48

Het regende. Zelfs hierbinnen kon Earl Fontaine de regendruppels op het dak van de gevangenis horen roffelen. Hij kon ook de wind horen huilen. Hij nestelde zich nog prettiger in zijn ziekenhuisbed. Nu dit gebeurd was, wist hij dat hij gelukkig kon sterven. Maar ach, misschien bleef hij nog wel een tijdje leven.

Hij had een bed, een dak boven zijn hoofd, medicijnen tegen de pijn, drie maaltijden per dag, ook al kreeg hij die in de vorm van een vloeistof die via een buisje in zijn ingewanden werd gespoten, en een knappe persoonlijke arts die voor hem zorgde. Eigenlijk niet eens zo’n slecht leven.

Hij keek naar het bed waar Junior in had gelegen. Hij glimlachte. Hij had geen idee hoe zo’n stomkop als Junior erin was geslaagd om zoveel mensen te vermoorden en om zo lang uit de handen van de politie te blijven. Earl had alleen maar zijn ‘vriend’ hoeven bellen en toen was grote Albert op de zaak gezet.

Eerst had hij een mes in Juniors bed verstopt. Daarna had Earl de stomkop zover moeten krijgen dat mes tevoorschijn te halen. Nou, dat was eenvoudig geweest. Zodra Juniors vingers dat mes hadden aangeraakt, was zijn lot bezegeld. Albert was precies verteld wat hij moest doen: grijp Junior, houd het mes klem in zijn hand, doe net alsof er een worsteling is en dan dood je die klootzak. En zorg dat ie echt dood is.

En als er één ding was waar Albert goed in was, dan was het doden. Earl vroeg zich af of hij ook opdracht zou krijgen Sally te doden. Hij hoopte van wel. Ze zou zo dood zijn als maar kon.

Hij slaakte een tevreden zucht en sloot zijn ogen, terwijl de regen op het dak bleef trommelen. Hij zou even gaan slapen, hij dacht dat een dutje voor zijn laatste medicijnen van die dag wel goed zou zijn.

‘Earl?’ Een hand pakte hem bij de schouder. ‘Earl?’ zei de stem dringender.

Langzaam deed Earl zijn ogen open. Hij had over de vrouwelijke arts gedroomd. Het was een verdomd fijne droom geweest. Ze was naakt en vastgebonden, en hij zou net...

‘Wat?’ Hij knipperde en rolde langzaam op zijn rug. Hij keek in het gezicht van dezelfde verpleger met wie hij eerder had gepraat. ‘Wat is er? Tijd voor mijn medicijnen?’

Hij keek naar de grote klok aan de wand. Hij had maar een uur geslapen. Het was nog geen tijd voor zijn medicijnen. Het regende nog steeds buiten en het waaide zo hard dat de oude gevangenis trilde door het geweld.

Earl vertrok zijn gezicht. ‘Waarom heb je me wakker gemaakt? Het is nog geen tijd voor mijn medicijnen, jongen, nog lang niet!’ Hij was heel kwaad omdat zijn droom was verstoord. Hij wilde zijn ogen weer dichtdoen.

De verpleger schudde hem weer door elkaar. ‘Het gaat niet om je medicijnen, Earl. Je hebt een bezoeker. Nou ja, bezoekers.’

Earl knipperde sneller. ‘Bezoekers? Het is avond, jongen. Na donker is bezoek niet toegestaan, dat weet je best.’

‘Nou, ze zijn er toch.’

‘Wie?’

De verpleger wees naar links. ‘Zij.’

Earl keek die kant op en toen hij hen zag, sloeg zijn hart een slag over.

Jessica Reel en Will Robie stonden daar. Hun haar en hun jassen dropen van de regen.

Earl ging zo snel rechtop zitten dat een van zijn infuusslangetjes in zijn lakens verward raakte.

De verpleger maakte het slangetje los en stapte achteruit. Hij keek naar de blik op Earls gezicht en toen naar die van Reel en zei snel: ‘Dan... dan laat ik jullie maar even alleen.’ Daarna draaide hij zich om en liep snel weg.

Reel zette een stap naar het bed toe, met Robie vlak achter zich.

‘Sally?’ vroeg Earl. Hij probeerde te grijnzen en slaagde daar maar half in. ‘Wat doe je hier, meisje?’

‘Ik kom gewoon even afscheid nemen, Earl.’

‘Verdomme, dat heb je al gedaan. Niet dat ik niet blij ben je te zien!’

Reel negeerde dit en liep dichter naar hem toe. ‘En ik wil je iets laten zien.’ Ze haalde een foto uit haar zak en liet die aan hem zien. ‘Volgens mij herken je hem wel, ook al is hij een beetje bleek.’

Earl stak een trillende hand uit en pakte de foto van haar aan. Hij hapte naar adem zodra hij de foto zag.

‘Albert heet hij, volgens mij,’ zei Reel. ‘Hij is nu natuurlijk dood, maar je zou hem nog moeten herkennen.’

‘Hoe is hij gestorven?’ vroeg Earl schor.

