57

Ze vlogen naar China en namen een cityhopper naar de kust. Daarvandaan staken ze ’s nachts met een boot de Korea Bay over en gingen voor anker aan het einde van een kleine, maar diepe inham in de Noord-Koreaanse kustlijn. De dichtstbijzijnde stad was Anju. Bukchang lag ongeveer tachtig kilometer ten oosten van hun locatie.

Ze waren maar met z’n drieën: Robie, Reel en Kim Sook. Ze waren in het zwart gekleed en hadden hun gezicht ook zwart gemaakt. Robie en Reel waren zwaarbewapend en hadden geavanceerde communicatieapparatuur bij zich. Ze hoopten dat ze die op een bepaald moment konden gebruiken om een locatie met hun supportteam af te spreken.

Ze bonden hun rib vast, een opblaasbare boot met een stevige kiel, die met relatief stille motoren een snelheid van meer dan vijftig knopen per uur kon bereiken.

Robie vroeg aan Sook: ‘Ben je er klaar voor?’

‘Daar is het nu een beetje te laat voor,’ zei Sook.

‘Ik wil het gewoon even zeker weten.’

Ze hadden kaarten en routebeschrijvingen op elektronische apparaatjes die ze als een horloge om hun pols droegen. Boven hen zond een door Amerika bestuurde satelliet hun informatie over wat voor hen lag en ook via hun oortjes kregen ze een constante stroom informatie.

Niet opvallen was nu belangrijk, maar snelheid ook. Ze moesten een grote afstand overbruggen en ze moesten ernaartoe en weer terug zolang het nog donker was. Te voet zou dat onmogelijk zijn. Dus hadden ze iets anders: drie kleine scooters die op batterijen liepen en heel stil waren, en met pedalen om de batterijen op te laden. Met hun nachtbril konden ze in het donker zien.

Robie reed voorop, Sook in het midden en Reel achteraan.

Ze reden zo lang ze durfden over de weg, maar vlak bij het kamp verlieten ze deze. Bukchang lag volkomen geïsoleerd, zodat ze niet eerst door een stad of een bevolkt gebied hoefden. Je bouwt immers geen concentratiekamp te midden van miljoenen mensen.

De heenweg verliep probleemloos. De satelliet gaf de weg aan naar het kamp en via hun oortjes werden ze bijgepraat over recente ontwikkelingen.

Du-Ho en Eun Sun, Paks geadopteerde zoon en dochter, werden vastgehouden in een hut achter in het kamp. Anders dan de andere gevangenen, die met zijn vijftigen in één hut werden gepropt, waren de twee Paks alleen en werden ze bewaakt door speciale bewakers. Het feit dat er maar twee gevangenen in de hut zaten, maakte de reddingspoging niet gemakkelijker, maar juist moeilijker. De andere hutten werden niet apart bewaakt. Kennelijk verwachtten de Noord-Koreanen problemen met de bewaking van Paks kinderen.

Het was bevestigd dat ze een gecodeerde boodschap hadden gekregen. Hun was niet verteld wát er zou gebeuren, omdat het een ramp zou zijn wanneer die informatie in verkeerde handen terechtkwam. Maar ze wisten dus wel dát er een reddingspoging werd ondernomen en dat ze moesten zorgen dat ze er klaar voor waren.

Toen Robie, Reel en Sook dichter bij het kamp kwamen, stapten ze van hun scooters die ze tussen een groepje bomen verborgen. Sook kleedde zich om, veegde zijn gezicht schoon en legde een oude plunjezak op zijn schouder. Nu leek hij op een gewone Noord-Koreaanse boer. Hij liep over de weg, terwijl Robie en Reel tussen de bomen door gelijke tred met hem hielden.

Vlak voor hen was de buitengrens van Bukchang.

Terwijl Sook doorliep, kwamen er drie bewakers naar hem toe. Ze zeiden dat hij moest blijven staan en zich moest legitimeren. Dat deed hij. Hij vertelde dat hij naar het oosten liep, naar Hamhung, om zijn familie te bezoeken en daar een baan aan te nemen die hem was beloofd. Hij gaf hun zijn papieren, die vakkundig waren nagemaakt.

