8

I

Toen Tesla haar ogen opende, was D'Amour al bezig haar overeind te trekken.

'We hebben nog meer problemen,' zei hij, knikkend in de richting van de straat.

Ze keek in de aangegeven richting, maar werd afgeleid door de vreem­de taferelen om hen heen. De orkestleden die op handen en voeten weg­kropen, als geslagen dieren. De overgebleven toeschouwers, van wie ve­len onbedaarlijk snikten en anderen al even onbedaarlijk baden, staand of knielend in een chaos van prijsgegeven bezittingen: handtasjes, hot dogs, wandelwagentjes. En voorbij dat alles naderde de politie het kruis­punt, drie mannen met getrokken pistolen.

'Sta stil!' schreeuwde een van hen. 'Jullie allemaal, sta stil!';

'Laten we dat maar doen,' zei Tesla met een blik achterom naar Bud­denbaum. Hij had zijn beide armen tot aan de ellebogen in de grond en bewoog ze op en neer, op en neer, een beweging die ze onwillekeurig met seks associeerde - en dat alles om dat gat in de massieve wereld groter te maken. De lucht om hen heen was neveliger dan ooit en de in­houd van die nevel was onbegrijpelijk.

'Wat doet hij daar, verdomme?' mompelde D'Amour tegen haar.

'Hij zit achter de Kunst aan,' zei Tesla.

'Jullie twee, kop houden!' schreeuwde de voorste politieman naar hen. En tegen Buddenbaum: 'Jij! Sta op! Ik wil je handen zien!'

Buddenbaum liet niet blijken dat hij het bevel had gehoord, laat staan dat hij het opvolgde. Het bevel werd in ongeveer dezelfde bewoordin­gen herhaald. Opnieuw volgde er geen enkele reactie.

ik tel tot drie...' waarschuwde Jed.

'Toe dan...' mompelde Tesla. 'Schiet die klootzak overhoop.'

'Eén...'

Jed bleef al tellend dichterbij komen, op de voet gevolgd door zijn agenten.

'Twee...'

'Hé, Jed?' zei Floyd Weeks.

'Hou je kop.'

'Ik voel me niet zo goed.'

Jed keek om naar Weeks. De man had de kleur van een pisbak en zijn ogen draaiden wild in hun kassen. 'Doe dit niet!' beval Jed hem. Dit be­vel werd net zomin opgevolgd als het bevel dat hij aan Buddenbaum had gegeven. Het pistool viel uit Weeks' bevende handen en hij liet een zucht ontsnappen die net zoveel met genot als met capitulatie te maken had. Toen zakte hij op zijn knieën.

'Ik heb nooit geweten...' mompelde hij. 'O god, waarom heeft nie­mand... waarom heeft niemand het me ooit verteld?'

'Let niet op hem,' zei Jed tegen Cliff Campbell.

De man gehoorzaamde, maar kreeg nu met eigen waanvoorstellingen te maken. 'Wat gebeurt er, Jed?' mompelde hij. 'Waar komen die vrou­wen vandaan?'

'Welke vrouwen?' zei Jed.

'Overal om ons heen,' zei Campbell. 'Zie je ze niet?'

Gilholly wilde net met zijn hoofd schudden toen hij een diep kreungeluid voortbracht. 'O mijn god,' zei hij.

'Ben je klaar?' mompelde D'Amour tegen Tesla.

'Zo klaar als het maar kan.'

Harry keek weer naar Gilholly, die verwoede pogingen deed zijn her­sens bij elkaar te houden. 'Dit gebeurt niet...' mompelde hij en zijn ogen zochten steun bij Campbell. Die steun bleef uit. Zijn ondergeschikte was op zijn knieën gevallen en lachte in zichzelf als een idioot. In zijn wan­hoop richtte Jed zijn pistool op de gedaanten die voor hem door de lucht zweefden. 'Uit de weg!' riep hij ze toe. 'Ik meen het. Zo nodig zal ik dit gebruiken.'

'Laten we gaan,' zei Harry, 'zolang hij nog afgeleid is,' en hij en Tes­la begonnen over het midden van de straat te lopen.

Jed zag hun vluchtpoging.

'Jullie! Blijf staan...' Hij haperde midden in het bevel, alsof hij de woorden vergeten was. 'O Jezus,' zei hij met bevende stem. 'Jezus, Je­zus, Jezus...'

Toen zakte hij eindelijk ook op zijn knieën.

