze het treinschema.

Vijfenveertig minuten nog.

Chung-Cha had een kleine tas bij zich voor haar zesdaagse reis. Ze nam nooit veel mee, omdat ze nooit veel had bezeten. Niet meer dan in een kleine tas paste. De auto was niet van haar. Het appartement was niet van haar. Die konden ze van haar afpakken, wanneer ze maar wilden. Maar wat in de tas zat, was van haar.

Tweeënveertig minuten later ging de trein langzamer rijden. Toen nog langzamer. De conducteur riep om wat het volgende station was. Ze luisterde en hoorde dat de deur van de coupé van de man open- en weer dichtging. Daarna hoorde ze niets meer via het apparaatje dat ze daar had achtergelaten.

Maar ze dacht dat hij naar rechts zou lopen, bij haar vandaan. Naar de dichtstbijzijnde uitgang. Ze opende de deur van haar coupé en rende naar links. Al voordat de trein stilstond, was ze via een dienstdeur uit de trein gesprongen en stond ze op het perron. Ze ging achter een stapel dozen staan en wachtte, terwijl ze door een gat in een van de dozen keek.

Hij stapte uit en checkte het perron. Hij wachtte tot iemand anders uitstapte, natuurlijk degene die zijn coupé had doorzocht. Niemand anders stapte uit. Hij wachtte tot de trein wegreed. Daarna draaide hij zich om en liep zonder haar te zien snel weg en het stationsgebouw binnen.

Ze wist dat haar Aziatische uiterlijk nu een probleem voor haar vormde. In deze oude stad vol blanke Europeanen zouden niet veel Aziaten rondlopen. Maar een hoed en een bril hielpen haar gezicht verbergen. Ze liep achter hem aan, maar op grote afstand.

Hij was al aan het bellen. Dat hij uit de trein was gestapt, was een spontane actie geweest en dus had hij onderdak of vervoer nodig.

Wanneer hij voor een auto koos, zou ze snel moeten toeslaan. Als hij voor onderdak koos, had ze in elk geval nog de nacht en de ochtend om plannen te maken. Dat had ze het liefst.

Gelukkig voor haar koos hij voor onderdak. Ze liep door toen hij ergens naar binnen ging en keek naar hem door een raam terwijl hij een kamer regelde. Hij was nog steeds aan het bellen. Ondertussen liet hij zijn paspoort zien en nam hij de ouderwetse kamersleutel in ontvangst die vastzat aan iets wat op een grote gouden presse-papier leek.

Die kon nog weleens van pas komen, dacht ze, die presse-papier.

 

*

 

Chung-Cha zat in haar kamer in hetzelfde hotel als de Brit. Ze nam slokjes van haar hete thee en smakte waarderend met haar lippen. In Yodok was haar tandvlees zwart geworden en was ze al haar tanden en kiezen kwijtgeraakt. Wat ze nu had, was het werk van een orthodontist in dienst van de overheid. De ergste littekens waren verborgen door plastische chirurgie, maar de arts had ze niet allemaal kunnen corrigeren. Daar had ze niet genoeg onbeschadigde huid voor. De brandwonden hadden het meest pijn gedaan. Boven een vuur worden gehangen en worden gedwongen iets te bekennen, wat ook maar om een einde aan de pijn te maken, is niet goed voor je huid.

Dus dronk ze haar thee op en voelde daarna even aan haar bed met de dikke kussens en de dikke deken. Het voelde prettig, veel beter dan wat ze thuis had in Pyongyang.

Ze vroeg zich af wie hij had gebeld.

Het was één uur ’s nachts.

Ergens in het centrum van deze oude stad luidde een klok.

Het geluid van pretmakers verstomde een halfuur later.

Toen kwam ze in beweging.

Ze liep niet door de gang, maar klom uit het raam.

Zijn kamer was drie verdiepingen hoger dan de hare. Kamer 607, vierde van rechts. Dat had ze gezien door het raam van het hotel toen de sleutel van het genummerde rekje bij de receptie werd gepakt.

Geluidloos maakte ze het raam van zijn kamer open en glipte naar binnen. Zodra haar voeten de vloerbedekking raakten, had hij haar te pakken.