Terwijl twee bewakers zijn plunjezak doorzochten, controleerde de hoofdbewaker zijn papieren. Ten slotte gaf hij die weer terug. ‘U bent vlak bij kamp Bukchang.’ Hij wees naar het noorden. ‘U moet die kant op. Daar is een weg die om het kamp heen loopt en daarna kunt u naar het oosten lopen.’

Opeens keek hij Sook argwanend aan. ‘Wat voor werk gaat u in Hamhung doen?’

‘Boerenwerk.’

‘Laat me uw handen zien.’

Sook stak zijn handen uit. Ze waren ruw en eeltig. Het had hem een week gekost ze zo te krijgen.

De bewaker knikte. ‘Loop maar door, ga maar met je os werken en naar paardenstront ruiken,’ zei hij.

De andere bewakers lachten, maar hielden daarmee op toen Robie en Reel hen een kogel in het lichaam schoten en ze dood op de grond vielen.

Robie en Reel kwamen het bos uit met hun wapens met een geluiddemper erop. Ze sleepten de lichamen naar de beschutting van de bomen. Robie pakte een van de walkietalkies van de bewakers en gaf die aan Sook zodat hij naar de gesprekken kon luisteren die werden gevoerd.

Ze liepen door en kwamen algauw bij het achterhek van het kamp. Ze hadden de tijden doorgekregen waarop de bewakers op patrouille gingen en wachtten tot vier bewakers voorbij waren voordat ze dichter naar het hek liepen. Ze wisten dat er stroom op stond en hadden zich daarop voorbereid. Met behulp van een laser sneed Reel zoveel draden door dat er een groot gat ontstond waar ze allemaal doorheen konden glippen.

Sook ging eerst, gevolgd door Reel en daarna Robie. De hut waar zij naartoe wilden, stond helemaal achter in het kamp. Terwijl ze ernaartoe kropen, zagen ze opeens een lichtflits. Even later realiseerden ze zich dat een bewaker een sigaret opstak. Reel en Robie kropen om de hut heen en telden het aantal bewakers.

Vier.

Toen gingen ze uit elkaar. Reel ging naar links en Robie en Sook naar rechts.

Reel zei in haar headset iets tegen Robie.

Hij luisterde en zei: ‘Bevestigd. Drie tellen nadat de secondewijzer op de twaalf staat.’

Hij haalde twee verdovingspistolen uit zijn holster en richtte elk pistool op een andere bewaker. Nu ze in het kamp waren, wilden ze niet onnodig lawaai maken. Gebaseerd op de satellietrapporten en de inlichtingen op de grond hadden ze ieder twee verdovingspistolen met in totaal vier pijltjes voor de vier bewakers. Gelukkig was het aantal bewakers niet veranderd.

Aan de andere kant van de hut deed Reel hetzelfde. Dit was veel moeilijker dan het leek, tegelijkertijd met twee wapens op twee verschillende doelwitten richten, maar ze hadden geen keus. Wanneer ze met het eerste schot slechts twee bewakers uitschakelden, konden de andere bewakers reageren en terugschieten. En dan was het hele kamp gealarmeerd.

Ze keken naar hun horloge tot de secondewijzer op de twaalf stond. Daarna richtten ze hun beide pistolen, telden in gedachten tot drie en vuurden.

Vier mannen gingen neer.

Sook rende naar voren en de hut binnen.

Robie en Reel waren vlak achter hem.

Du-Ho en Eun Sun sliepen niet en droegen hun werkkleding. Sook vertelde wie ze waren en wat ze zouden gaan doen. Ze stelden geen vragen, knikten alleen en liepen achter hen aan naar buiten.

Ze waren al door het gat in het hek gekropen en renden over een pad naar het bos toen het gebeurde.

Een sirene.

Ze keken achterom en zagen dat de lampen in het kamp waren aangesprongen. Ze hoorden rennende voetstappen en startende motoren.

Robie wees naar een helling. ‘Die kant op. Nu!’

Ze renden de helling op. Gelukkig waren Du-Ho en Eun Sun jong en in goede conditie. Ze konden hen moeiteloos bijhouden, natuurlijk ook met nieuwe energie doordat ze zich realiseerden dat ze zouden worden geëxecuteerd als ze werden opgepakt.

Terwijl Robie en Reel door renden, vroeg ze: ‘Denk je dat we zijn verraden?’

