50
Ze had naar meer dan honderd kinderen tussen de vier en veertien jaar gekeken. In bepaalde opzichten leken ze allemaal op elkaar: slecht gevoed, vies en een lege blik in hun ogen. Ze had met iedereen even gepraat. Hun antwoorden, als ze al iets zeiden, waren aarzelend, houterig en eenvoudig. Niets daarvan was hun eigen schuld, wist ze.
Ze vroeg aan de bewaker die haar gezelschap hield: ‘Hoeveel van hen zijn hier geboren?’
Hij keek haar met een arrogante blik aan, maar hij had ongetwijfeld opdracht gekregen volledig mee te werken omdat er anders repercussies zouden volgen. Onverschillig keek hij naar de rij jonge gevangenen. Voor hem hadden het net zo goed kuikens kunnen zijn die in de rij stonden om te worden geslacht.
‘De helft ongeveer,’ antwoordde hij terloops en hij veegde een beetje vuil van zijn geweer. ‘Het waren er meer, maar dat waren ongeautoriseerde geboortes en die zijn dus gedood, tegelijk met hun moeder.’
Chung-Cha wist dat de opleiding van de kinderen, of wat daarvoor doorging, volkomen onvoldoende was. Ze groeiden op als dwazen en zouden wegteren als dwazen, ongeacht de pit die ze hadden om meer in hun leven te bereiken. Op een bepaald moment, hoe groot de woede ook was die in hun binnenste raasde, zouden de afranselingen, de uithongering en de hersenspoeling die ze hier kregen alle hoop doven − tot ze niets meer voelden. Zelf had ze het idee dat zij, als ze ook maar één dag langer in Yodok was gebleven, hier nooit levend vandaan zou zijn gekomen.
In de verte zag Chung-Cha een groep kinderen zwoegen onder het gewicht van houtblokken of emmers gevuld met mest.
Eén kind struikelde en viel, waardoor de inhoud van haar emmer op de grond viel. De bewaker die de groep begeleidde sloeg haar keihard met een stok én met de loop van zijn geweer, en moedigde vervolgens de andere kinderen aan haar aan te vallen, wat ze ook deden. Ze hadden geleerd dat wanneer één van hen faalde zij allemaal werden gestraft, en ze hadden geleerd de woede die ze voor hun bewakers voelden, wat normaal was, af te reageren op een van hen.
Chung-Cha bleef kijken tot de kinderen ophielden met slaan. Ze had niet geprobeerd de aanvallers tegen te houden. Zelfs met de documenten van de Opperste Leider in haar zak kon ze zoiets onmogelijk doen zonder gestraft te worden. De regels van de kampen waren ijzeren regels, en iemand zoals zij zou daar niet tussen kunnen komen zonder daar de gevolgen van te ondervinden.
Maar ze had ook helemaal niet de behoefte om in te grijpen. Ze wílde er het resultaat van afwachten, want zelfs van deze afstand had ze iets gezien wat haar intrigeerde.
Het meisje dat een pak slaag had gekregen, stond op, veegde het bloed van haar gezicht, pakte de emmer van de grond, verzamelde de mest en stopte die met haar blote handen in haar emmer. Daarna liep ze langs de bewaker en de andere kinderen die haar hadden geslagen. Ze liep met geheven hoofd en hield haar blik gericht op iets voor zich.
‘Wie is die gevangene?’ vroeg Chung-Cha aan de bewaker.
Hij tuurde in de verte en werd bleek. ‘Zij heet Min.’
‘Hoe oud is ze?’
De bewaker haalde zijn schouders op. ‘Een jaar of tien, misschien jonger. Ze is een lastpak.’
‘Waarom?’
Hij keek haar grijnzend aan. ‘Ze is een keiharde kleine bitch. Ze krijgt slaag en toch loopt ze weg alsof ze een overwinning heeft geboekt. Ze is stom.’
‘Breng haar naar me toe.’
Zijn grijns verdween en hij keek op zijn horloge. ‘Ze moet nog zes uur werken.’
‘Breng haar naar me toe,’ zei Chung-Cha weer, overtuigender, terwijl ze de man strak bleef aankijken.
‘We hebben hier over u gehoord. Wat u in Bukchang hebt gedaan.’ Hij zei dit op een knorrige toon, maar Chung-Cha, die bijna altijd kon voelen of iemand bang was, wist zeker dat de man bang voor haar was.
‘Over dat ik die corrupte mannen heb vermoord? Ja, dat heb ik gedaan. Ik heb ze allemaal gedood. De Opperste Leider was me bijzonder dankbaar. Als beloning heeft hij me een elektrische rijstkoker gegeven.’
De bewaker keek haar verbaasd aan, alsof ze hem zojuist had verteld dat er een berg goud voor haar deur was afgeleverd. ‘Bent u daarom hier?’ vroeg hij. ‘Vermoeden ze corruptie?’
‘Is hier dan sprake van corruptie?’ vroeg Chung-Cha agressief.
‘Nee, nee, helemaal niet. Dat beloof ik u.’
‘Een belofte is heel belangrijk, kameraad. Daar zal ik u aan houden. Maar breng nu Min naar me toe.’
Hij maakte een snelle buiging en liep vlug weg om haar op te halen.
