3
Will Robie kon niet slapen. Hij lag naar het plafond van zijn slaapkamer te kijken, terwijl de regen tegen de ruiten kletterde. Zijn hoofd bonsde, en dat zou niet ophouden als het ophield met regenen. Ten slotte stond hij op, trok een lange regenjas met capuchon aan en verliet zijn appartement aan Dupont Circle in Washington D.C.
Hij liep bijna een uur door het donker. Op dit tijdstip waren er maar heel weinig mensen op straat. In tegenstelling tot andere grote steden sliep D.C. wel, in elk geval in het deel dat je kon zien. De regeringswijk − het deel dat zich onder de grond en in betonnen bunkers bevond, en in onschuldig uitziende lage gebouwen − sluimerde nooit. De mensen daar werkten nu even hard als overdag.
Aan de overkant liepen drie mannen van begin twintig zijn kant op. Robie had hen al gezien, hij had hen al ingeschat en hij wist wat ze van hem zouden eisen. Er waren geen politieagenten in de buurt, en geen getuigen. Hij had hier geen tijd voor en hij had hier geen zin in. Hij stak de straat over en liep recht op hen af.
‘Als ik jullie wat geld geef, gaan jullie dan weg?’ vroeg hij aan de langste van de drie. Deze man was even lang als hij, 1,82 meter, en woog nog geen zeventig kilo.
De man trok zijn windjack open en liet een zwarte 9mm Sig in zijn broekriem zien die laag op zijn heupen hing. ‘Hangt ervan af hoeveel.’
‘Honderd?’
De man keek naar zijn twee vrienden. ‘Als je er twee van maakt, mag je doorlopen, man.’
‘Ik heb geen twee.’
‘Dat zeg jij. Dan word je nu beroofd.’ Hij wilde zijn pistool pakken, maar dat had Robie al uit zijn broekriem gepakt en tegelijkertijd zijn broek naar beneden getrokken, zodat de man over zijn afgezakte broek struikelde.
De man die rechts van hem stond, trok een mes en keek verbijsterd toen Robie hem eerst ontwapende en vervolgens vloerde met drie snelle stompen, twee in zijn rechternier en één op zijn kaak. De man die hij had gevloerd, gaf hij ook nog een trap tegen zijn hoofd.
De derde man verroerde zich niet.
De lange man riep: ‘Shit, ben je een ninja of zo?’
Robie keek naar de Sig in zijn hand. ‘Deze is niet goed in balans en hij is verroest. Je moet je wapen beter onderhouden, anders doet ie het niet als je hem nodig hebt.’ Hij richtte het wapen op hen. ‘Nog meer pistolen?’
De hand van de derde man ging naar zijn zak.
‘Trek je jas uit,’ zei Robie.
‘Het regent en het is koud,’ protesteerde de man.
Robie zette de loop van de Sig tegen zijn voorhoofd. ‘Ik vraag het niet nog een keer!’
Het jasje werd uitgetrokken en viel in een plas.
Robie raapte hem op en vond de Glock. ‘Ik zie de wapens bij jullie enkels,’ zei hij. ‘Haal ze eruit.’
De wapens werden afgegeven.
Robie rolde ze op in het jasje en keek de eerste man aan. ‘Zie je wat hebzucht je oplevert? Je had een toerist moeten uitzoeken!’
‘Wij hebben onze wapens nodig!’
‘Ik heb ze meer nodig.’ Robie schopte een plas water in het gezicht van de bewusteloze man die meteen wakker werd en onzeker opstond. Hij leek niet te weten wat er gebeurde en had waarschijnlijk een hersenschudding.
Robie zwaaide weer met het pistool. ‘Die kant op. Allemaal. En dan rechtsaf die steeg in.’
De lange man leek opeens zenuwachtig. ‘Hé man, luister, het spijt ons, oké? Maar dit is ons terrein. Wij patrouilleren hier. Dit is ons werk.’
‘Wil je werk? Zoek dan een echte baan waarbij je geen wapen in andermans gezicht duwt en niet pakt wat niet van jou is. En nu lopen! Ik zeg het niet nog een keer.’
Ze draaiden zich om en wilden weglopen. Toen een van de mannen eerst nog even achteromkeek, gaf Robie hem met de kolf van de Sig een tik tegen zijn hoofd. ‘Kijk voor je. Als je weer omkijkt, krijg je een derde oog in je achterhoofd.’
