49

De Noord-Koreanen hadden niet zoiets als de Burner Box. Daar hadden ze geen budget voor. Geen enkel land gaf zoveel geld uit aan de bescherming van de binnenlandse veiligheid als de Amerikanen. Maar Chung-Cha had het gevoel dat ze dit geldgebrek goedmaakten met inspanning en toewijding.

Ze liep hard door de straten van Pyongyang tot ze niet meer kon. En ze ging door. Het ministerie van Binnenlandse Veiligheid had een algemene sportschool waar ze aan haar kracht werkte. Ver onder de grond hadden ze schietbanen en daar werkte ze met allerlei verschillende vuurwapens aan haar schietvaardigheid, reactietijd en motorische vaardigheden. Daar, tegen mannen die veel groter en veel sterker waren dan zij, oefende ze haar man-tegen-mangevechtstechnieken, waarvan ze ook enkele had gebruikt om Lloyd Carson in Roemenië te verslaan.

Haar training was niet alleen fysiek. Ze sprak vloeiend Engels en drie andere talen.

Maar waar ze echt in uitblonk, behalve dat ze rustig bleef in de meest extreme omstandigheden, waren oosterse vechtsporten. Op dat gebied had een man haar nog nooit kunnen verslaan, zelfs een paar tegelijk niet. Volgens haar was dat te danken aan haar tijd in het kamp. Als je in het kamp in leven wilde blijven, moest je ongelofelijk hard zijn. Maar dat was niet voldoende. Als je in het kamp in leven wilde blijven en tegelijkertijd fanatiek en ambitieus wilde blijven, was dat bijna onmogelijk. Zij had het onmogelijke gepresteerd. En als je in het kamp in leven wilde blijven, moest je bovendien een paar zetten vooruitdenken. Daar was ze heel goed in geworden. Datzelfde gold voor de oosterse vechtsporten. Ze was haar tegenstanders niet alleen fysiek de baas, maar ook te slim af.

Haar ministerie had veel tijd en geld geïnvesteerd in het ontwikkelen van haar vermogen om meerdere tegenstanders aan te vallen en te verslaan. Hiervoor maakte ze gebruik van een combinatie van originele tactieken, uitmuntende gevechtsvaardigheden en haar vermogen risico’s in te schatten en te nemen, waardoor ze vaak een nadeel omzette in een voordeel. Dat had ze laten zien toen ze werd geconfronteerd met de beheerder en de gevangenisbewakers. Ze had de sterkte van haar tegenstanders omgezet in hun zwakte, en ze was doorgegaan met bewegen en vechten. Het leek alsof haar lichaam en geest één waren.

Ze kwam terug in haar appartement, vermoeid maar voldaan omdat ze nog steeds in perfecte conditie was. Ze wist heel goed dat ze het tijdens de komende missie moest opnemen tegen de beste geheim agenten ter wereld. Ze wist dat de Amerikaanse Secret Service algemeen als onverslaanbaar werd beschouwd en ze wist dat alle agenten bereid waren hun leven te geven voor wie ze ook maar beschermden. In het verleden waren ze weleens een protegé kwijtgeraakt. Ze waren dus niet onfeilbaar, maar toch werd dit misschien wel de grootste uitdaging van haar leven.

Ze at haar rijst en dronk haar thee, en luisterde ondertussen naar countrymuziek op de iPod die de Opperste Leider haar had gegeven. Ze keek naar buiten naar de man die daar al drie dagen was. Hij was er nog steeds. Het leek wel alsof het hem nu niets kon schelen of zij wist dat hij daar was of niet. Eigenlijk was dat heel veelzeggend.

Een Noord-Koreaans gezegde was dat bondgenoten even zeldzaam waren als ijs op een hete dag.

Ze verliet haar appartement en stapte in haar auto. Hij was al tien jaar oud, maar deed het nog steeds prima. En hij was van haar. Tot ze hem van haar afpakten, wat ze elk moment konden doen. En afhankelijk van hoe de volgende missie uitpakte, kon dat weleens heel gauw zijn.