‘O ja, dat vergat ik denk ik te vertellen. Ik heb hem gedood. Zijn hals opengesneden en toen is hij doodgebloed. Voor zo’n grote vent ging het vrij snel. En dat kwam me goed uit, want ik moest met nog veel meer nazi’s afrekenen.’

Earl keek haar stomverbaasd en met grote ogen aan. ‘Jij hebt hem gedood? Hem!’

‘Ik denk niet dat ik je ooit heb verteld wat ik tegenwoordig doe, Earl. Namens het Amerikaanse volk neem ik uitschot zoals Albert te pakken en zorg ik ervoor dat ze nooit weer iemand kwaad kunnen doen. Zoals deze klootzak.’

Ze haalde nog een foto uit haar jaszak en liet hem op Earls buik vallen.

Hij pakte hem voorzichtig met een trillende hand op; zijn gezicht was asgrauw.

‘Dit is ook een van je vriendjes. Leon Dikes. Het is alweer heel lang geleden dat ik hem kende. We hebben elkaar recent weer gezien. Op zijn aandringen. Hij hing kennelijk rond bij de gevangenis en zag me toevallig toen ik jou kwam bezoeken. Zo klein is de wereld.’

Earl keek haar aan. ‘Heb je hem ook vermoord?’

Reel vormde een soort ovaal met haar handen en trok ze snel van elkaar. ‘Bijzonder effectieve beweging om iemands nek te breken. De dood treedt meteen in. Voordat hij stierf, deed Leon je de groeten en wilde je vertellen dat je plan niet is gelukt.’

Earl liet de foto vallen alsof het een slang was die hem wilde bijten. ‘Ik heb geen idee waar je het over hebt.’

‘Tuurlijk wel, Earl. Doe maar niet net alsof dit allemaal niet uit jouw koker kwam. Het was echt heel slim bedacht en ik geef niet snel een compliment, echt niet.’

‘Je zit onzin uit te kramen. Maar als je niet meer te vertellen hebt, dan ga ik weer slapen.’

‘Tja, ik ben bang dat je dutje nog even moet wachten.’

‘Waarom?’ snauwde Earl, weer vol zelfvertrouwen ‘Verder heb je niets, want anders had je de politie wel bij je. En wat willen zij me nog aandoen? Me arresteren? Me in de gevangenis stoppen? Shit!’ Hij lachte tot hij bijna stikte.

‘Nee hoor, geen politie. Geen nieuwe beschuldigingen. De ouwe zijn wel genoeg.’

‘Dus zoals ik al zei, sodemieter maar op. Ik heb mijn rust nodig.’

‘Maar het gaat heel goed met je! Je bent veel gezonder dan je was.’

Earl ging rechtop zitten. ‘Waar héb je het verdomme over? Ik heb terminale kanker. Ik word niet meer beter.’

‘Ja, maar daar komt meer bij kijken.’ Ze wees naar rechts.

Earl keek die kant op en zag dat de vrouwelijke gevangenisarts naar hen toe kwam.

‘Dokter Andrews, dank u wel voor uw komst vanavond,’ zei Reel.

Andrews zei met een gedwongen glimlach: ‘Graag gedaan. Had dit eerlijk gezegd niet willen missen.’

Reel zei tegen Earl: ‘Ik heb dokter Andrews uitgelegd wat haar rol is geweest bij het weerzien tussen jou en mij. En ook hoe dat heeft geleid tot dat leuke bezoek van je goede vriend Leon Dikes en zijn groep vrolijke nazi’s.’

‘Ja, dat was bijzonder fascinerend, meneer Fontaine,’ zei dokter Andrews, met een blik alsof ze het liefst een pistool wilde pakken en een kogel in Earls hoofd wilde schieten.

‘Ik snap niet waar jullie tweeën over zitten te wauwelen,’ zei Earl. ‘Snap d’r niets van.’

‘Oké, misschien kan ik je dat heel duidelijk maken,’ zei Reel. ‘Maar eerst heeft dokter Andrews fantastisch nieuws voor je.’

Earl keek naar Andrews. ‘Wat voor nieuws?’

‘Hoewel uw kanker nog altijd terminaal is, is inmiddels vastgesteld dat uw conditie stabiel is.’

‘Wat betekent dat verdomme?’

‘Dat betekent dat u deze ziekenzaal en deze gevangenis kunt verlaten. U wordt teruggestuurd naar de eenzame opsluiting in de dodencellen.’

Earls gezicht betrok. ‘Maar ze kunnen me niet executeren.’

Andrews glimlachte. ‘Dat is helaas waar, maar u kunt daar wel worden verzorgd, hoewel ik moet zeggen dat het daar lang niet zo aangenaam zal zijn als hier. De enige mensen met wie u contact zult hebben, zijn de gevangenismedewerkers.’

‘Dat... dat kunt u niet doen,’ protesteerde Earl.

‘Tja, wel dus,’ zei een stem.

De man in het pak kwam de ziekenzaal binnen, met vier sterke bewakers achter zich aan.