Sook zei: ‘Ik hoorde net via de walkietalkie dat ze de bewakers hebben gevonden die jullie buiten het hek hebben doodgeschoten.’

‘Geweldig,’ zei Robie. ‘Dan moeten we maar iets harder rennen.’

‘Deze kant op,’ zei Sook en hij wees naar links. ‘Dat is een kortere weg naar de scooters.’

De vijf mensen renden over de donkere weg. Robie hield Du-Ho vast en kon hem dankzij zijn nachtbril leiden, terwijl Reel datzelfde deed met Eun Sun.

Zodra ze bij de scooters waren, stapte Eun Sun achterop bij Reel en Du-Ho bij Robie. Ze raceten over een pad naar de weg. Reel keek achterom en zag koplampen achter zich. In haar headset vertelde ze Robie dat ze werden achtervolgd.

Robie stopte en zei dat Du-Ho bij Sook achterop moest gaan zitten.

‘Succes!’ zei Reel tegen hem.

‘Als ik er twee minuten nadat jullie bij de rib zijn niet ben, moeten jullie vertrekken. Wacht niet op me.’

Ze vertrokken.

Robie draaide zich om. Er hing een wapen aan zijn schouder. Hij knielde op een heuveltje dat uitzicht bood op de weg, richtte en schoot.

De granaat raakte de voorste truck precies in de radiator. Hij explodeerde, waardoor de brokstukken zeker dertig meter de lucht in vlogen. Bovendien blokkeerde het wrak de weg.

Maar door het afschieten van de granaat had Robie ook zijn positie verraden, zodat hij nu vanuit de andere trucks werd beschoten. Hij laadde een nieuwe granaat, richtte en vuurde op de tweede truck, terwijl hij door een kogel in zijn borst werd geraakt en achterover op zijn kont viel.

De tweede truck explodeerde. Robie hoorde de kreten van de mannen die waarschijnlijk levend verbrandden of zwaargewond waren.

Hij keek naar zijn borst waar de kogel bijna door zijn kogelvrije vest was gedrongen. Hij voelde de blauwe plek op zijn borstbeen. Het voelde alsof hij onder een auto was gekomen.

Hij stond op en pakte zijn wapen.

Er stonden nog twee andere trucks, maar die konden niet langs de beide vernietigde voertuigen. De bewakers renden langs de vlammen en schoten op hem.

Robie maakte zijn automatische geweer klaar, zette de bipod neer, ging op zijn buik liggen, ademde diep uit, drukte zijn kin tegen de kolf van het wapen, keek door de nachtscoop, richtte en vuurde. En hij bleef schieten. Hij vond een doelwit en haalde de trekker over. Hij vond een nieuw doelwit en haalde de trekker over.

Hij had net zo goed op een schietbaan kunnen staan waar hij kalm papieren doelwitten neermaaide. Behalve dan dat dit hier mannen waren die terugschoten. De kogels vlogen hem om de oren. Maar hij had de hoogste positie en hij bleef schieten. En met elk schot stierf een man.

Toen zijn munitie op was explodeerde de eerste mortier nog geen vijftien meter bij hem vandaan. De aarde trilde zo hevig dat hij zijn geweer losliet en met zijn gezicht in de modder viel.

De volgende zou veel dichterbij zijn, wist hij.

Hij kon hier niet langer blijven. Het enige wat hij tegenover deze overmacht aan wapens en mankracht kon doen, was zich terugtrekken.

Hij rende terug naar zijn scooter en klom erop.

Nu er maar één man op de scooter zat, ging hij veel sneller.

Hij racete over het pad, sloeg links af en kwam uiteindelijk bij de weg. Hij reed zo hard mogelijk terwijl de kogels langs hem heen vlogen. Hij reed ongeveer vijf minuten door en maakte de afstand tussen zichzelf en zijn achtervolgers zo groot mogelijk.

Hij realiseerde zich dat hij nog niet buiten het bereik van de mortier was toen er vlak voor hem een mortier insloeg en de nachtelijke skyline verlichtte als door een miljard kaarsen. Hij moest een scherpe bocht naar rechts maken en een helling op rijden om niet door de rondvliegende brokstukken te worden geraakt.

