32
Robie ging naar de keuken en zette koffie. Hij liep met twee bekers koffie terug naar de woonkamer en gaf er eentje aan Reel. Het regende nog steeds toen hij tegenover haar ging zitten en een slok nam. De warme koffie verwarmde het kille gevoel in zijn lichaam.
‘Je vader?’
Reel knikte.
‘Wil je erover praten?’
‘Niet echt.’
‘Oké.’
Hij wilde opstaan, maar toen zei ze: ‘Wacht. Wacht maar even.’
Robie ging weer zitten.
Reel nam een slok koffie en sloeg haar handen om haar beker.
Robie zag dat haar handen een beetje trilden, iets wat hij nog nooit eerder bij haar had gezien.
Ze zei niets en dus zei Robie: ‘In het belang van volledige openheid heeft DiCarlo me wat dingen over je verleden verteld. Ik weet waarom je in het witsec zat. Ik weet iets over je vader. En wat hij heeft gedaan.’
Zonder naar hem te kijken, vroeg ze: ‘En mijn moeder?’
Robie zei: ‘Ja.’ Hij voegde eraan toe: ‘Het spijt me, Jessica.’
Ze haalde haar schouders op en leunde achterover; ze begroef zichzelf bijna in het stoelkussen. Ze nam slokjes koffie en allebei luisterden ze naar de regen. ‘Hij wil me zien.’
‘Je vader?’
Ze knikte. ‘Hij is stervende, in de gevangenis natuurlijk. Hij zou worden geëxecuteerd, maar nu heeft hij terminale kanker.’
‘En een stervende gevangene kunnen ze niet executeren,’ zei Robie. ‘Ironisch is het wel.’
‘Hij wil me zien,’ zei ze weer.
‘Wat hij wil is niet belangrijk,’ zei Robie. ‘De keus is aan jou, niet aan hem.’ Hij leunde naar voren en tikte op haar knie. ‘Ik wil dat je je dat realiseert.’
Ze knikte weer. ‘Dat realiseer ik me. Het ís mijn keus.’
Hij hield zijn hoofd scheef en keek haar aandachtig aan. ‘Dat zou een gemakkelijke keus moeten zijn.’ Hij zweeg even en vroeg toen: ‘Maar dat is het niet?’
Ze ademde langzaam uit, alsof ze al heel lang haar adem had ingehouden. ‘Gemakkelijke keuzes zijn de moeilijkste,’ zei ze schor.
‘Je hebt hem dus nooit teruggezien?’
Ze schudde haar hoofd, nam nog een slok en trok zich terug in een cocon die even dik leek als de gepantserde buitenkant van een Abrams-tank.
‘En dat wil je nu doen, voordat het te laat is? Waardoor het gemakkelijke dus opeens moeilijk is geworden.’
‘Het is irrationeel.’
‘De helft van alles wat mensen doen voelt irrationeel. Daar wordt het niet gemakkelijker van. Het maakt het juist moeilijker, doordat er geen logica bij komt kijken. Dat is het nadeel van “gewoon” een mens zijn.’
Reel wreef in haar ogen. ‘Hij was een slechte man. Hij was gewetenloos, Robie. Wat hem echt opwond, was... andere mensen kwaad doen.’
‘Heeft hij jou kwaad gedaan?’
‘Ja.’
‘En hij heeft je moeder vermoord.’
Er verscheen een traan in het hoekje van Reels rechteroog. Ze veegde hem ruw weg, boos zelfs; haar hand bewoog alsof ze een keiharde slag wilde afweren. Ze keek op naar Robie, met droge ogen nu. ‘Hij was de voornaamste reden dat ik doe wat ik nu doe.’ Ze zweeg even, leek over haar eigen verklaring na te denken, en voegde eraan toe: ‘Hij is de enige reden dat ik doe wat ik nu doe.’
‘Normale mensen maken in hun jeugd geen dingen mee waardoor ze het soort werk doen dat wij doen, Jessica,’ zei Robie.
Ze luisterden nog even naar de regen.
Robie vroeg: ‘Wat ga je doen, weet je dat al? Geen slapende honden wakker maken?’