Midden op de straat liet Buddenbaum een kreet van frustratie horen. Er was hier iets mis. Het ene moment was het wegdek vloeibaar geweest en was alle kracht naar het hart van het kruispunt gestroomd, en het volgende moment was de smaak die hij in zijn mond had gehad hele­maal verzuurd en verhardde de grond rond zijn arm. Hij trok zijn arm uit de grond en het was of hij zijn hand uit de ingewanden van een dood of stervend beest haalde. Er ging een huivering van walging door hem heen en de tranen sprongen hem in de ogen.

'Owen...?'

Dat was natuurlijk de stem van Seth. Die stond een meter of twee van hem vandaan en keek nogal angstig, is er iets misgegaan?' Bud­denbaum knikte. 'Weet je ook wat?'

'Misschien dit,' zei Owen, en hij hield zijn hand tegen zijn gewonde hoofd. 'Misschien heeft het me afgeleid en...'

'Kom mee,' zei Seth.

Owen hief zijn gewonde hoofd en keek aandachtig naar de lucht. 'Wat zie je?' zei hij.

'Die vrouwen, bedoel je?'

Owen tuurde. 'Ik zie alleen maar lichtgevende gedaanten. Zijn het vrouwen?'

'Ja.'

'Weet je dat zeker?'

'Ja.'

'Dan is het een soort komplot,' zei hij. Hij greep Seths arm vast en hees zich overeind, iemand heeft ze daar neergezet om de werking te blokkeren.'

'Wie?'

'Ik weet het niet,' zei Buddenbaum. 'Iemand die het weet...' Hij zweeg en keek in Tesla's richting. 'Bombeck,' mompelde hij. En toen schreeuw­de hij: 'Bombeck!'

'Wat is er met hem aan de hand?' zei Harry toen Buddenbaum naar hen toe kwam.

'Hij denkt dat ik hier ben om de Kunst in te pikken.'

'En is dat zo?'

Tesla schudde haar hoofd. 'Ik heb gezien wat de Kunst met de Jaff heeft gedaan,' zei ze. 'En hij was er klaar voor. Tenminste, dat dacht hij.'

Buddenbaum kwam dichterbij. Harry greep naar zijn pistool, maar Tesla zei: 'Daarmee hou je hem niet tegen. Laten we maken dat we weg­komen.'

Ze wendde zich van Buddenbaum af en zag dat er inmiddels een klein meisje was verschenen dat ernstig naar hen keek. Ze was volmaakt, op het absurde af: een klein meisje van vijf met blonde krulletjes in een wit­te jurk, met witte sokjes en witte schoentjes. Haar gezicht was roze, haar ogen waren groot en blauw.

'Hallo,' zei ze, haar gezicht lief en fris. 'Jij bent Tesla, hè?'

Tesla was niet in de stemming om met kinderen te praten, hoe vol­maakt ze ook waren. 'Ga jij je mama en papa maar zoeken,' zei ze.

'Ik heb het gezien,' zei het kind.

'Dit is niet iets waar je naar moet kijken,' zei D'Amour. 'Waar zijn je mama en papa?'

'Die zijn hier niet.'

'Je bent in je eentje?'

'Nee,' antwoordde ze. 'Haheh is bij me, en Yie.' Ze keek achterom naar de ijssalon. Daar zat op de stoep een man met het gezicht van een geboren komiek - flaporen, uitpuilende ogen, rubberen mond - die zes hoorntjes ijs in zijn handen had en daar beurtelings met grote aandacht aan likte. Naast hem zat een ander kind, een jongen, die er bijna im­beciel uitzag.

'Maak je om mij maar geen zorgen,' zei het kleine meisje. 'Ik man­keer niets.' Ze keek Tesla strak aan. 'Ga jij dood?' zei ze.

Tesla keek D'Amour aan. 'Dit is geen gesprek dat ik nu wil voeren.'

'Maar ik wel,' zei Juffertje Volmaakt. 'Het is belangrijk.'

'Nou, waarom vraag je het dan niet aan iemand anders?'

'Omdat jij het bent voor wie we ons interesseren,' antwoordde het kleine meisje ernstig. Ze kwam een stap naar Tesla toe en bracht daar­bij haar hand omhoog. 'We zagen je gezicht, en we zeiden: zij weet van de verhalenboom.'

'Waarvan?'

'De verhalenboom,' antwoordde het kind.

'Waar heeft ze het verdomme over?' zei Tesla tegen D'Amour.