Ze verliet Pyongyang. Ze keek in haar achteruitkijkspiegel en was niet verbaasd toen ze zag dat ze werd gevolgd door een zwarte personenauto. Ze reed langzaam, veel langzamer dan de maximumsnelheid. Ze had geen haast. Het was niet haar bedoeling om degene die haar achtervolgde af te schudden.

Haar bestemming lag ruim honderd kilometer ten noordoosten van de hoofdstad in de provincie South Hamgyong. Deze stad was omringd door bergen met daartussenin het dal van de rivier de Ipsok.

De officiële naam van haar eindbestemming was Kwan-li-so nummer 15. Maar de meeste mensen noemden het Yodok. Het was een werkkamp of concentratiekamp of strafkolonie; het maakte Chung-Cha niet uit welk woord werd gebruikt. Het betekende allemaal hetzelfde: mensen die andere mensen hun vrijheid afpakten.

Jarenlang had zij er een ander woord voor gebruikt: thuis.

Net zoals andere werkkampen bestond Yodok uit twee delen: de totale controlezone waar nooit een gevangene werd vrijgelaten en de revolutionaire zone waar gevangenen werden gestraft, heropgevoed en uiteindelijk vrijgelaten. Het kamp besloeg een oppervlakte van een kleine vierhonderd kilometer en er zaten ongeveer vijftigduizend gevangenen. Elektrische hekken en meer dan duizend bewakers zorgden ervoor dat niemand op eigen initiatief vertrok.

Chung-Cha dacht niet dat er sprake was van corruptie in Yodok. De bewakers daar leken hun werk met barbaars genoegen te doen. Dat was in elk geval zo geweest toen zij daar woonde. En ze was nog altijd de enige gevangene uit de totale controlezone die ooit vrijwillig was vrijgelaten. Maar voor die vrijlating had ze een hoge prijs moeten betalen. Misschien wel een hogere prijs dan wanneer ze had geprobeerd te ontsnappen.

Dat was de reden dat ze hier vandaag was, om dit deel van haar leven opnieuw te beleven. Nou ja, dat was maar gedeeltelijk waar. Ze had hier speciale toestemming voor nodig gehad, en die had ze aangevraagd en gekregen. Degenen die deze toestemming hadden verleend, dachten dat ze hier naartoe wilde om degenen te eren die haar haar vrijheid hadden gegund in ruil voor haar levenslange bereidheid haar land te dienen. Tenminste, dat was oorspronkelijk de bedoeling geweest. Daarna had ze degenen die nog machtiger waren ervan overtuigd dat er ook een andere reden zou moeten zijn. En dat zij de ideale persoon was om dit plan ten uitvoer te brengen. Ze had geen enkele garantie gehad dat die toestemming zou worden verleend, maar dat was wel gebeurd. De noodzakelijke papieren die dit bewezen, zaten in haar binnenzak. De verheven handtekeningen op deze papieren duldden geen tegenspraak.

Ze parkeerde vlak bij het hek en werd daar opgevangen door twee bewakers en de beheerder. Chung-Cha kende deze man goed. Hij was hier al beheerder toen zij hier nog gevangene was.

Hij maakte een respectvolle buiging voor haar en zij boog ook. Ze bleef hem strak aankijken toen ze weer rechtop gingen staan. Het grootste deel van haar leven had ze deze man met zijn donkere, gerimpelde gezicht willen vermoorden. Ze wist dat hij dat wist. Maar hij had niet langer de macht haar iets aan te doen. Toch zag ze aan de manier waarop hij zijn lip optrok en daarbij een misvormde tand ontblootte dat hij het geweldig zou vinden als hij haar hier terug had en in zijn macht.

‘Het is een eer u hier te hebben, kameraad Yie,’ zei hij.

‘De Opperste Leider laat u zijn beste wensen overbrengen, kameraad Doh,’ antwoordde Chung-Cha, waardoor ze duidelijk liet merken waar ze stond in deze fase van haar leven.

Doh knipperde snel achter zijn dikke brillenglazen en zijn glimlach was al even ongemeend als zijn volgende woorden: ‘Het doet mijn hart goed om te zien hoe hoog u bent opgeklommen, kameraad Yie.’ Hij liep met haar door het hek het gevangeniscomplex binnen.

