62
De jumbojet die in het Duitse Frankfurt was opgestegen, begon soepel aan de daling bij vliegveld jfk. Min zat bijna achter in het vliegtuig en keek naar buiten. Ze had het griezelig gevonden om in het vliegtuig te stappen, maar ze had het toch gedaan nadat Chung-Cha haar gerustgesteld had.
Chung-Cha keek over haar schouder naar de indrukwekkende skyline van Manhattan die in zicht kwam toen het vliegtuig een bocht maakte voordat hij aan de landing begon.
Min keek verbaasd naar Chung-Cha. ‘Wat is dat?’ vroeg ze en ze wees naar de gebouwen beneden.
‘Dat is een stad. Ze noemen het New York City.’
‘Ik heb nog nooit zoveel grote...’ Haar beperkte woordenschat schoot tekort.
‘Dat zijn wolkenkrabbers,’ zei Chung-Cha. ‘Vroeger hadden ze er nog twee, de hoogste van allemaal.’
‘Wat is daarmee gebeurd?’ vroeg Min.
‘Die zijn omgevallen,’ antwoordde Chung-Cha.
‘Hoe kan dat?’ vroeg een verbaasde Min.
Omdat ze nu in een vliegtuig zaten, gaf Chung-Cha maar liever geen eerlijk antwoord. ‘Dat was een ongeluk.’
Ze landden en taxieden naar de gate, waar ze uit het vliegtuig stapten. Ze gingen door de douane. Chung-Cha bereidde zich voor op eventuele vragen. Uit haar documenten bleek dat ze een Zuid-Koreaanse was die hier met haar nichtje naartoe kwam. Zuid-Korea was een trouwe bondgenoot van Amerika en dus verwachtten ze geen problemen. Maar dat was geen garantie, dat wist Chung-Cha maar al te goed.
De vrouwelijke douanier keek echter alleen maar over haar paspoort heen en glimlachte tegen Min, die een pop tegen zich aan klemde die Chung-Cha voor haar had gekocht, en heette hen welkom in Amerika. ‘Veel plezier, liefje,’ zei de vrouw. ‘De Big Apple is een geweldige plek voor kinderen. Vergeet niet naar de dierentuin in Central Park te gaan.’
Min glimlachte verlegen en kneep in Chung-Cha’s hand.
Chung-Cha glimlachte tegen de douanière. Hun plan pakte goed uit. Het kind had alle natuurlijke argwaan weggenomen. Hoewel ze zich schuldig voelde omdat ze Min op deze manier gebruikte, had ze haar niet in Noord-Korea kunnen achterlaten.
Ze haalden hun bagage op en werden voor de internationale aankomsthal opgewacht door een auto met chauffeur.
Ze werden naar een hotel gebracht in Lower Manhattan. Onderweg zat Min de hele tijd naar buiten te kijken. Haar blik schoot heen en weer, zodat ze niets zou missen.
Chung-Cha deed hetzelfde, want zij was ook nog nooit in Amerika geweest.
Bij het hotel checkten ze in en kregen een kamer op de achtste verdieping. Ze gingen met de lift naar hun kamer en pakten wat kleren uit.
‘Gaan we hier wonen?’ vroeg Min.
‘Een tijdje,’ zei Chung-Cha.
Min keek om zich heen in de kamer en opende een klein deurtje in de kast. ‘Chung-Cha, hier zit eten in. En drinken.’
Chung-Cha keek in de minibar. ‘Wil je iets hebben?’
Min vroeg aarzelend: ‘Mag dat?’
‘Hier is wat snoep.’
‘Snoep?’
Chung-Cha pakte een klein zakje M&M’s en gaf het aan Min. ‘Volgens mij vind je deze wel lekker.’
Min keek naar het zakje en maakte hem voorzichtig open. Ze haalde er één M&M uit en keek op naar Chung-Cha. ‘Moet ik dit in mijn mond stoppen?’
‘Ja.’
Dat deed Min en ze zei: ‘Dit is heel lekker.’
‘Eet er maar niet te veel van, anders word je dik.’
Min schudde nog vier snoepjes in haar hand en at ze langzaam op. Daarna rolde ze het zakje dicht en legde het terug in de minibar.
Chung-Cha zei: ‘Dat hoeft niet, hoor, die zijn nu van jou, Min.’
Min keek haar verbaasd aan. ‘Van mij?’
‘Stop ze maar in je zak, voor later.’
Snel pakte Min het zakje en stopte het in haar zak. Ze liep door de hotelkamer en raakte alles even aan. Ze bleef staan voor een grote televisie die in een ander deel van de kast stond. ‘Wat is dat?’
‘Dat is een televisie.’ Zoals veel Noord-Koreanen had Chung-Cha zelf geen tv. Je mocht wel een televisie hebben in Noord-Korea, maar elke tv moest door de politie worden geregistreerd. En alle programma’s werden hevig gecensureerd en bestonden voornamelijk uit melodramatische loftuitingen aan het adres van de leiding van het land en negatieve opmerkingen over landen zoals Zuid-Korea en de Verenigde Staten, en organisaties zoals de VN. Hoewel Chung-Cha zelf geen tv had, had ze tijdens haar reizen wel televisies gezien. Ze had wel een radio, want radio’s waren veel algemener dan televisies, maar de meeste programma’s werden al even sterk gecensureerd.
Hier kwam langzaam verandering in, deels door de komst van internet, maar niemand in Noord-Korea kon zeggen dat hij contact had met de rest van de wereld. Dat vond de regering gewoon niet acceptabel. Hoewel de Noord-Koreaanse wet net als de Amerikaanse wet vrijheid van meningsuiting en persvrijheid toestond, kon er in dat opzicht geen groter contrast bestaan tussen deze beide landen.