‘Vind jij dat ik dat zou moeten doen?’ vroeg ze snel.
‘Ik weet alleen dat jij de enige bent die deze vraag kan beantwoorden.’
‘Wat zou jij doen als je mij was?’ vroeg ze.
‘Maar ik ben jou niet,’ zei hij op vlakke toon.
‘Je helpt me niet echt.’
‘Ik luister naar je. Ik kan geen besluit voor jou nemen. Niet dat je dat zou toelaten.’
‘Ik wilde dat ik dat kon.’
Hij dronk zijn koffie op en zei niets. Hij keek naar haar.
Ze sloot haar ogen en haalde een paar keer diep adem. Toen ze haar ogen weer opende, vroeg ze: ‘Waarom wil hij me zien, denk je?’
Robie zette zijn beker op de tafel die tussen hen in stond en leunde achterover. ‘Hij gaat dood. Vergeving vragen? Afscheid nemen? Zeggen dat je naar de hel kunt lopen? Dat alles bij elkaar?’ Hij boog naar voren. ‘De vraag die volgens mij belangrijker is: wat zou jij tegen hem zeggen?’
Ze keek naar hem en Robie zag opeens een zwakte die hij bij haar nooit voor mogelijk had gehouden.
Ze zei: ‘Er is geen sprake van vergeving. Het kan me niets schelen dat hij doodgaat.’
‘Dat begrijp ik. Maar dat is geen antwoord op de vraag.’
‘En als ik nu eens geen antwoord heb?’
‘Dan heb je geen antwoord.’
‘Dan moet ik dus niet gaan?’
Hij reageerde hier niet op, maar bleef naar haar kijken.
Ze zei: ‘Ik heb het gevoel alsof ik weer bij de psychiater ben.’
‘Daar heb ik de kwalificaties niet voor. Maar wat je ook besluit, je zult er spijt van krijgen. Dat weet je toch?’
‘Nee, dat weet ik niet,’ zei ze op scherpe toon. Zachter vroeg ze: ‘Waarom zeg je dat?’
‘Misschien ben jij niet de enige die in het reine wil komen met zijn of haar verleden.’
Haar mond ging iets open. ‘Jij?’
‘Nogmaals, ik ben nu niet belangrijk. Dat ene antwoord op die vraag zorgt niet voor een oplossing. Het is alleen maar een besluit. En besluiten hebben altijd gevolgen.’
‘Je klinkt nu opeens wel heel erg als een gekwalificeerde psychiater.’
Robie haalde zijn schouders op. ‘Wil je nog wat koffie?’
Ze schudde haar hoofd, maar hij stond op en haalde nog een kop koffie voor zichzelf. Toen hij weer tegenover haar zat, vroeg ze: ‘Dus het wordt een besluit waar ik de minste spijt van zal krijgen?’
‘Dat zou heel goed kunnen. Maar dat is maar één van de afwegingen.’
‘Wat is dan de belangrijkste? Volgens jou?’ vroeg ze snel.
‘Wat ik al zei. Als je iets tegen hem wilt zeggen, dan is dat oké. Als je niets op je hart hebt waarvan je wilt dat die man het hoort voordat hij doodgaat, dan...’
‘Maar geen vergeving,’ zei Reel. ‘Ik kan hem nooit vergeven.’
‘Nee, geen vergeving. En je hoeft het niet nu te beslissen.’
‘Ze zeiden dat hij elk moment kon sterven.’
Robie nam een slok koffie. ‘Niet echt jouw probleem, Jessica.’
‘Mag ik je iets vragen, Robie?’
‘Ja.’
‘Als ik besluit hem op te zoeken...’ Ze zweeg. Het leek alsof ze naar woorden zocht, of anders niet de moed kon vinden haar zin af te maken.
‘Zeg het maar gewoon, Jessica.’
‘Als ik besluit hem op te zoeken, wil je dan met me meegaan?’ Ze zei er snel achteraan: ‘Luister, ik weet dat het stom is. Ik ben een grote meid. Ik kan wel op mezelf passen en...’
Hij stak zijn hand naar haar uit en pakte de hare. ‘Ja, dan ga ik met je mee.’