'Laat maar,' klonk het antwoord, ditmaal van achter hen. Tesla hoef­de niet achterom te kijken om te weten dat het Buddenbaum was. Zijn stem klonk eigenaardig hol, alsof hij vanuit een lege kamer sprak. 'Jij had je niet met mijn zaken moeten bemoeien, vrouw.'

'Ik interesseer me niet voor jouw zaken,' zei Tesla. Plotseling keek ze hem nieuwsgierig aan. 'Maar nu je het er toch over hebt: wat zijn jouw zaken eigenlijk?'

Buddenbaum zag er verschrikkelijk uit. Zijn gezicht zat erger onder het bloed dan ooit en hij beefde over zijn hele lichaam. 'Dat gaat je niets aan,' zei hij.

Op dat moment zei het kleine meisje: 'Je kunt het haar wel vertellen, Owen.'

Buddenbaum keek langs Tesla naar het kind. 'Ik wil onze geheimen niet met deze vrouw delen,' zei hij stijfjes.

'Maar wij wel,' zei het kind.

Gedurende deze vreemde woordenwisseling keek Tesla naar Buddenbaums gezicht en probeerde daar iets van af te lezen. Het was duidelijk dat hij het meisje goed kende en het was ook duidelijk dat hij zich in haar bijzijn niet op zijn gemak voelde. Misschien was hij eerder op zijn hoede dan bang. Opnieuw miste Tesla het scherpe inzicht dat Raul al­tijd in zulke situaties had. Als hij bij haar was geweest, had hij haar vast wel waardevolle suggesties kunnen doen.

'Je ziet er ziek uit,' zei Buddenbaum.

'Jij ook,' merkte Tesla op.

'Ah, maar ik word wel weer beter,' ging Buddenbaum verder. 'Jij daar­entegen bent niet lang meer op deze wereld.' Hij sprak luchtig genoeg, maar de dreiging in zijn woorden ontging haar niet. Hij voorspelde niet alleen haar dood, hij verzekerde haar daarvan, 'Ik stel voor dat je af­scheid begint te nemen zolang je dat nog kunt.'

'Hoort dit er allemaal bij?' zei het kleine meisje. Tesla keek haar weer aan. Ze had nu een verlegen glimlachje. 'Owen?'

'Ja,' zei Buddenbaum. 'Dit hoort er allemaal bij.'

'O, goed, goed.' Het kind richtte haar aandacht weer op Tesla. 'Dan zien we je later nog wel,' zei ze, en ze ging opzij om hen door te laten.

'Dat lijkt me niet erg waarschijnlijk,' zei Tesla.

'O, maar we zien elkaar terug,' zei het meisje. 'Vast en zeker. Wij zijn erg geïnteresseerd in jou en de verhalenboom.'

Tesla hoorde Buddenbaum iets mompelen. Ze hoorde niet wat het was en ze was ook niet in de stemming om hem ernaar te vragen. Ze beantwoordde het glimlachje van het kind en verliet samen met Harry het kruispunt. De van ontzag vervulde kreten van de politieagenten zweefden in de zomerbries achter hen aan.

2

Hoewel het nagenoeg onmogelijk was dat het nieuws van wat er op het kruispunt was gebeurd al tot alle mannen, vrouwen en kinderen van Everville was doorgedrongen, was het in de straten waar Tesla en Har­ry doorheen liepen om bij Phoebes huis te komen onnatuurlijk stil. Het leek wel of de mensen de trillende lucht hadden aangevoeld en het ver­standiger hadden gevonden zich terug te trekken. Ondanks de hitte wa­ren de deuren dicht en zaten de luiken voor de ramen. Er speelden geen kinderen op de gazons of op straat. Zelfs honden lieten hun neus niet zien.

Dat was dubbel vreemd omdat het zo'n mooie dag was, met een strak­blauwe hemel en de geur van zomerbloemen in de lucht.

Toen ze Phoebes straat insloegen, zei Harry opeens: 'God, wat vind ik de wereld mooi.'

Het was zoiets simpels om te zeggen en het werd met zo'n volledig vertrouwen uitgesproken, dat Tesla alleen maar met haar hoofd kon schudden.

'Jij niet?' zei Harry.

'Er is zoveel rottigheid,' zei ze.

'Op dit moment niet. Op dit moment is de wereld zo mooi als hij maar kan zijn.'

'Kijk naar die berg,' zei ze.

'Ik ben niet op die berg,' antwoordde Harry. 'Ik ben hier.'