Hoewel het al jaren geleden was dat Chung-Cha deze plaats had verlaten, was er maar weinig veranderd. De hutten waar de gevangenen woonden, waren nog altijd gemaakt van aarde en hadden een dak van stro. Toen ze bij een van de hutten naar binnen keek, zag ze de planken met dekens erop die als bed voor de gevangenen fungeerden. Er waren veertig bedden in een ruimte van slechts zesenveertig vierkante meter. De hutten werden niet verwarmd en waren niet schoon, dus heersten er veel ziektes. Toen zij hier nog woonde, had ze de beheerder een keer horen zeggen dat deze alomtegenwoordige dodelijke epidemieën hen de prijs van kogels bespaarden.

Ze bleef voor een hut staan. Daar had ze een reden voor. Dit was ‘haar’ hut geweest, hier had ze jaren gewoond. Ze keek naar Doh en zag dat hij zich dat ook herinnerde.

‘U bent inderdaad hoog opgeklommen,’ zei hij met een valse glimlach op zijn bruine gezicht.

Hij was een volbloed, wist ze, een lid van de bijzonder elitaire kerngroep. Zijn grootvader was een van Kim Il Sungs eerste en meest hartstochtelijke aanhangers geweest. Daarvoor werden hij en zijn familie voor eeuwig vorstelijk beloond. Voor de kleinzoon betekende dit dat hij jarenlang God mocht spelen met het leven van honderdduizenden medeburgers, dat hij mocht besluiten wie mocht leven en, veel vaker, wie moest sterven.

‘Ik ben nog altijd de enige,’ zei ze.

‘Nog altijd,’ beaamde hij hatelijk. ‘Dat zult u wel een wonder hebben gevonden.’

‘U ook,’ zei ze.

Hij maakte weer een buiging.

Ze wachtte tot hij weer rechtop stond voordat ze eraan toevoegde: ‘De Opperste Leider vindt dit een schande. Hij wil weten waarom niet meer mensen worden bekeerd.’

Dit was de andere beloning waar Chung-Cha om had verzocht en die haar was geschonken voor haar deel in het bekendmaken van het verraad van generaal Pak. De macht om hier naartoe te gaan en dit soort vragen te stellen. Bovendien was haar nog iets anders toegestaan.

Ze keek afwachtend naar Doh, die dit duidelijk niet had zien aankomen. Ze zag dat een ader in zijn slaap begon te pulseren en dat zijn hand trilde toen hij zijn bril verschoof.

‘Vindt de Opperste Leider dat?’ vroeg hij met trillende stem. De bewakers die bij hen waren, stapten achteruit, alsof ze afstand wilden nemen van de mogelijke repercussies die de man zouden treffen.

Chung-Cha stak haar hand in haar zak en liet de betreffende documenten zien.

Doh nam ze van haar aan, verplaatste zijn bril weer en las ze voordat hij ze nederig teruggaf. ‘Ik begrijp het. De Opperste Leider is wijzer dan zijn jaren. Het is een eer om aan zijn verzoek te voldoen.’

‘Dat geloof ik graag. Maar laten we het afhandelen. Ik zat in de totale controlezone. Ik was geen lid van de kern- of de zwevende klasse. Ik was lid van de vijandige klasse, kameraad Doh. En nu word ik beschouwd als een van de meest waardevolle geheim agenten van ons land. Misschien zijn hier nog meer van dit soort waardevolle mensen, wier levens hier worden verspild. De Opperste Leider houdt niet van verspilling.’

‘Nee, nee, natuurlijk niet. Ik... wat wilt u dat ik doe, kameraad Yie? Zeg het alstublieft, dan zal ik zorgen dat alles wat u wilt zal worden gedaan.’

Chung-Cha keek naar de man. Hij leek veel kleiner en zwakker dan in haar herinnering. Voor een klein meisje wier leven of dood afhankelijk was van de stemming van de dag van deze man en zijn ondergeschikten, had hij waarschijnlijk een reus geleken. Maar nu betekende hij niets voor haar.

‘Ik wil een paar van de vijandigen bekijken. Vooral de meisjes.’

