5

Het was niet donker in de buik van de Iad Uroboros, en het was ook niet licht. Er was alleen een afwezigheid - van licht en donker, van hoog­te en diepte, van geluid en structuur - die voor de vergetelheid zelf had kunnen doorgaan als Joe niet had kunnen opsommen wat er allemaal ontbrak. Vergetelheid, daar was hij zeker van, moest iets zonder ge­dachten zijn.

Dus wat was dit voor een plaats, en wat was zijn positie hier? Was hij een of ander soort geest die door het hoofd van de Iad spookte? Of een ziel, gevangen in het beest, totdat het hem uitkotste of zelf te gron­de ging? Hij had niet het gevoel dat zijn bestaan hier werd bedreigd, maar hij vermoedde dat zijn greep op degene die hij was binnenkort erg zwak zou worden. Het zou alleen maar een kwestie van tijd zijn voor­dat zijn gedachten hun samenhang verloren en hij zichzelf helemaal ver­gat.

Dat vooruitzicht had hem wel aantrekkelijk geleken toen hij bij de vijver in de tempel had gestaan. Hij had zijn leven geleefd en was be­reid het op te geven. Maar nu hij in de leegte zweefde (voor zover je van iets zonder substantie kon zeggen dat het zweefde), vroeg hij zich af of zijn aanwezigheid hier misschien was bewerkstelligd of voorspeld door de Zehrapushu. Hij herinnerde zich hoe gretig de eerste 'shu die hij had ontmoet, op het strand bij Liverpool, hem had bestudeerd. Had die 'shu, of de geest waarvan hij deel uitmaakte, gekeken in hoeverre hij, Joe, in staat zou zijn een rol te spelen in de komende gebeurtenis­sen? Had de 'shu verder gekeken dan zijn lichaam om na te gaan of hij iets waard zou zijn in de buik van de Iad?

In dat geval - als zijn aanwezigheid hier dus een bedoeling had - was het zijn plicht ten opzichte van de 'shu, wiens blik zonder enige twijfel een van de geweldigste ervaringen was geweest die hij tijdens zijn rei­zen had opgedaan, om in stand te houden wat er nog van hem restte, dus zijn herinneringen, zijn geest, zijn ziel, en niet voor de vergetelheid te bezwijken.

Noem je naam, dacht hij. Probeer die dan tenminste nog te onthou­den. Hij had natuurlijk geen mond, noch een tong noch lippen noch longen. Het enige dat hij kon doen was denken:

Ik ben Joe Flicker. Ik ben Joe Flicker.

Het had onmiddellijk effect. Er ging een beweging door de vormloosheid heen en vormen begonnen door te dringen tot zijn ziel.

Hij kon natuurlijk niet nagaan wat zijn ware grootte hier was. Mis­schien was hij heel klein in die vormloze vorm - als een stofje in een bundel zonlicht - en in dat geval was alles wat om hem heen aan het stollen was niet titanisch groot, maar was hijzelf, de waarnemer, een spikkeltje. Hoe dan ook, hij voelde zich onbeduidend in vergelijking met die samenhangende vormen. Hij keek in alle richtingen, naar de overkoepelende duisternis boven hem, waar onregelmatige gedaanten zich bewogen alsof zich daar een broedplaats voor oorlogsschepen be­vond, en in de diepte beneden hem, waar hij een latwerk van aange­koekte materie zag, omgeven door deinende abstracties.

Hij was er absoluut niet zeker van dat het allemaal echt was wat hij zag, zoals het lichaam dat naast de tempelvijver had gelegen echt was geweest. Misschien waren het alleen maar gedachten in het hoofd van de Iad Uroboros en bevond hij zich in een Iadisch visioen van hemel en hel: een firmament van onvoltooide engelen, een diepte vol onzinnig­heden en daartussenin een eindeloos groot, uiterst gecompliceerd web van verknoopte en gecorrumpeerde herinneringen.

Er waren plaatsen, zag hij, waar de slierten samenklonterden en gro­te, bijna ovale massa's vormden. Zijn nieuwsgierigheid was groot ge­noeg om hem voort te drijven. Hij had ze nog maar net opgemerkt of zijn geest bewoog zich naar de grootste in zijn onmiddellijke nabijheid. Hoe dichter hij het verschijnsel naderde, des te verontrustender kwam het op hem over. Terwijl de aangekoekte materie op het web zo te zien iets van organische aard was, was het oppervlak van het ei iets heel an­ders. Het was een massa overlappende gedaanten, als de stukjes van een krankzinnige jigsawpuzzel, elk net niet passend in het stukje eronder, en elk met een verbijsterend ingewikkelde vorm.

