14

Haar appartement. Tot ze het afpakten. Het had een slaapkamer, een minuscuul keukentje, een badkamer met een douche, en drie kleine ramen. In totaal ongeveer twintig vierkante meter. Voor haar was het een prachtig kasteel.

Haar auto. Tot ze hem afpakten. Het was een tweedeurs model van de Sungri Motor Plant. Hij had vier wielen en een stuur en een motor, en remmen die het meestal deden. Door het bezit van de auto was ze een zeldzame inwoner van haar land. Haar meeste landgenoten verplaatsten zich met de fiets, metro of bus, of ze liepen gewoon. Voor langere ritten was er de trein. Maar het kon wel zes uur kosten om slechts honderdzestig kilometer af te leggen, doordat de infrastructuur en het materieel van zo’n slechte kwaliteit waren. Voor de echte elite waren er commerciële vliegtuigen. Net zoals voor het treinverkeer was er maar één vliegmaatschappij, Air Koryo, en die maatschappij vloog overwegend met oude, in Rusland gebouwde vliegtuigen. Ze hield er niet van om met Russische vliegtuigen te vliegen. Ze hield van niets wat Russisch was.

Maar Chung-Cha had haar eigen auto en haar eigen appartement. Voorlopig. Dat was een duidelijk bewijs van de waarde die zij had voor de Democratische Volksrepubliek Korea.

Ze liep naar de keuken en streek met haar hand over een van haar meest geliefde bezittingen. Een elektrische rijstkoker. Dit was de beloning geweest van de Opperste Leider voor het doden van de vier mannen in Bukchang. Dat en een iPod met country-and-westernmuziek erop. Ze wist heel goed dat de iPod een apparaat was waarvan haar meeste landgenoten niet eens wisten dat het bestond. Ze had ook duizend won gekregen. Iemand anders vond dat misschien niet veel, maar als je niets hebt lijkt alles een vermogen.

In Noord-Korea bestonden drie klassen. Ten eerste de kernklasse, bestaande uit de aanhangers van de leiding van het land en, bij gebrek aan een betere term, de volbloeden. Ten tweede de zwevende klasse, wier volledige trouw aan de leiding twijfelachtig was. Deze klasse vertegenwoordigde de meerderheid van de Noord-Koreanen, voor wie veel lucratieve banen en overheidsposities buiten bereik lagen. Ten derde was er de vijandige klasse, bestaande uit vijanden van de leiding en hun afstammelingen. Alleen de hoogste elite van de kerngroep bezat een rijstkoker. Die elite werd gevormd door misschien honderdvijftigduizend mensen in een land met drieëntwintig miljoen inwoners. Er zaten meer mensen in de strafkampen.

Chung-Cha vond het geweldig dat ze had gekregen wat ze bezat, want haar familie hoorde bij de vijandige klasse. Rijst in je maag was een teken van rijkdom, van een elitestatus. Maar behalve de heersende familie Kim − die als koningen leefden, met herenhuizen en waterparken en zelfs hun eigen treinstation − leefde zelfs de Noord-Koreaanse elite op een niveau dat in ontwikkelde landen bijna als grote armoede werd beschouwd. Er was geen warm water, de elektriciteit was hopeloos onbetrouwbaar met op z’n best hoogstens een paar uur stroom per dag, en buitenlandse reizen waren bijna onmogelijk. De ongelofelijk rijke leiders hadden haar een rijstkoker en een paar songs gegeven als beloning voor het verdragen van marteling en lijden, en voor het doden van vier mannen en het onthullen van corruptie en landverraad.

Toch was dit voor Chung-Cha veel meer dan ze ooit had verwacht te zullen bezitten. Een dak boven haar hoofd, een auto om in te rijden, een rijstkoker − ze had het gevoel dat ze alle rijkdom van de wereld bezat.

Ze liep naar een raam van haar appartement en keek naar buiten. Haar flat keek uit op het centrum van Pyongyang en had een mooi uitzicht op de rivier de Taedong. De hoofdstad met bijna drieënhalf miljoen inwoners was verreweg de grootste metropool van het land. Hamhung, de stad met op een na de meeste inwoners, telde slechts een vijfde van het aantal inwoners van Pyongyang.