‘Meisjes?’ herhaalde hij verbaasd en met een verbijsterde blik op zijn gezicht.

‘Ja. De Opperste Leider begrijpt heel goed hoe nuttig vrouwen in bepaalde onderdelen van de dienst kunnen zijn. Veel meer dan mannen die gemakkelijker worden geïdentificeerd en geselecteerd als potentiële vijanden van andere landen. Begrijpt u dat?’

Hij knikte snel. ‘Ja, ja, natuurlijk, dat begrijp ik.’

Chung-Cha voegde eraan toe: ‘En ik wil dat u me enkelen van de meest interessante gegadigden laat zien.’

Hij knikte weer. ‘Ja, ja, ik zal u er persoonlijk naartoe brengen.’

‘Dat weet ik wel zeker,’ zei ze zonder te glimlachen.

Hij leek de werkelijke betekenis van haar woorden niet te begrijpen. Hij was een wrede, achterdochtige man, wist ze. Maar hij was ook bekrompen, ijdel en oppervlakkig. Zo iemand kon nooit briljant of scherpzinnig worden, hoe hij ook zijn best deed.

‘En ik zal doorgeven dat u uitstekend hebt meegewerkt.’

‘O, dank u wel, kameraad Yie. Dank u wel, u hebt geen idee hoeveel dit voor mij betekent.’

‘Integendeel, dat weet ik heel goed.’

Hij leek een beetje ontdaan door deze opmerking, maar herstelde zich en vroeg: ‘Eh, met de meest interessante bedoelt u...?’

‘Daarmee, kameraad, bedoel ik iemand als ík.’

Doelwit
537e3c4656c646.html
537e3c4656c647.html
537e3c4656c648.html
537e3c4656c649.html
537e3c4656c6410.html
537e3c4656c6411.html
537e3c4656c6412.html
537e3c4656c6413.html
537e3c4656c6414.html
537e3c4656c6415.html
537e3c4656c6416.html
537e3c4656c6417.html
537e3c4656c6418.html
537e3c4656c6419.html
537e3c4656c6420.html
537e3c4656c6421.html
537e3c4656c6422.html
537e3c4656c6423.html
537e3c4656c6424.html
537e3c4656c6425.html
537e3c4656c6426.html
537e3c4656c6427.html
537e3c4656c6428.html
537e3c4656c6429.html
537e3c4656c6430.html
537e3c4656c6431.html
537e3c4656c6432.html
537e3c4656c6433.html
537e3c4656c6434.html
537e3c4656c6435.html
537e3c4656c6436.html
537e3c4656c6437.html
537e3c4656c6438.html
537e3c4656c6439.html
537e3c4656c6440.html
537e3c4656c6441.html
537e3c4656c6442.html
537e3c4656c6443.html
537e3c4656c6444.html
537e3c4656c6445.html
537e3c4656c6446.html
537e3c4656c6447.html
537e3c4656c6448.html
537e3c4656c6449.html
537e3c4656c6450.html
537e3c4656c6451.html
537e3c4656c6452.html
537e3c4656c6453.html
537e3c4656c6454.html
537e3c4656c6455.html
537e3c4656c6456.html
537e3c4656c6457.html
537e3c4656c6458.html
537e3c4656c6459.html
537e3c4656c6460.html
537e3c4656c6461.html
537e3c4656c6462.html
537e3c4656c6463.html
537e3c4656c6464.html
537e3c4656c6465.html
537e3c4656c6466.html
537e3c4656c6467.html
537e3c4656c6468.html
537e3c4656c6469.html
537e3c4656c6470.html
537e3c4656c6471.html
537e3c4656c6472.html
537e3c4656c6473.html
537e3c4656c6474.html
537e3c4656c6475.html
537e3c4656c6476.html
537e3c4656c6477.html
537e3c4656c6478.html
537e3c4656c6479.html
537e3c4656c6480.html
537e3c4656c6481.html
537e3c4656c6482.html
537e3c4656c6483.html
537e3c4656c6484.html
537e3c4656c6485.html
537e3c4656c6486.html
537e3c4656c6487.html
537e3c4656c6488.html
537e3c4656c6489.html
537e3c4656c6490.xhtml