Twintig minuten later zat Chung-Cha in een klein vertrek met twee stoelen en één tafel. Zij zat in een van de stoelen en keek naar het kleine meisje. Ze had Min gevraagd of ze wilde zitten. Min had dat geweigerd; ze bleef liever staan, zei ze. En ze stond, met gebalde vuisten, en ze keek Chung-Cha aan met een uitdagende blik. Chung-Cha wist dat het een wonder was dat ze hier ondanks die blik nog in leven was.
‘Mijn naam is Yie Chung-Cha,’ zei ze. ‘Mij is verteld dat jij Min heet. Hoe heet je nog meer?’
Min zei niets.
‘Heb je hier familie?’
Min zei niets.
Chung-Cha keek naar de armen en benen van het meisje. Er zaten littekens en blauwe plekken op en ze waren vies. Ze had open, etterende wonden. Alles aan dit meisje was een open, etterende wond. Maar in haar ogen, ja, in haar ogen zag Chung-Cha een vuur dat volgens haar geen enkel pak slaag en geen enkele ziekte kon doven.
‘Ik at ratten,’ zei Chung-Cha. ‘Zo veel mogelijk. Dat vlees voorkwam dat ik de ziektes kreeg die de anderen hier kregen. Dat komt door de proteïne. Dat wist ik toen niet, dat hoorde ik pas later. Daar heb ik geluk mee gehad.’
Ze zag dat Min haar handen ontspande. Toch keek ze nog steeds bezorgd. Dat kon Chung-Cha wel begrijpen.
De officiële eerste kampregel luidde misschien wel: je mag niet ontsnappen, maar de onofficiële regel die veel belangrijker was voor iedere gevangene luidde: je mag niemand vertrouwen.
‘Ik woonde in de eerste hut aan het pad links van het binnenhek,’ zei Chung-Cha. ‘Dat is al een paar jaar geleden.’
‘U was dus een vijandige.’ Dit waren de eerste woorden die Min had gezegd. ‘Waarom bent u niet langer hier?’ vroeg ze, terwijl in elk woord haar woede en afkeer doorklonken.
‘Omdat ik voor anderen buiten dit complex meer van nut was.’
‘Hoe dan?’ vroeg Min, niet langer op haar hoede.
Door die vraag zag Chung-Cha wat ze had gehoopt te zien. Dit meisje wilde hier weg, terwijl zoveel gevangenen, zelfs jonger dan zij, zich er helemaal bij hadden neergelegd dat ze hier altijd zouden wonen. Hun vuur en hun moed waren voor altijd verdwenen. Dat was triest, maar een feit. Ze waren verloren.
‘Ik was een keiharde kleine bitch,’ antwoordde Chung-Cha.
‘Ik ben ook een keiharde kleine bitch.’
‘Dat kon ik zien. Dat is de enige reden waarom je hier met me staat te praten.’
Min knipperde en ontspande zich nog iets meer. ‘Hoe kan ik ú van nut zijn?’
Opstandig, maar intelligent en wat daarbij hoorde, slim, dacht Chung-Cha. Dat was ook de letterlijke betekenis van het Koreaanse woord min: slim en intelligent.
‘Hoe denk jij dat jij dat zou kunnen zijn?’ vroeg Chung-Cha.
Min dacht hier even over na.
Chung-Cha kon de radertjes in haar hoofd bijna zien draaien.
‘Hoe was u nuttig voor anderen?’ vroeg Min. ‘Waardoor u hier weg mocht?’
Chung-Cha slaagde erin haar glimlach en haar voldoening te verbergen. Min bewees de uitdaging aan te kunnen. ‘Ik was opgeleid om een bepaalde taak uit te voeren.’
‘Dan kan ik dat ook,’ zei Min.
‘Ook al weet je niet wat die taak inhoudt?’
‘Ik kan alles doen,’ verklaarde Min. ‘Ik zál alles doen om hier weg te kunnen.’
‘En je familie?’
‘Ik heb geen familie.’
‘Zijn ze dood?’
‘Ik heb geen familie,’ zei Min weer.
Chung-Cha knikte langzaam en stond op. ‘Over een week kom ik terug. Dan moet je klaar zijn om te vertrekken.’
‘Waarom over een week?’
De vraag verbaasde Chung-Cha. ‘Deze dingen kosten tijd. Er moeten dingen geregeld worden en papieren worden ingevuld.’
Min keek haar twijfelend aan.
‘Ik kom terug.’
‘Maar dan leef ik misschien niet meer.’
Chung-Cha hield haar hoofd scheef. ‘Hoezo?’
‘Ze zullen weten wat u gaat doen.’
‘En?’
‘En ze zullen me niet laten gaan.’
‘Ik ben hier met de hoogste autoriteit. De bewakers zullen je niets doen.’
‘Er gebeuren ongelukken. En niet alleen door de bewakers.’
Chung-Cha knikte bedachtzaam. ‘Door de andere gevangenen?’
‘Zij trekken zich niets aan van de hoogste autoriteit. Wat hebben ze ook te verliezen?’
‘Hun leven?’
Min vertrok haar gezicht. ‘Wat kan hen dat schelen? Dat zou alleen maar prettig voor hen zijn.’
Chung-Cha wist dat ze daar helemaal gelijk in had.
‘Dan zullen we hier vandaag vertrekken.’
Min glimlachte, waarschijnlijk voor het eerst in haar leven.