Ze keek graag naar buiten. Een groot deel van haar eerdere leven had ze gewenst dat ze een raam had, met welk uitzicht dan ook. Ruim een decennium in het werkkamp was haar wens niet in vervulling gegaan. Toen was alles veranderd. Dramatisch.

En moet je me nu eens zien, dacht ze.

Ze trok haar jas aan en haar laarzen met de tien centimeter hoge hakken, waardoor ze groter leek. Tijdens een missie zou ze dit soort schoeisel nooit dragen, maar de vrouwen in Pyongyang waren erg gesteld op hun dunne, hoge hakken. Zelfs vrouwen in het leger, in de bouw en bij de verkeerspolitie droegen ze. Dat was een van de weinige manieren om je, nou ja, geëmancipeerd te voelen, voor zover dat hier al mogelijk was.

Het regenseizoen, van juni tot augustus, was afgelopen. Over ongeveer een maand begon de koude, droge winter. Toch was het nu zacht, het briesje verkwikkend en de lucht helder. Op dit soort dagen vond Chung-Cha het fijn om door haar stad te lopen. Dat kon zelden, want voor haar werk moest ze vaak naar allerlei andere delen van haar land en de wereld, en dan was er nooit gelegenheid voor een ontspannen wandeling.

Op de linkerborst van haar jasje zat haar Kim-speld. Alle Noord-Koreanen droegen deze versiering met daarop de afbeelding van Kim Il Sung en/of zijn zoon Kim Jong Il. Ze waren allebei dood, maar mochten nooit worden vergeten. Chung-Cha droeg de speld niet altijd, maar als ze het niet deed zou ze meteen worden gearresteerd. Zelfs zij was niet zo belangrijk voor het land dat ze dit teken van respect ooit kon negeren.

Tijdens haar wandeling realiseerde ze zich weer eens dat de ruim drieduizend vierkante kilometer grote hoofdstad in allerlei opzichten een eerbetoon was aan de heersende familie Kim. De stad lag aan de oevers van de Taedong die naar het zuiden stroomde en uitmondde in de Baai van Korea. Pyongyang betekent ‘vlak land’; de naam was dus goed gekozen. De stad lag maar dertig meter boven zeeniveau en strekte zich naar buiten uit als een bindaetteok, een Koreaanse pannenkoek. De belangrijkste boulevards waren breed en er reden bijna helemaal geen auto’s. De meeste voertuigen die er reden, waren trolleys en bussen.

De stad wekte niet de indruk dat hij miljoenen inwoners had. Hoewel de trottoirs vrij vol waren met voetgangers, had Chung-Cha voor haar werk ongeveer even grote steden bezocht waar veel meer mensen rondliepen. Misschien kwam het door alle bewakingscamera’s en politieagenten die iedereen in de gaten hielden, dat de inwoners zich zo weinig mogelijk lieten zien.

Ze nam de roltrap naar de ondergrondse. Pyongyang had het diepste metrostelsel ter wereld, meer dan honderd meter onder de grond. De ondergrondse liep alleen aan de westkant van de Taedong, omdat alle buitenlandse inwoners aan de oostkant woonden. Ze had geen idee of dat opzettelijk was of niet. Maar omdat ze uit Noord-Korea kwam, dacht ze van wel. Centrale planning in combinatie met paranoia was hier tot een hoge kunst verheven.

Inwoners die op de eerstvolgende trein wachtten, stonden in kaarsrechte rijen. Noord-Koreanen leerden al op heel jonge leeftijd om binnen een minuut in een keurige rij te gaan staan. In de hele hoofdstad zag je kaarsrechte rijen mensen staan. Dat was onderdeel van de ‘eenheid’ waar het land om bekendstond.

Chung-Cha ging niet in de rij staan. Ze wachtte opzettelijk een eindje verderop tot de trein het station binnenkwam. Ze stapte in, reed mee naar een ander deel van de stad en nam de roltrap naar straatniveau. In Pyongyang waren veel, vaak grote groene plekken, maar toch veel minder groot dan de monumenten.

Eén daarvan was de Triomfboog, een kopie van de Arc de Triomphe in Parijs, maar dan veel groter. Het was een gedenkteken voor het Koreaanse verzet tegen Japan in de jaren 1920 tot 1940.