‘Wat doet hij hier verdomme?’ riep Earl.

Reel keek achterom. ‘De directeur van dit mooie complex en zijn mannen zijn hier om ervoor te zorgen dat je wordt teruggebracht naar de dodencellen in de Holman Correctional Facility.’

Buiten het getraliede raam werd een felle bliksemflits gevolgd door een enorme donderslag.

De directeur gaf zijn mannen een teken. ‘Rol hem maar gewoon met bed en al naar buiten. De ziekenwagen staat al te wachten.’

‘Dit kun je niet doen!’ sputterde Earl. ‘Dit kán niet!’

‘Breng hem weg,’ zei de directeur. ‘Nu!’

De bewakers maakten Earls ketting los van de muur en rolden zijn bed de zaal uit, terwijl Earl luidkeels lag te schreeuwen.

Ze hoorden zijn kreten nog zeker een minuut tot een zware deur dichtklapte en Earl Fontaine niet meer te horen was.

Reel zei tegen de directeur en Andrews. ‘Dank u wel.’

‘Nee, dank ú,’ zei Andrews. ‘Te weten dat die klootzak mij heeft gebruikt om... omdat hij al die afschuwelijke dingen wilde laten gebeuren.’

‘Inderdaad,’ zei de gevangenisdirecteur. ‘We kunnen hem misschien niet executeren, maar we kunnen de rest van zijn leven wel zo onplezierig maken als legaal mogelijk is.’ Daarna draaide hij zich om en beende weg.

Andrews zei: ‘Toen u me belde, kon ik mijn oren niet geloven. Ik dacht dat ik een vader hielp zijn dochter terug te vinden. Ik had moeten weten dat Earl Fontaine een man was die dat totaal onbelangrijk vond.’

‘Hij heeft heel veel mensen voor de gek gehouden, dok,’ zei Reel.

‘Maar dat zal nooit weer gebeuren,’ zei Robie.

‘Nee, nooit weer,’ beaamde Reel.

Nadat ze Andrews nog een keer voor haar hulp hadden bedankt, vertrokken ze en verlieten ze de gevangenis.

 

*

 

‘Voel je je nu beter?’ vroeg Robie toen ze in de auto stapten, nadat ze door de stromende regen over de parkeerplaats waren gerend.

‘Weet je, Robie, ik voel helemaal niets. En misschien is dat maar beter ook.’

Robie startte de motor en daarna lieten ze het gevangeniscomplex in Alabama en daarmee ook Earl Fontaine voor altijd achter zich.

Doelwit
537e3c4656c646.html
537e3c4656c647.html
537e3c4656c648.html
537e3c4656c649.html
537e3c4656c6410.html
537e3c4656c6411.html
537e3c4656c6412.html
537e3c4656c6413.html
537e3c4656c6414.html
537e3c4656c6415.html
537e3c4656c6416.html
537e3c4656c6417.html
537e3c4656c6418.html
537e3c4656c6419.html
537e3c4656c6420.html
537e3c4656c6421.html
537e3c4656c6422.html
537e3c4656c6423.html
537e3c4656c6424.html
537e3c4656c6425.html
537e3c4656c6426.html
537e3c4656c6427.html
537e3c4656c6428.html
537e3c4656c6429.html
537e3c4656c6430.html
537e3c4656c6431.html
537e3c4656c6432.html
537e3c4656c6433.html
537e3c4656c6434.html
537e3c4656c6435.html
537e3c4656c6436.html
537e3c4656c6437.html
537e3c4656c6438.html
537e3c4656c6439.html
537e3c4656c6440.html
537e3c4656c6441.html
537e3c4656c6442.html
537e3c4656c6443.html
537e3c4656c6444.html
537e3c4656c6445.html
537e3c4656c6446.html
537e3c4656c6447.html
537e3c4656c6448.html
537e3c4656c6449.html
537e3c4656c6450.html
537e3c4656c6451.html
537e3c4656c6452.html
537e3c4656c6453.html
537e3c4656c6454.html
537e3c4656c6455.html
537e3c4656c6456.html
537e3c4656c6457.html
537e3c4656c6458.html
537e3c4656c6459.html
537e3c4656c6460.html
537e3c4656c6461.html
537e3c4656c6462.html
537e3c4656c6463.html
537e3c4656c6464.html
537e3c4656c6465.html
537e3c4656c6466.html
537e3c4656c6467.html
537e3c4656c6468.html
537e3c4656c6469.html
537e3c4656c6470.html
537e3c4656c6471.html
537e3c4656c6472.html
537e3c4656c6473.html
537e3c4656c6474.html
537e3c4656c6475.html
537e3c4656c6476.html
537e3c4656c6477.html
537e3c4656c6478.html
537e3c4656c6479.html
537e3c4656c6480.html
537e3c4656c6481.html
537e3c4656c6482.html
537e3c4656c6483.html
537e3c4656c6484.html
537e3c4656c6485.html
537e3c4656c6486.html
537e3c4656c6487.html
537e3c4656c6488.html
537e3c4656c6489.html
537e3c4656c6490.xhtml