Robie hoorde dat de ademhaling van de mannen versnelde. Hun knieën werden slap. Ze dachten dat ze geëxecuteerd zouden worden.
‘Sneller!’ brulde Robie.
Ze gingen sneller lopen.
‘Sneller! Maar niet rennen.’
De drie mannen zagen er belachelijk uit toen ze probeerden sneller te lopen, maar niet te rennen.
‘Nu rennen!’
De drie mannen zetten het op een lopen, sloegen bij de eerstvolgende kruising links af en waren verdwenen.
Robie draaide zich om en ging de andere kant op. Hij liep een steeg in, zag een afvalcontainer en gooide het jasje en de pistolen erin nadat hij de munitie eruit had gehaald. De kogels liet hij in een put vallen.
Hij had zelden een rustig moment en hield er niet van als hij dan werd gestoord.
*
Robie liep door tot aan de rivier de Potomac. Dat was geen toeval. Hij was hier met opzet naartoe gegaan.
Hij haalde het ding uit de zak van zijn regenjas, keek ernaar en streek met zijn vinger over het gladde oppervlak.
Het was een medaille. Sterker nog, dit was de hoogste onderscheiding die de Central Intelligence Agency uitdeelde voor heldhaftigheid in het veld. Robie had hem verdiend, samen met een andere agent, voor een levensgevaarlijke missie in Syrië. Ze hadden het er bijna niet levend van afgebracht.
Het was zelfs de bedoeling geweest van bepaalde mensen binnen de cia dat ze het er niet levend van hadden afgebracht. Een van die mensen was Evan Tucker, en het was onwaarschijnlijk dat hij wegging, omdat hij toevallig de hoogste baas van de agency was.
De andere agent die deze onderscheiding had gekregen, was Jessica Reel. Zij was de echte reden dat Evan Tucker niet had gewild dat ze levend terugkwamen. Reel had leden van haar eigen agency vermoord. Daar was een heel goede reden voor geweest, maar sommige mensen vonden dat niet belangrijk. Dat gold zeker voor Evan Tucker.
Robie vroeg zich af waar Reel nu was. Ze hadden op een ongemakkelijke manier afscheid genomen. Robie vond dat hij haar onvoorwaardelijk had gesteund. Toch leek Reel niet in staat daar waardering voor te kunnen opbrengen. Vandaar dat ongemakkelijke afscheid.
Hij hield de ketting in zijn hand en draaide de medaille snel in het rond. Hij keek naar het donkere water van de Potomac. Het waaide, hij zag een paar lage witte schuimkoppen. Hij vroeg zich af hoe ver hij de hoogste medaille van de cia in de rivier kon gooien die de grens vormde tussen de hoofdstad van het land en de staat Virginia.
Hij liet de medaille een paar keer ronddraaien. Maar uiteindelijk hield Robie ermee op. Hij stopte de medaille weer in zijn zak. Hij wist niet zeker waarom.
Hij wilde net teruggaan toen zijn telefoon zoemde. Hij haalde hem tevoorschijn, keek naar het scherm en vertrok zijn gezicht.
‘Robie,’ zei hij gespannen.
Hij hoorde een stem die hij niet kende. ‘Blijf alstublieft aan de lijn voor DD Amanda Marks.’
Blijf alstublieft aan de lijn? Sinds wanneer had de meest elitaire geheime organisatie ter wereld iemand in dienst die zei: Blijf alstublieft aan de lijn?
‘Robie?’
De stem was helder en scherp als een nieuw scheermes. In de stem hoorde Robie zowel ongelofelijk veel zelfvertrouwen als de behoefte zich te bewijzen. Voor hem was dat een potentieel dodelijke combinatie, want Robie zou in het veld doen wat deze vrouw hem opdroeg terwijl zij, duizenden kilometers bij hem vandaan, via een computerscherm toekeek.
‘Ja?’
‘We hebben je hier zo spoedig mogelijk nodig.’
‘Bent u de nieuwe DD?’
‘Dat staat wel op mijn deur.’
‘Een missie?’
‘We praten als je hier bent. Langley,’ voegde ze eraan toe, niet overbodig, want de cia had talloze locaties.
‘Weet u wat er met de laatste twee DD’s is gebeurd?’ vroeg Robie.
‘Kom hier als de sodemieter naartoe, Robie!’