Een ander monument was de op het Washington Monument lijkende Juche-toren, die honderdzeventig meter hoog was en het symbool was van de Koreaanse filosofie van onafhankelijkheid. Chung-Cha knikte even toen ze hier langsliep. Ze was onafhankelijk. Ze vertrouwde alleen op zichzelf. Dat hoefde niemand haar te vertellen. Ze had geen torenhoog monument nodig om dát te geloven.

Dan was er de Boog van Hereniging, een van de weinige monumenten waarop Koreaanse vrouwen te zien waren. Ze waren gekleed in traditionele Koreaanse kleding en hielden de kaart van een verenigd Korea tussen hen in. De boog overspande de Snelweg van de Hereniging tussen de hoofdstad en de gedemilitariseerde zone. Alweer symbolisch, dat wist ze.

Chung-Cha had twee ideeën over de hereniging. Eén, dat zou nooit gebeuren, en twee, het kon haar niets schelen of het wel of niet gebeurde. Ze zou met niemand worden herenigd, noord óf zuid.

Later kwam ze langs het Mansudae Grand Monument, een gigantisch eerbetoon aan de oprichter van Noord-Korea Il Sung, en zijn zoon Jong Il. Chung-Cha liep erlangs zonder ernaar te kijken. Dat was wel een beetje riskant. Alle Noord-Koreanen betoonden hun respect door te blijven staan, met een liefhebbende blik naar het standbeeld van de twee mannen te kijken en bloemen neer te leggen. Zelfs buitenlandse toeristen waren verplicht bloemoffers te leggen op straffe van arrestatie en/of deportatie.

Toch liep Chung-Cha door en daagde een politieagent die vlak bij haar was bijna uit om haar aan te houden. Er waren grenzen aan haar patriottisme.

De stad werd gedomineerd door de Witte Olifant van Pyongyang, het Ryugyong Hotel. In 1987 was met de bouw begonnen, maar in 1992 was het geld op. Hoewel de bouw in 2008 weer verderging, wist niemand of het ooit zou worden afgebouwd en of er ooit een gast zou slapen. Op dat moment was het een 330 meter hoog monster van bijna 350.000 vierkante meter in de vorm van een piramide.

Interessante centrale planning, dacht ze.

Chung-Cha had honger en liep een restaurant binnen. Noord-Koreanen gingen bijna nooit uit eten, omdat de meeste van hen zich deze luxe niet konden permitteren. Als een groep al uit eten ging, was dat meestal voor regeringszaken wanneer de overheid de rekening betaalde. In dat geval aten en dronken de werknemers enorme hoeveelheden en vervolgens gingen dronken van de soju, rijstlikeur, naar huis.

Chung-Cha was al langs andere restaurants gekomen die typische Koreaanse gerechten serveerden, zoals kimchi (gekruide ingelegde groenten die iedere Koreaanse vrouw kon klaarmaken), gekookte kip, vis en inktvis, maar ook de luxe witte rijst. Hier liep ze aan voorbij; zij ging naar het Samtaesung Hamburger Restaurant, waar hamburgers, friet en milkshakes werden geserveerd. Chung-Cha had zich vaak afgevraagd hoe het mogelijk was dat een restaurant dat eten serveerde dat in de hele wereld als Amerikaans eten werd beschouwd hier kon overleven, terwijl er niet eens een Amerikaanse ambassade was, omdat de twee landen geen officiële diplomatieke betrekkingen met elkaar onderhielden. Een Amerikaans staatsburger die hier in de problemen kwam, moest de Zwitserse ambassade om hulp vragen, en zelfs dat was alleen mogelijk in geval van medische noodsituaties.

Ze was een van de weinige autochtone gasten hier; alle andere gasten waren westerlingen.

Ze bestelde een niet-doorbakken hamburger, friet en een vanille milkshake.

De ober keek haar streng aan, alsof hij haar zwijgend een standje gaf omdat ze deze westerse rotzooi wilde eten. Toen ze hem haar regerings-ID liet zien, maakte hij een nonchalante buiging en snelde weg om haar bestelling klaar te maken.

Ze ging met haar rug tegen de muur zitten. Ze wist waar de in- en uitgangen waren. Ze kon iedereen zien die door het restaurant liep, naar haar toe of bij haar vandaan. Ze verwachtte geen problemen, maar ze hield er wel rekening mee dat die elk moment konden ontstaan.