De buitenkant was trouwens niet het enige schrikbarende. Er kwam een geluid uit, of beter gezegd, verscheidene geluiden, door elkaar heen zwermend. Zo was er het fluisteren van kinderen, en een langzaam, on­regelmatig kloppen, als het slaan van een tekortschietend hart. En het derde geluid was een gejengel dat zich een weg naar Joe's gedachten kronkelde alsof het die uit elkaar wilde trekken.

Hij kwam in de verleiding zich terug te trekken, maar deed dat niet en dreef zijn geest voort. Hij raakte er steeds meer van overtuigd dat hier een grote pijn was; een bijna ondraaglijke pijn. Het oppervlak van de gedaante was een catalogus van krankzinnige bewegingen: tics en spasmen en stuiptrekkingen. De legpuzzelstukjes vielen op honderd plaatsen als afgeworpen schubben weg, terwijl andere, doornig en rauw in hun ontluikende vorm, zich openkrulden.

Links van hem trok iets iriserends zijn aandacht, en toen hij die kant

op keek, zag hij dat door het afwerpen van schubben tijdelijk zichtbaar was geworden wat er onder die krankzinnige, fluisterende massa schuil­ging. Hij ging ernaartoe en voor het eerst sinds hij het ei was genaderd had hij het gevoel dat zijn aanwezigheid was opgemerkt. De bewegin­gen werden koortsachtiger naarmate hij dichter bij het iriserende kwam, en overal eromheen sijpelde een donkere vloeistof uit de schubbige stuk­jes, alsof ze de plek aan het oog wilden onttrekken terwijl ze aan een meer permanente afdekking werkten. Joe liet zich niet misleiden. Hij ging dichter naar de iriserende vlek toe, want hij wist zeker dat daar een mysterie van vitaal belang te vinden was, en in reactie daarop wer­den de bewegingen nog koortsachtiger, tot de trillingen plotseling een kritische massa leken te hebben bereikt en een stuk of tien gedaanten zich van het oppervlak losmaakten en hem omringden.

Geen van die gedaanten had iets lichamelijks. Hij kon geen ledema­ten onderscheiden, geen hoofd, laat staan een oog of een mond. Maar ze gaapten en trilden en zwollen zodanig dat de suggestie van alle mo­gelijke schanddaden werd gewekt. Het was iets dat van al het inwen­dige was ontdaan, maar dat leefde; iets dat geaborteerd was, maar dat leefde; iets dat tot slijk was vervallen, maar dat leefde en leefde. Hoe­wel hij zijn lichaam achter zich had gelaten en dacht dat hij er voor­goed van verlost was, herinnerden die gruwelijke wezens hem aan ie­dere wond die hij ooit had opgelopen, aan iedere ziekte, iedere zwakheid.

Maar hij was nu zo dicht bij dat iriserende gekomen dat hij zich niet meer liet afschrikken. Hij wendde zijn blik van die manifestaties af en glipte door hun net, en kwam zo in het midden van welk geheim het ook was dat ze verborgen trachtten te houden.

Hij kwam in een soort gebogen buis, waar hij doorheen vloog. De buis werd smaller en smaller, alsof hij in een spiraal terecht was geko­men. Het licht dat hem hierheen had gelokt, nam intussen niet in in­tensiteit af, maar bleef hetzelfde, terwijl de bochten steeds strakker wer­den en de buis nu zo smal was dat een haar er nooit doorheen had gekund. En toch werd de buis nog smaller, tot hij het gevoel begon te krijgen dat de buis straks uit de existentie zou verdwijnen en hem mis­schien mee zou nemen. Die gedachte was nog maar net bij hem opge­komen of hij kreeg het gevoel dat hij langzamer ging, en even later kwam hij nog maar nauwelijks vooruit. Toch was zelfs in dit kruipende tem­po te merken dat de spiraal steeds strakker werd, rond en rond in zich ineengedraaid, tot er een eind kwam aan alle beweging. Verbaasd wacht­te hij in de glanzende buis op wat er gebeuren ging. En toen begon het hem langzaam te dagen dat hij niet alleen was. Hij keek voor zich uit en hoewel hij niets kon zien, wist hij dat er iets naar hem terugkeek.

Hij beantwoordde de blik zonder enige angst, en toen hij dat deed,

begonnen er allerlei beelden in hem op te komen: mooie, eenvoudige beelden van de wereld die hij had achtergelaten.

Een veld met mals gras waarover een zomerbries ging. Een veranda, overwoekerd met vuurrode bougainvillea, waar een kind met witblond haar lachte. Een broodjeswinkel aan het eind van de dag, met de avond­ster erboven, in een smetteloos blauwe hemel.