Chung-Cha pakte de afstandsbediening en zette de tv aan. Toen op het beeldscherm het gezicht van een man verscheen en hij zo te zien rechtstreeks tegen haar begon te praten, deinsde Min angstig achteruit.
‘Wie is die man?’ fluisterde ze. ‘Wat wil hij?’
Chung-Cha legde geruststellend een hand op haar schouder. ‘Hij is niet hier, hoor. Hij zit in dat kleine kastje. Hij kan je niet zien of horen, maar jij kunt hem wel zien en horen.’ Ze zapte langs een paar zenders, tot ze een tekenfilm zag. ‘Kijk hier maar naar, Min, terwijl ik een paar dingen controleer.’
Min was meteen in de ban van de tekenfilm, ze liep zelfs naar de tv toe en raakte het scherm even aan.
Ondertussen haalde Chung-Cha de telefoon tevoorschijn die ze had gekregen en bekeek haar sms’jes. Er waren er een paar, allemaal in het Koreaans en allemaal gecodeerd. Zelfs wanneer iemand die code zou breken, waren de berichten nietszeggend. Want achter die code zat een andere code die alleen Chung-Cha en de afzender kenden; deze kwam uit een boek waarvan alleen zij de titel kenden. Deze eenmalige codes waren vrijwel onmogelijk te kraken, dat kon niet zonder dat boek.
Ze ontcijferde de berichten en dacht na over wat ze nu moest doen. Ze had wat vrije tijd en keek naar Min die aandachtig naar de tekenfilm zat te kijken. ‘Min, zullen we een wandeling maken en daarna iets gaan eten?’
‘Is de televisie hier nog als we terugkomen?’
‘Ja.’
Min sprong op en trok haar jas aan.
Ze wandelden een hele tijd tot ze bij het water kwamen. Tegenover de haven stond het Vrijheidsbeeld en Min vroeg wat dat was. Maar deze keer kon Chung-Cha haar dat niet vertellen, zij wist ook niet wat het was.
Later gingen ze naar een café om iets te eten. Min genoot van de vreemde verzameling mensen op straat en in de winkels. ‘Zij hebben dingen op hun huid en metaal op hun gezicht,’ zei Min en ze nam een hap van haar hamburger met friet. ‘Zijn ze gewond?’
‘Nee, volgens mij hebben ze die dingen vrijwillig gedaan,’ zei Chung-Cha en ze keek naar de mensen met tatoeages en piercings over wie Min het had.
Min schudde haar hoofd, maar kon haar blik niet afwenden van een groepje Aziatische meisjes. Ze giechelden, hadden boodschappentasjes bij zich en waren gekleed als studentes. Ze hadden hun smartphone in de hand en waren eindeloos berichtjes aan het intypen. Zacht zei Min: ‘Zij lijken op ons.’
Chung-Cha keek naar de meisjes.
Een van hen zag Min en zwaaide.
Min keek snel een andere kant op, en het meisje lachte.
Chung-Cha zei: ‘Zij lijken wel op ons, maar ze zijn anders dan wij.’ Dat laatste zei ze een beetje weemoedig, maar Min merkte het niet, ze was helemaal betoverd door alles wat er om haar heen gebeurde.
Min zei langzaam: ‘De mensen hier lachen heel veel.’ Ze keek naar Chung-Cha. ‘In Yodok lachten alleen de bewakers.’ Ze werd ernstig en bleef overal naar kijken.
Chung-Cha keek naar haar en wist dat Min zich voelde alsof ze in een grot was geboren en nu door een tijdmachine was verplaatst naar het heden en naar een stad die de grootste smeltkroes ter wereld was.
Waar mensen lachen.
Ze stopten later in het Washington Square Park en keken naar de optredens van de straatartiesten: mimespelers, jongleurs, goochelaars, muzikanten, dansers en mensen op een eenwieler. Min stond met haar hand in Chung-Cha’s hand geklemd en met een verbijsterde blik op haar gezicht te kijken. Toen iemand die een standbeeld leek zich opeens bewoog en een muntje achter Mins oor vandaan haalde, gilde Min maar rende niet weg. Toen die persoon haar het muntje wilde geven, nam Min hem aan en glimlachte. Die persoon glimlachte terug en salueerde.
Na een tijdje nam Chung-Cha haar mee, maar Min hield het muntje in haar hand en keek achterom naar de artiesten.
‘Wat is dit voor plek?’ vroeg ze. ‘Waar zijn we, Chung-Cha?’
‘We zijn in Amerika.’
Min bleef zo abrupt staan dat haar hand uit die van Chung-Cha gleed. Ze riep uit: ‘Maar Amerika is slecht! Dat heb ik in Yodok gehoord!’
Chung-Cha keek snel om zich heen en was opgelucht toen ze merkte dat niemand Min kennelijk had gehoord, ook al had ze Koreaans gepraat. ‘Je hebt heel veel gehoord in Yodok. Dat betekent niet dat het allemaal waar is.’
‘Dus Amerika is niet slecht?’
Chung-Cha knielde en pakte Min bij de schouder. ‘Of dat wel of niet zo is, toch mag je dit soort dingen hier niet hardop zeggen, Min. En straks komen er mensen bij me op bezoek. Jij mag niets zeggen als ze bij ons zijn. Dat is heel belangrijk.’
Min knikte langzaam, maar met een angstige blik op haar gezicht.
Chung-Cha ging rechtop staan en pakte haar hand weer.
Ze liepen zwijgend terug naar hun hotel.
En weer vroeg Chung-Cha zich af of het wel zo verstandig was geweest Min mee te nemen.