Ze at haar maaltijd langzaam op en kauwde alles goed voordat ze het doorslikte. Ze had ruim tien jaar honger geleden. Dat lege gevoel in je buik raakte je nooit kwijt, zelfs niet als je de rest van je leven eten in overvloed had. Haar dieet in Yodok had bestaan uit alles wat ze maar kon vinden, maar meestal uit mais, kool, zout en ratten. De ratten hadden gezorgd voor proteïne en voorkomen dat ze de ziektes had gekregen waar veel andere gevangenen aan stierven. Ze was heel handig geworden in het vangen van die knaagdieren, maar ze vond een hamburger lekkerder.

Chung-Cha was niet dik en zou dat ook nooit worden. Niet zolang ze werkte. Misschien zou ze zichzelf toestaan dik te worden als ze ouder was en ergens anders woonde. Maar die gedachte drukte ze snel weg. Ze betwijfelde of ze lang genoeg zou leven om oud te worden. Of dik.

Toen haar eten op was, betaalde ze de rekening en vertrok. Ze wilde ergens naartoe. Ze wilde iets bekijken, ook al had ze het al eerder gezien, net als waarschijnlijk iedereen in Noord-Korea.

Het schip was kortgeleden voor anker gegaan in de Botong in Pyongyang als onderdeel van het Fatherland Liberation War Museum. Het was een uniek schip, het op een na oudste schip dat de Amerikaanse marine in gebruik had genomen, na het uss Constitution. En het was het enige Amerikaanse marineschip dat op dat moment in bezit was van een buitenlandse macht.

Het uss Pueblo was al sinds 1968 in Koreaanse handen. Pyongyang beweerde dat het schip zich in Noord-Koreaanse wateren had bevonden. De Verenigde Staten zeiden dat dit niet zo was. De rest van de wereld beschouwden twaalf zeemijlen vanaf het land als de grens tussen territoriale en internationale wateren. Maar Pyongyang deed niet wat andere landen deden en hanteerde een grens van vijftig zeemijlen. De Pueblo was nu een museum, een bewijs voor de macht en de moed van het vaderland, en een angstaanjagende herinnering aan de imperialistische bedoelingen van het duivelse Amerika.

Chung-Cha had gekozen voor de rondleiding, maar met een andere bedoeling dan de andere bezoekers. Ze had een ongecensureerd verslag van de bemanning van de Pueblo gelezen. Dat was iets ongehoords in haar land, maar door Chung-Cha’s werk kwam ze vaak buiten Noord-Korea. De bemanningsleden waren gedwongen dingen te zeggen en op te schrijven die volgens hen niet waar waren. Ze hadden bijvoorbeeld moeten toegeven dat ze Noord-Korea bespioneerden en ze hadden hun eigen land openlijk moeten beschuldigen. Maar op een beroemde foto van een paar bemanningsleden hadden ze stiekem hun middelvinger opgestoken tegen de Noord-Koreaanse cameraman en symbolisch ook naar hun overweldigers, terwijl het leek dat ze alleen maar hun handen vouwden. De Noord-Koreanen wisten niet wat een opgestoken middelvinger betekende en toen ze dat aan de bemanningsleden vroegen, antwoordden zij dat het een Hawaïaans gebaar was voor succes. Nadat Time Magazine een verhaal had gebracht waarin de echte betekenis van dit gebaar werd uitgelegd, werden de bemanningsleden volgens zeggen ernstig mishandeld en gemarteld, zelfs nog meer dan al het geval was geweest.

Toen ze in december 1968 werden vrijgelaten, liepen de tweeëntachtig mannen in een lange rij over de Bridge of No Return in de gedemilitariseerde zone. Eén bemanningslid liep niet mee. Hij was gedood tijdens de aanval op het schip, het enige dodelijke slachtoffer van het incident.

Na de rondleiding verliet Chung-Cha het schip. Op de kade draaide ze zich om en keek naar het schip. Ze had gehoord dat de Amerikanen het schip nooit zouden opgeven en het nog altijd terug wilden hebben.