Chung-Cha voelde de loop van het pistool tegen haar hoofd. Maar voordat hij kon schieten, was ze al weggedraaid en legde ze haar vinger achter de trekker zodat hij hem niet kon overhalen. Terwijl hij daarmee worstelde, sprong ze omhoog, slingerde haar lichaam om het zijne en ramde haar knie in zijn rechternier. Hij gilde het uit en zakte door zijn knieën. Zijn greep op het pistool werd losser en zij trok hem uit zijn hand. Hij probeerde op te staan, maar ze maakte vliegensvlug een draai en ramde haar voet in zijn kruis. Tegelijkertijd maakte ze een V met haar elleboog en beukte daarmee tegen zijn slaap.

Toen hij wankelde, stak ze hem in de schouder met het mes dat ze in haar linkerhand had. Zijn pistool had ze in haar rechterhand.

Hij lag op de grond met zijn hand tegen zijn bloedende schouder gedrukt. Hij hapte naar adem en hij had zijn knieën instinctief opgetrokken vanwege de pijn in zijn edele delen. Hij begon te schreeuwen, maar ze zat al boven op hem en stopte een prop in zijn mond, zodat zijn geschreeuw gedempt klonk.

Hij was een grote man en zij was een kleine vrouw. Hij probeerde op te staan, ook al was hij zwaargewond. Ze stompte tegen zijn wond en hij viel achterover, happend naar adem en met zijn hand tegen zijn gewonde schouder.

Ze zette zijn pistool tegen zijn slaap en vertelde hem wat hij moest doen omdat hij anders nu zou sterven.

Hij rolde langzaam op zijn buik. Ze boeide hem stevig, met zijn handen aan zijn enkels met behulp van een paar tiewraps die ze had meegebracht. Ze legde hem op zijn zij en keek hem aan, scheen met een zaklamp in zijn ogen. Ze praatte Engels tegen hem. Hij knikte.

Ze haalde de prop uit zijn mond en keek naar hem.

Ze stelde hem een vraag. Hij gaf antwoord. Ze stelde hem nog vier vragen. Hij beantwoordde er maar drie.

Ze stopte de prop weer in zijn mond en drukte haar mes diep in zijn wond.

Zonder de prop in zijn mond zou hij het hele hotel wakker hebben gemaakt met zijn pijnkreten. Ze trok het mes uit de wond en wachtte tot hij weer rustig was.

Hij keek naar haar, met tranen in zijn ogen.

Ze haalde de prop weer uit zijn mond en stelde de laatste vraag nog een keer. Hij schudde zijn hoofd. Hij probeerde in haar hand te bijten toen ze de prop weer in zijn mond stopte.

Hij gilde.

Of probeerde dat te doen.

Ze had hem al bewusteloos geslagen met de zware sleutelhanger die ze op een tafeltje had zien liggen. Het bloed stroomde langs zijn gezicht.

Ze liep snel naar zijn nachtkastje en pakte de telefoon die daar lag.

Ze keek naar het scherm. Ze wist dat zijn telefoon was beveiligd, niet met een wachtwoord maar met een vingerafdrukscanner. In de trein had ze gezien dat hij zijn telefoon op die manier had ontgrendeld. Ze ging er ook van uit dat de scanner zo geavanceerd was dat hij in staat was onderscheid te maken tussen de vingerafdruk van een levende en een dode man.

Daarom had ze hem dus nog niet gedood.

Ze drukte zijn duim op het scherm en ontgrendelde de telefoon. Ze ging naar Instellingen, schakelde de AutoLock uit en zette hem op de Vliegtuigmodus. Nu was het toestel altijd toegankelijk en tegelijkertijd niet te traceren.

Ze bukte zich en het mes gleed soepel langs zijn hals. Ze ontweek het bloed dat uit de ader spoot. Daar was ze heel bedreven in geworden. In Bukchang had ze dat niet gedaan, toen had ze gewíld dat het bloed aan haar handen kleefde.

Ze wachtte even en luisterde of ze buiten de kamer ook geluiden hoorde. Ze hoorde niets. De muren in dit oude hotel zijn kennelijk heel dik, dacht ze.

Ze veegde het bloed van haar mes, stond op en hing het Niet storen-bordje aan de deur. Daarna bekeek ze alle mailtjes en contactpersonen in de telefoon van de man.