Hij sprong van de scooter toen een andere mortier nog geen zes meter bij hem vandaan insloeg. Weer trilde de aarde en door de kracht van de explosie werd hij pijnlijk over het ruige terrein geslingerd.

Hij stond op, onder de modder. Zijn been deed pijn. Hij voelde aan zijn bovenbeen en daarna was zijn hand vochtig en rood.

Hij rende terug naar zijn scooter, maar de moed zakte hem in de schoenen: het voorwiel was verwrongen. Hij keek naar voren, nog kilometers te gaan. Te voet zou hem dat een eeuwigheid kosten. Dan was de boot allang vertrokken.

Hij keek achterom. Ze achtervolgden hem nog steeds.

Oké, dacht Robie, dit is het dan. Maar hij zou niet zonder strijd ten onder gaan.

Hij haalde zijn pistolen uit hun holsters en controleerde of ze volledig geladen waren. Hij begon te rennen, hoewel dat moeilijk was met zijn gewonde been. Maar alles aan zijn werk was moeilijk, dus verdrong hij de pijn en rende door.

Hij had ongeveer drie pijnlijke kilometers afgelegd toen hij het hoorde.

Het geratel was een bekend geluid.

De Noord-Koreanen hadden luchtsteun ingeroepen.

Ja, dat was slim. En dat betekende ook het einde voor hem.

Hij keek omhoog en zag het donkere silhouet van de helikopter. De heli had geen enkel licht aan en hij vroeg zich af waarom niet. Hij verwachtte een zoeklicht waarmee ze konden zien waar hij zich bevond.

Opeens hoorde hij iets in zijn oortje.

‘Agent Robie, dit is luitenant-commandant Jordan Nelson van de US Navy in de heli. We begrijpen dat u wel wat assistentie kunt gebruiken.’

‘Klopt.’

‘We hebben u getraceerd via het elektronische positiesignaal dat u draagt, maar kunt u ons uw exacte coördinaten geven, meneer?’

Robie keek naar het verlichte apparaatje om zijn pols en gaf Nelson zijn exacte positie door.

De heli begon meteen te cirkelen en kwam iets dichter naar de grond boven een open plek in het bos.

Nelsons stem kwam weer door in Robies oortje. ‘Ben bang dat u op de skid mee zult moeten, meneer. We kunnen hier niet goed landen.’

‘Kom eraan.’

Robie rende over de open plek waar de heli ongeveer twee meter boven hing.

Nelson zei waarschuwend: ‘We zien vijanden op tien meter op zes en vier van u. We moeten gaan, meneer. Nu meteen.’

De Noord-Koreanen hadden hun achterstand snel ingelopen. Misschien hadden ze de trucks verplaatst en konden ze daarna doorrijden. En nu fungeerde de helikopter als een baken voor hen. Dat alles was niet best.

Ondanks zijn gewonde been rende Robie zoals hij nooit eerder had gerend. Dit was echt zijn allerlaatste kans.

Een kleine meter van de heli, terwijl hij nog steeds werd beschoten, dook hij naar voren en smakten zijn handen tegen de linkerskid van de heli. Hij sloeg zijn benen eromheen en hield zich stevig vast. ‘Ga! Ga!’ schreeuwde hij in zijn headset.

De helikopter schoot verticaal omhoog en wel met zo’n snelheid dat Robie het gevoel had dat zijn maag op de grond achterbleef.

Terwijl de geweerkogels aan alle kanten langs hem heen vlogen, liet de heli de bomen achter zich, maakte een scherpe bocht naar links, ging weer recht vliegen en daarna duwde de piloot de gashendel naar voren.

Ze vlogen snel in westelijke richting. De zijdeur van de heli werd opengeschoven en een man met een helm op keek naar Robie. Hij schreeuwde: ‘Wilt u misschien in de eerste klasse zitten, meneer?’

‘Als daar genoeg plaats is,’ schreeuwde Robie terug. ‘De toeristenklasse is waardeloos!’

De lier van de helikopter werd opgesteld en een zware kabel neergelaten. De piloot ging iets langzamer vliegen, zodat de windkracht op de kabel werd verminderd.

Robie greep de kabel waar een harnas aan vastzat en wikkelde hem om zijn middel; hij maakte de gordel stevig vast. Hij stak zijn duim op naar de man met de helm, waarop de heli langzamer ging vliegen en in de lucht bleef hangen.