Tja, dan zou het nooit worden opgegeven, dacht ze. Noord-Korea bezat heel weinig. En dus gaven ze nooit iets terug wat ze in beslag hadden genomen. Nadat de Russen waren vertrokken en Noord-Korea zijn onafhankelijkheid had gekregen, was het alsof dit kleine landje het tegen de hele wereld moest opnemen. Het had geen vrienden. Er was niemand die het land begreep, zelfs de Chinezen niet, die Chung-Cha beschouwde als een van de slimste volkeren ter wereld.

Chung-Cha was geen religieuze vrouw. Ze kende niemand in Noord-Korea die wel geloofde. Er waren wel een paar Koreaanse sjamanisten, cheondoïsten, boeddhisten en een handvol christenen. Religie werd niet aangemoedigd, omdat het geloof een directe bedreiging vormde voor de leiders van het land. Marx had gelijk, dacht ze: religie was opium voor het volk. Toch had Pyongyang ooit bekendgestaan als het Jeruzalem van het Oosten vanwege de protestantse missionarissen die in de jaren 1880 waren gekomen, met als gevolg dat op het ‘Vlakke Land’ meer dan honderd kerken waren gebouwd. Dat was nu niet meer zo. Religie werd gewoon niet getolereerd.

Het kon haar niets schelen. Ze geloofde niet in een goed hoger wezen. Dat kon ze niet. Ze had te veel geleden om te denken dat er een hemelse macht was die zoveel kwaad op aarde toeliet zonder een vinger uit te steken om daar een einde aan te maken.

Onafhankelijkheid was de beste strategie. Dan had je zelf recht op de beloningen en was jij en jij alleen verantwoordelijk voor de verliezen.

Ze liep langs een straatmarkt en bleef staan, ze verstijfde even. Nog geen anderhalve meter bij haar vandaan zag ze een buitenlandse toerist. Het leek een Duitser, maar dat wist ze niet zeker. Hij had zijn fotocamera in de hand en wilde een foto maken van de markt en de marktkooplui.

Chung-Cha keek of ze de reisleider zag die alle buitenlanders moest begeleiden. Die zag ze niet.

De man had zijn camera al bijna voor zijn oog.

Ze stapte naar voren en pakte het toestel van hem af.

Hij keek haar verbijsterd aan. ‘Geef terug!’ zei hij in een taal die volgens haar Duits was.

Ze sprak geen Duits en vroeg hem of hij Engels sprak.

Hij knikte.

Ze hield de camera omhoog. ‘Als u een foto van de markt maakt, wordt u gearresteerd en gedeporteerd. Misschien wordt u niet gedeporteerd, maar moet u hier blijven, wat veel erger voor u zal zijn.’

Hij trok bleek weg en toen hij om zich heen keek, zag hij dat verschillende Koreaanse marktkooplui hem boos aankeken. Hij mompelde: ‘Maar waarom dan? Dat is gewoon voor mijn Facebook-pagina.’

‘U hoeft niet te weten waarom. Het enige wat u moet doen is uw camera in uw zak stoppen en naar uw reisleider gaan. Nu. U wordt niet weer gewaarschuwd.’ Ze gaf hem de camera terug.

Hij nam hem van haar aan en zei ademloos: ‘Dank u wel.’

Maar Chung-Cha had zich al omgedraaid. Ze wilde zijn dank niet. Misschien had ze gewoon moeten toelaten dat de menigte hem aanviel en sloeg, dat hij werd gearresteerd, in de gevangenis gegooid en vergeten. Hij was één mens van miljarden. Wie zou het iets kunnen schelen? Het was haar probleem immers niet.

Ze liep door, maar de vraag van de man bleef door haar hoofd spelen. ‘Maar waarom dan?’ had hij gevraagd.

Het antwoord op die vraag was zowel eenvoudig als ingewikkeld. Een straatmarkt zei tegen de wereld dat de Noord-Koreaanse economie zwak was, dat er weinig traditionele winkels waren en dat er dus behoefte was aan marktkooplui. Dat zou een klap in het gezicht zijn van een leiding die heel gevoelig was voor de wereldopinie. Aan de andere kant kon een grote hoeveelheid goederen op een markt, als de rest van de wereld dat zou zien, tot gevolg hebben dat de internationale voedselhulp werd verminderd. En omdat veel Noord-Koreanen zichzelf maar net in leven konden houden, zou dat niet goed zijn. Pyongyang was niet representatief voor de rest van het land. Toch gingen zelfs hier mensen dood van de honger in hun appartementen. Dat was onderdeel van het zogenaamde voedselprobleem: er was domweg niet genoeg eten. Daardoor waren Noord-Koreanen ook kleiner en lichter dan hun zuiderburen.

