63
De trein reed door het Mid-Atlantische gebied. Min en Chung-Cha zaten samen in een van de coupés. Min sliep. In New York was ze zo opgewonden geweest dat ze amper had geslapen. Een paar minuten nadat ze in de trein waren gestapt, was ze in slaap gevallen.
Chung-Cha keek naar buiten, de trein reed over een brug over een rivier. Ze wist niet dat dit de Delaware River was. Ze wist niet wat Delaware was en het kon haar niets schelen ook. Tijdens een missie zoals deze moest je je focussen op wat belangrijk was en je afsluiten voor alles wat niet belangrijk was.
Ze keek naar Min en streek een lok haar uit Mins gezicht. De wonden in Mins gezicht waren genezen. Haar gebit was opgeknapt. Ze was aangekomen. Ze leerde steeds meer, maar het zou nog jaren duren voordat ze evenveel wist en kon als andere kinderen van haar leeftijd. Toch zou ze een mooie toekomst kunnen hebben. Dat zou kunnen.
Chung-Cha wendde haar blik af en keek naar de twee passagiers die tegenover haar zaten. Een man en een vrouw, Aziaten. Het leek een getrouwd stel, misschien op vakantie. Ze waren niet gekleed als zakenlieden, zoals de meeste andere passagiers. Maar ze waren niet getrouwd en niet op vakantie. Ze hadden haar al een teken gegeven. Zij waren haar contactpersonen. Zij zouden op het laatste station tegelijk met haar en Min uit de trein stappen.
Washington D.C.
De woonplaats van de Amerikaanse president. En zijn familie.
*
Toen ze in Union Station stopten, maakte Chung-Cha Min wakker. Ze stapten uit, en Chung-Cha en Min liepen achter het stel aan. Ze namen de lift naar de parkeergarage en stapten achter in een zwarte suv. De man reed en de vrouw zat naast hem. Chung-Cha en Min zaten achterin.
‘Waar gaan we naartoe?’ vroeg Min fluisterend.
Chung-Cha schudde haar hoofd even. Min zweeg en keek angstig voor zich uit.
Ze reden naar Springfield, Virginia, naar een van de vele huizen die bij elkaar stonden. Toen de auto op een parkeerplaats voor een hoekwoning stopte, keek Min naar buiten en zag in een tuin twee huizen verderop kinderen spelen. Ze keken naar haar. Een meisje, ongeveer even oud als Min, had een bal in haar hand. Het andere kind, een jongen van een jaar of zeven, riep tegen zijn zus dat ze de bal naar hem moest gooien. Dat deed het meisje en zwaaide toen naar Min. Min begon terug te zwaaien, maar keek snel een andere kant op toen Chung-Cha iets tegen haar zei.
Ze liepen met hun koffertjes het huis binnen.
Het rijtjeshuis was groot, veel groter dan Chung-Cha’s appartement, maar er stonden bijna geen meubels in. Ze werden naar hun kamer gebracht en zetten hun koffers neer. De man en de vrouw negeerden Min, maar behandelden Chung-Cha met het respect dat haar positie vereiste.
‘We hebben voor het meisje wat speelgoed meegebracht,’ zei de vrouw ongeïnteresseerd. ‘Dat is beneden. Zij kan ermee spelen terwijl wij met elkaar praten.’
Chung-Cha nam Min mee naar beneden, naar een grote, vrijwel lege kamer. Daar waren een knuffelbeer, een boek dat Min niet kon lezen, maar met plaatjes erin, en een grote rode bal. ‘Ik moet boven wat werken, Min. Jij moet hier blijven en met deze dingen spelen, oké?’
‘Hoe lang blijf je weg?’ vroeg Min onzeker.
‘Ik ben gewoon boven.’
‘Mag ik bij jou blijven?’
Chung-Cha zei resoluut: ‘Ik ben gewoon boven. Jij blijft hier en gaat spelen.’
Chung-Cha liet het meisje achter, maar terwijl ze de trap op liep, voelde ze dat Min naar haar keek. Ze voelde zich schuldig, een gevoel dat ze niet gemakkelijk kon verdringen.
Ze ontmoetten elkaar in de keuken op de eerste verdieping van het rijtjeshuis. Inmiddels waren er nog twee mensen bijgekomen, beiden mannen en beiden Noord-Koreanen. Een van hen was de tuinman van het Witte Huis. Ze zaten aan de eettafel en hadden foto’s en dossiers klaargelegd voor Chung-Cha.