'Dat is dan leuk voor jou,' zei ze een beetje geërgerd.

Hij keek haar aan. Ze zag er zo zwak en vermoeid uit als een levend mens er maar kon uitzien. Hij wilde zijn arm om haar heen slaan, al was het maar even, maar ze zou hem waarschijnlijk niet dankbaar zijn voor dat gebaar. Ze had zich in zichzelf teruggetrokken, onbereikbaar voor troost.

Na enig gestuntel met de reservesleutels die Phoebe haar had gegeven verschaften ze zich toegang tot het huis. Eenmaal binnen zei ze: ik ga wat slapen. Ik kan niet meer helder denken.'

'Goed.'

Ze begon de trap op te gaan, maar bleef staan en keek met die lege ogen van haar naar D'Amour om. 'O ja,' zei ze. 'Bedankt.'

'Waarvoor?'

'Voor wat je op de berg hebt gedaan. Ik zou hier niet zijn... Mijn god... Je weet wel wat ik bedoel.'

ik weet het. En je hoeft me niet te bedanken. We zitten hier samen in.'

'Nee,' zei ze zachtjes. 'Dat geloof ik niet...'

'Als je denkt aan wat dat kind tegen je zei...'

'Het is niet de eerste keer dat ik erover nadenk,' zei Tesla. 'Ik heb vijf jaar lang het uiterste van mijn krachten gevergd, Harry, en dat heeft zijn tol geëist.' Hij wilde iets zeggen, maar ze stak haar hand op om hem tot zwijgen te brengen. 'Laten we geen tijd verspillen aan leugens,' zei ze. 'Ik heb gedaan wat ik kan doen, en ik ben op. Zo simpel is het. Zo­lang ik Raul nog in mijn hoofd had, kon ik doen alsof ik iets van de dingen begreep, maar nu... nu hij weg is...' Ze haalde haar schouders op. 'Nu wil ik niet meer.' Ze probeerde te glimlachen, maar dat lukte niet en ze gaf het op, keerde Harry haar rug toe en ging naar bed.

Harry zette koffie voor zichzelf en ging tussen oude televisiegidsen en overvolle asbakken in de huiskamer zitten om over de dingen na te den­ken. De koffie deed zijn werk: ondanks zijn vermoeide ledematen was hij klaarwakker. Hij zat een tijdje naar het plafond te staren en liet de gebeurtenissen die hem in grote verwarring hadden gebracht nog eens door zijn hoofd gaan.

Hij was de berg opgegaan, beschermd door de mist en door Voights tatoeages, en was op zoek gegaan naar Kissoon, maar hij had de man niet gevonden, tenminste niet in een gedaante die hij herkende. Kinde-

ren, ja, de gebroeders Grimm, ja, een Zegenman, drie gekruisigde zie­len en Tesla Bombeck, ja. Maar de man die Ted Dusseldorf en Maria Nazareno had vermoord, was hem ontgaan.

Hij dacht weer aan Morningside Heights, aan die groezelige kamer waar zijn vijand had geslapen, en vroeg zich af of hij misschien iets had gezien dat een indicatie kon zijn van de gedaante waarin Kissoon zich momenteel hulde. Hij herinnerde zich niets nuttigs. Wat hij zich wel her­innerde, was het spel kaarten dat hij daar had gevonden. Hij groef in de zak van zijn jasje en haalde de kaarten te voorschijn. Was in die af­beeldingen een indicatie te vinden? vroeg hij zich af. Hij maakte de sa­lontafel vrij en legde de kaarten neer. Aap, maan, foetus, bliksem...

Krachtige symbolen, stuk voor stuk.

Bliksem, hand, torso, gat...

Maar als het een spel was, kende hij de regels niet. En als het geen spel was, wat was het dan?

Zonder zich echt bewust te zijn van wat hij deed, legde hij de kaar­ten in een andere volgorde, hopend dat er dan een oplossing te zien zou zijn. Dat gebeurde niet. Ondanks de kracht van de symbolen, of mis­schien juist daardoor, was er geen enkele betekenis te zien. Het enige dat hij te weten kwam, was dat zijn geest tekortschoot om zulke mys­teries op te lossen.

Hij was nog in die overpeinzingen verdiept, toen de telefoon ging. De Cobbs hadden blijkbaar geen antwoordapparaat, want het toestel bleef ononderbroken rinkelen, totdat Harry opnam.