Iemand droomde hier, dacht hij, iemand hunkerde naar het Heiter In­cendo. En het was iemand die daar was geweest en alles met eigen ogen had aanschouwd.

Menselijk. Er was hier iets menselijks. Een gevangene van de Iad, nam hij aan, gevangen in deze glanzende spiraal en bewaakt door wat er nog over was van vlees en de zwakheden daarvan.

Hij kon het niet onderzoeken. Hij kon niet nagaan of het hem sim­pelweg in zijn beeldenwereld had opgenomen, of dat het begreep dat het niet meer alleen was. In het laatste geval kon hij het misschien be­vrijden, kon hij het misschien uit zijn dromende cel verlossen.

Hij liet zijn nieuwsgierige geest rechtsomkeert maken en begon terug te gaan door de buis, in de hoop dat de gevangene hem zou volgen. Hij werd niet teleurgesteld. Na enkele seconden werd de buis weer breder en toen hij achteromkeek, voelde hij dat de oogloze blik op hem gericht was.

Toch bleef de ontsnapping niet zonder gevolgen. Hij bewoog zich steeds vlugger en om hen heen sprongen barsten in de muren, en de vloeistof die hij tussen de schubben door had zien sijpelen kwam drup­pelend in zicht. Het was niet, begreep hij nu, het bloed van de Iad, maar eerder de ruwe materie daarvan, en het ging bijna meteen over in de­zelfde ellendige, misselijkmakende gedaanten.

Maar ondanks al hun ontluikende verdorvenheid was er iets aan hen dat hij met wanhoop in verband bracht. Mocht hij geloven dat zij... of beter gezegd: dat de geest die hen leidde, bang was? Niet voor hem, mis­schien, maar voor wat zijn geest volgde, de dromer die hij met zijn aan­wezigheid had gewekt?

Hoe verder de twee geesten kwamen, des te meer raakte hij ervan overtuigd dat het zo was. De barsten waren nu spleten en de modder van de Iad viel op hun pad. Maar ze waren als kwikzilver. Voordat de Iad hen met gruwelen de weg kon versperren, ontsnapten ze uit de spi­raal en doken ze tussen de eenheden door die zich overal uit de gevan­genis hadden verheven. Sommigen leken vleugels van hun gevilde hui­den te hebben gemaakt, anderen zagen eruit als dingen die binnenstebuiten waren gekeerd; weer anderen zagen eruit als een zwerm verbrande vogels, samengenaaid in een afschuwelijke gedaante. Ze kwa­men als een walgelijke horde achter de voortvluchtigen aan en hun ge­fluister zwol nu aan tot gekrijs. Hun lichamen kwamen tegen de slier­ten en trokken ze met zich mee, en toen Joe achteromkeek, schudde het web in alle richtingen en kwam er een regen van dode materie uit, die als zwarte hagel op zijn geest sloeg.

Die hagel werd algauw zo dicht dat hij het contact met de dromer ge­heel en al verloor. Hij probeerde terug te gaan om die medegeest te vin­den, maar de horde was veel groter geworden en kwam als een razen­de muur op hem af en duwde daarbij een vlaag van hagel voor zich uit. Hij voelde dat hij keer op keer getroffen werd. Iedere aanval sloeg hem terug en verblindde hem daarbij volkomen, tot hij de koepel en de diep­te en alles wat daartussenin zat niet meer kon zien. Hij tastte enkele ogenblikken in de duisternis, zonder te weten uit welke richting hij ge­komen was, en toen was hij tot zijn verbazing opeens in een schitterend licht gehuld en viel hij door de lege lucht.

Beneden hem zag hij de droomzee, die kolkte van opwinding bij de nadering van de Iad, en daarachter zag hij een stad met een haven waar­in de schepen zo hoog werden opgetild dat ze ieder moment in de stra­ten geworpen konden worden.

Het was natuurlijk Liverpool. Terwijl hij zich in het hoofd of de buik van de Iad had gewaagd, was het wezen over Quiddity gegaan, en nu bevond het zich bijna op de drempel tussen de werelden. Vallend te mid­den van de hagel van de Iad had hij de gelegenheid om langs de kust naar de deur te kijken. Die was nog in mist gehuld, maar hij kon de donkere barst zien en meende ook een glimp op te vangen van een ster die boven Harmons Hoogten aan de hemel stond.

Toen viel hij in het water, nog steeds te midden van een hagel van Iadische materie, en voordat hij zijn geest van het gewicht van die mate­rie kon bevrijden, verhief zich een golf onder hem. De golf hield hem hoog op een vlot van wrakstukken en droeg hem mee naar de straten van de stad, waar hij werd achtergelaten, gestrand in de schaduw van de macht die hem had uitgescheten.