‘Er is een lokaal team ter plaatse,’ vertelde de tuinman die Bae heette. ‘Dat team kan van het ene moment op het andere klaarstaan, kameraad Yie. En het is een eer dat zo’n gewaardeerde dienaar van de Opperste Leider hier is om ons te assisteren.’
Chung-Cha had een dossier in haar hand en keek naar hem. In zijn compliment zat een complicatie verscholen.
Assisteren?
‘Dank u wel, kameraad. Er is vast en zeker een team nodig om dit doel te bereiken. Ik ben dankbaar dat ik iemand zoals u achter me heb staan.’
Bae’s zelfverzekerde blik verdween.
Ze kon hem niet kwalijk nemen dat hij zoiets probeerde, maar was opgelucht nu bleek dat hij het had opgegeven. Anders was hij een blok aan het been en moest hij ook als zodanig worden behandeld. Er was geen ruimte voor fouten. De Amerikanen waren te goed in wat ze deden. Er werd gezegd dat ze elke elektronische boodschap konden onderscheppen die waar ook ter wereld werd verstuurd per telefoon of computer. Chung-Cha had zelfs gehoord dat ze een apparaat hadden ontwikkeld dat iemands gedachten kon lezen. Ze hoopte dat dit niet waar was, want in dat geval hadden ze dit gevecht nu al verloren.
De uren daarna namen de anderen de dossiers en de foto’s met haar door. Chung-Cha dacht af en toe aan Min die beneden met haar speelgoed speelde. Maar dan had ze haar hoofd er weer bij en concentreerde ze zich op deze missie.
Ze bekeek de foto’s van de drie mensen: moeder, dochter en zoon. Zij waren natuurlijk onschuldig, maar toch ook weer niet, omdat ze familie waren van hun vijand, de Amerikaanse president.
Daarna lieten ze haar twee andere foto’s zien.
Bae zei: ‘Deze zijn buiten Bukchang gemaakt.’
Op de vergrote foto hing een man aan de skid van een helikopter. De foto was zo vergroot dat zijn gezicht duidelijk te zien was, ondanks de duisternis.
‘Dit tuig heeft onze broeders in Bukchang vermoord,’ zei Bae. ‘Zij hebben Paks familie van ons afgepakt. Ons is verteld dat hij tijdens zijn ontsnapping gewond is geraakt en dat de bewakers deze heli met hun prachtige wapens bijna hebben neergeschoten.’
Chung-Cha keek naar de foto van Will Robie. Ze dacht meteen dat hij een behendige man was. Het was niet gemakkelijk om aan de skid van een helikopter te hangen als die door de vijand werd beschoten.
Daarna wezen ze naar een andere foto. Hierop was een vrouw te zien die op een vliegveld rondliep.
‘In China,’ vertelde Bae. ‘Kort voor de aanval op Bukchang. Volgens ons is zij een Amerikaanse geheim agent. Volgens ons is zij samen met die man gearriveerd. Er is gerapporteerd dat een van hen een vrouw was. En ik heb deze twee mensen samen in het Witte Huis gezien nadat Bukchang was aangevallen.’
Chung-Cha keek naar de foto van Jessica Reel. Ze was lang en slank, en in haar sterke lichaam zag Chung-Cha veel kracht.
‘Ik begreep dat er een verrader bij hen was?’ vroeg ze.
Bae knikte. ‘Hij praatte met een van de bewakers. Hij was een Noord-Koreaan. Hij was natuurlijk bij hen omdat hij de taal sprak en misschien zelfs wel Bukchang kende.’
‘Misschien heeft hij daar gevangengezeten,’ zei Chung-Cha. ‘Enkele gevangenen zijn ontsnapt en naar Amerika gevlucht.’
Bae spuugde op de grond. ‘Uitschot!’
Chung-Cha keek naar hem. ‘Waarom laten jullie me deze mensen zien?’
Bae keek naar de anderen en toen weer naar haar. ‘Zij moeten ook worden gedood.’
‘Maar niet door mij?’
‘Dat is te bezien, kameraad Yie.’
‘Ik kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn.’
‘We zullen zien,’ zei Bae. ‘We zullen zien. Maar hoe het ook uitpakt, ik zal steeds achter u staan, kameraad Yie.’
Ze keken elkaar aan tot Bae zijn blik neersloeg. Daarna keek Chung-Cha weer naar de dossiers, maar ze was ver weg met haar gedachten.