Chung-Cha wist niet of deze verklaringen klopten. Ze wist alleen dat dit de onofficiële verklaringen waren voor het feit dat zo’n eenvoudige daad als het maken van een foto zulke gruwelijke consequenties kon hebben. Bovendien vonden Noord-Koreanen het niet prettig wanneer een buitenlander een foto van hen maakte. Dan konden ze gewelddadig worden. De overtreder zou worden gearresteerd. Dat was al voldoende reden om je reisleider in Noord-Korea nooit uit het oog te verliezen.

Onze regels zijn gewoon anders doordat we het meest paranoïde land ter wereld zijn. Of misschien willen onze leiders dat we eendrachtig blijven tegen een vijand die niet bestaat.

Ze wist niet of veel andere Noord-Koreanen dit soort dingen dachten. Ze wist wel dat degenen die ze openlijk uitten, allemaal naar strafkampen waren gestuurd.

Dat wist ze uit ervaring.

Haar ouders waren namelijk om precies die reden naar Yodok gestuurd. Daar was ze opgegroeid. Daar was ze bijna gestorven. Maar ze had het overleefd, als enige van haar familie.

En daarvoor had ze een gruwelijke prijs moeten betalen.

Ze had de rest van haar familie moeten doden om te mogen blijven leven.

Doelwit
537e3c4656c646.html
537e3c4656c647.html
537e3c4656c648.html
537e3c4656c649.html
537e3c4656c6410.html
537e3c4656c6411.html
537e3c4656c6412.html
537e3c4656c6413.html
537e3c4656c6414.html
537e3c4656c6415.html
537e3c4656c6416.html
537e3c4656c6417.html
537e3c4656c6418.html
537e3c4656c6419.html
537e3c4656c6420.html
537e3c4656c6421.html
537e3c4656c6422.html
537e3c4656c6423.html
537e3c4656c6424.html
537e3c4656c6425.html
537e3c4656c6426.html
537e3c4656c6427.html
537e3c4656c6428.html
537e3c4656c6429.html
537e3c4656c6430.html
537e3c4656c6431.html
537e3c4656c6432.html
537e3c4656c6433.html
537e3c4656c6434.html
537e3c4656c6435.html
537e3c4656c6436.html
537e3c4656c6437.html
537e3c4656c6438.html
537e3c4656c6439.html
537e3c4656c6440.html
537e3c4656c6441.html
537e3c4656c6442.html
537e3c4656c6443.html
537e3c4656c6444.html
537e3c4656c6445.html
537e3c4656c6446.html
537e3c4656c6447.html
537e3c4656c6448.html
537e3c4656c6449.html
537e3c4656c6450.html
537e3c4656c6451.html
537e3c4656c6452.html
537e3c4656c6453.html
537e3c4656c6454.html
537e3c4656c6455.html
537e3c4656c6456.html
537e3c4656c6457.html
537e3c4656c6458.html
537e3c4656c6459.html
537e3c4656c6460.html
537e3c4656c6461.html
537e3c4656c6462.html
537e3c4656c6463.html
537e3c4656c6464.html
537e3c4656c6465.html
537e3c4656c6466.html
537e3c4656c6467.html
537e3c4656c6468.html
537e3c4656c6469.html
537e3c4656c6470.html
537e3c4656c6471.html
537e3c4656c6472.html
537e3c4656c6473.html
537e3c4656c6474.html
537e3c4656c6475.html
537e3c4656c6476.html
537e3c4656c6477.html
537e3c4656c6478.html
537e3c4656c6479.html
537e3c4656c6480.html
537e3c4656c6481.html
537e3c4656c6482.html
537e3c4656c6483.html
537e3c4656c6484.html
537e3c4656c6485.html
537e3c4656c6486.html
537e3c4656c6487.html
537e3c4656c6488.html
537e3c4656c6489.html
537e3c4656c6490.xhtml