Robie liet de skid los en sprong omhoog. De motor van de kabel trok hem langzaam naar boven. Zodra hij bij de deur was, trokken twee mannen die zelf aan een kabel zaten zodat ze niet te pletter konden vallen de lier dichter naar de heli en hielpen Robie naar binnen.

Zijn harnas werd losgemaakt en de lier werd weer in zijn oorspronkelijke positie gezet.

De deur van de heli schoof dicht en Robie slaagde erin een stoel vast te pakken voordat de piloot vol gas gaf en ze keihard wegvlogen.

‘Bent u gewond, meneer?’ vroeg een van de mannen.

‘Niets levensgevaarlijk. Maar ik moet een boodschap doorgeven aan agent Reel. Ik wil niet dat ze...’

‘Al gebeurd, meneer. Zij is degene die ons opdracht gaf u te assisteren. Zij hebben hun rib bereikt en zijn op weg naar open zee. Wij zijn afkomstig van hetzelfde vliegdekschip dat hen in de Korea Bay zal oppikken. Het uss George Washington. Daar zullen we elkaar treffen.’

‘Dát wilde ik horen,’ zei Robie opgelucht.

‘O, en agent Reel vroeg me u een boodschap door te geven.’

‘Wat dan?’

De helm werd afgezet en onthulde een jonge man van een jaar of twintig met donkerblond haar. Hij grijnsde en zei: ‘Ik citeer, meneer, u bent haar een verdomd goede maaltijd en een bijzonder dure fles wijn schuldig.’

Robie glimlachte terug. ‘Oké, komt in orde.’

Doelwit
537e3c4656c646.html
537e3c4656c647.html
537e3c4656c648.html
537e3c4656c649.html
537e3c4656c6410.html
537e3c4656c6411.html
537e3c4656c6412.html
537e3c4656c6413.html
537e3c4656c6414.html
537e3c4656c6415.html
537e3c4656c6416.html
537e3c4656c6417.html
537e3c4656c6418.html
537e3c4656c6419.html
537e3c4656c6420.html
537e3c4656c6421.html
537e3c4656c6422.html
537e3c4656c6423.html
537e3c4656c6424.html
537e3c4656c6425.html
537e3c4656c6426.html
537e3c4656c6427.html
537e3c4656c6428.html
537e3c4656c6429.html
537e3c4656c6430.html
537e3c4656c6431.html
537e3c4656c6432.html
537e3c4656c6433.html
537e3c4656c6434.html
537e3c4656c6435.html
537e3c4656c6436.html
537e3c4656c6437.html
537e3c4656c6438.html
537e3c4656c6439.html
537e3c4656c6440.html
537e3c4656c6441.html
537e3c4656c6442.html
537e3c4656c6443.html
537e3c4656c6444.html
537e3c4656c6445.html
537e3c4656c6446.html
537e3c4656c6447.html
537e3c4656c6448.html
537e3c4656c6449.html
537e3c4656c6450.html
537e3c4656c6451.html
537e3c4656c6452.html
537e3c4656c6453.html
537e3c4656c6454.html
537e3c4656c6455.html
537e3c4656c6456.html
537e3c4656c6457.html
537e3c4656c6458.html
537e3c4656c6459.html
537e3c4656c6460.html
537e3c4656c6461.html
537e3c4656c6462.html
537e3c4656c6463.html
537e3c4656c6464.html
537e3c4656c6465.html
537e3c4656c6466.html
537e3c4656c6467.html
537e3c4656c6468.html
537e3c4656c6469.html
537e3c4656c6470.html
537e3c4656c6471.html
537e3c4656c6472.html
537e3c4656c6473.html
537e3c4656c6474.html
537e3c4656c6475.html
537e3c4656c6476.html
537e3c4656c6477.html
537e3c4656c6478.html
537e3c4656c6479.html
537e3c4656c6480.html
537e3c4656c6481.html
537e3c4656c6482.html
537e3c4656c6483.html
537e3c4656c6484.html
537e3c4656c6485.html
537e3c4656c6486.html
537e3c4656c6487.html
537e3c4656c6488.html
537e3c4656c6489.html
537e3c4656c6490.xhtml