Ze had van gevangengenomen Zuid-Koreanen geleerd hoe ze haar weg moest zoeken in computerbestanden. Van die lessen maakte ze vaak gebruik. Maar nu vond ze niet veel. Ze keek naar de lijst met de meest recente telefoongesprekken. Hij had nog twee gesprekken gevoerd na het gesprek dat ze hem had zien voeren. Aan het landnummer zag ze dat hij twee keer met een nummer in Engeland had gebeld.

Het derde landnummer was veel interessanter.

850.

Dat was het landnummer van Noord-Korea, maar niet het telefoonnummer van de Britse ambassade daar, want dat kende ze goed. Snel berekende ze het tijdsverschil tussen waar zij nu was en Noord-Korea. Daar was het nu ongeveer kwart over acht ’s ochtends. Ze aarzelde even en drukte op een toets om dit nummer te bellen.

De telefoon ging drie keer over. Iemand nam op, niet in het Koreaans maar in het Engels. De stem zei weer iets. Ze luisterde tot hij zweeg, daarna verbrak Chung-Cha de verbinding.

Ze verliet de kamer op dezelfde manier als ze naar binnen was gegaan, maar eerst had ze er snel voor gezorgd dat het leek alsof er was ingebroken. Ze pakte zijn telefoon, plus zijn portefeuille, horloge, paspoort en ring. Ze had haar tas nog niet uitgepakt, dus kon ze het hotel gemakkelijk snel en ongezien verlaten, vooral op dat tijdstip.

Ze was op tijd bij het station om de volgende trein te kunnen pakken. Tien minuten later was ze al acht kilometer bij de stad vandaan waar ze zojuist een moord had gepleegd. Vier uur later, lang voordat het lichaam zou worden gevonden, was ze al uit de trein gestapt en zat ze in een vliegtuig terug naar Turkije.

Nu moest ze besluiten wat ze zou doen.

En hóé.

Doelwit
537e3c4656c646.html
537e3c4656c647.html
537e3c4656c648.html
537e3c4656c649.html
537e3c4656c6410.html
537e3c4656c6411.html
537e3c4656c6412.html
537e3c4656c6413.html
537e3c4656c6414.html
537e3c4656c6415.html
537e3c4656c6416.html
537e3c4656c6417.html
537e3c4656c6418.html
537e3c4656c6419.html
537e3c4656c6420.html
537e3c4656c6421.html
537e3c4656c6422.html
537e3c4656c6423.html
537e3c4656c6424.html
537e3c4656c6425.html
537e3c4656c6426.html
537e3c4656c6427.html
537e3c4656c6428.html
537e3c4656c6429.html
537e3c4656c6430.html
537e3c4656c6431.html
537e3c4656c6432.html
537e3c4656c6433.html
537e3c4656c6434.html
537e3c4656c6435.html
537e3c4656c6436.html
537e3c4656c6437.html
537e3c4656c6438.html
537e3c4656c6439.html
537e3c4656c6440.html
537e3c4656c6441.html
537e3c4656c6442.html
537e3c4656c6443.html
537e3c4656c6444.html
537e3c4656c6445.html
537e3c4656c6446.html
537e3c4656c6447.html
537e3c4656c6448.html
537e3c4656c6449.html
537e3c4656c6450.html
537e3c4656c6451.html
537e3c4656c6452.html
537e3c4656c6453.html
537e3c4656c6454.html
537e3c4656c6455.html
537e3c4656c6456.html
537e3c4656c6457.html
537e3c4656c6458.html
537e3c4656c6459.html
537e3c4656c6460.html
537e3c4656c6461.html
537e3c4656c6462.html
537e3c4656c6463.html
537e3c4656c6464.html
537e3c4656c6465.html
537e3c4656c6466.html
537e3c4656c6467.html
537e3c4656c6468.html
537e3c4656c6469.html
537e3c4656c6470.html
537e3c4656c6471.html
537e3c4656c6472.html
537e3c4656c6473.html
537e3c4656c6474.html
537e3c4656c6475.html
537e3c4656c6476.html
537e3c4656c6477.html
537e3c4656c6478.html
537e3c4656c6479.html
537e3c4656c6480.html
537e3c4656c6481.html
537e3c4656c6482.html
537e3c4656c6483.html
537e3c4656c6484.html
537e3c4656c6485.html
537e3c4656c6486.html
537e3c4656c6487.html
537e3c4656c6488.html
537e3c4656c6489.html
537e3c4656c6490.xhtml