Aan de andere kant van de lijn was een vermoeide stem te horen. 'Is Tesla daar?' zei de man. Harry wachtte even met zijn antwoord en in die tijd zei de man: 'Het is dringend. Ik moet haar absoluut spreken.'

Ditmaal herkende Harry de stem. 'Grillo?' zei hij.

'Met wie spreek ik?'

'Harry.'

'Jezus, Harry. Wat doe jij daar?'

'Hetzelfde als wat Tesla doet.'

'Is ze daar ergens?'

'Ze slaapt.'

'Ik moet haar spreken. Ik bel de hele dag al.'

'Waar ben je?'

'Een kleine tien kilometer buiten de stad.'

'Welke stad?'

'Everville, verdomme nog aan toe! Nou, kan ik haar spreken?'

'Kun je niet over een uur of zo terugbellen...'

'Nee!' riep Grillo uit. En zachter: 'Nee. Ik moet haar nu spreken.'

'Wacht even,' zei Harry, en hij legde de hoorn neer en liep de trap op

om Tesla wakker te maken. Ze lag met al haar kleren aan op het twee­persoonsbed en haar slapende gezicht was zo'n toonbeeld van uitput­ting dat hij het niet kon opbrengen haar van de slaap te beroven die ze zo duidelijk nodig had. En dat was maar goed ook. Toen hij weer be­neden was, bleek de verbinding verbroken te zijn. Grillo was weg.

3

In haar slaap liep Tesla over een onaardse kust. Er was daar sneeuw ge­vallen, maar ze voelde niets van de kilte. Lichtvoetig kuierde ze naar de zee. Die was donker en de woelige wateren schuimden, en hier en daar zag ze lichamen in de branding, lichamen die hun dode gezichten haar kant op draaiden alsof ze haar wilden waarschuwen dat ze niet verder moest gaan.

Ze had geen keus. De zee wilde haar en zou zich niet laten afwijzen. En eigenlijk wilde ze er ook geen weerstand aan bieden. Het strand was somber en verlaten en de zee oefende ondanks al die lijken een myste­rieuze aantrekkingskracht op haar uit.

Pas toen ze de branding inwaadde en de golven tegen haar borsten en haar buik voelde, bracht haar dromende geest onder woorden wat dit voor een plaats was. Of beter gezegd, onder één woord.

'Quiddity.'

De droomzee kwam tegen haar gezicht toen ze die naam uitsprak en de onderstroom trok aan haar benen. Ze verzette zich er niet tegen, maar liet zich optillen en meevoeren, als een gretige minnares. De gol­ven waren op het strand al groot genoeg geweest maar namen al gauw titanische proporties aan. Toen ze haar op hun schouders namen, zag ze een muur van duisternis aan de horizon, een muur die ze zich van haar laatste ogenblikken in Kissoons Lus kon herinneren. De Iad, na­tuurlijk. Bergen en vlooien; vlooien en bergen. Als de golven haar in hun dalen lieten zakken en ze onder het wateroppervlak kwam, zag ze iets heel anders: enorme scholen vis die als donderwolken onder haar langs trokken. En tussen die scholen door zag ze lichtgevende gedaan­ten die, zo vermoedde ze, menselijke geesten waren, net als zijzelf. In hun licht meende ze rudimentaire gezichten te zien, vage aanduidingen van de pasgeborenen, minnaars en stervende zielen die droomden dat ze hier waren.

Ze wist volkomen zeker tot welke van die drie categorieën zijzelf be­hoorde. Ze was te oud om een baby te zijn en te gek om verliefd te zijn, en dus bleef er maar één reden over waarom haar ziel de reis naar de­ze zee had gemaakt. Juffertje Volmaakt had gelijk gehad. De dood zou

niet lang op zich laten wachten. Dit was de laatste keer dat ze sliep voor­dat haar leven als Tesla Bombeck voorbij was.

Voor zover haar dat van streek maakte, had ze geen tijd om verdriet te hebben. Het avontuur eiste te veel van haar aandacht op. Stijgend en dalend, van golftop naar golfdal, werd ze meegevoerd naar een plaats waar het water, om een reden die ze niet kon doorgronden, zo volko­men kalm werd dat het een bijna perfecte spiegel voor de woelige he­mel vormde.

Ze dacht eerst dat ze in deze windstilte alleen was en wilde net on­derzoeken of ze zichzelf ook kon voortstuwen, toen ze zich realiseerde dat er onder haar een licht flikkerde. Ze keek in het water omlaag en zag dat een bepaald soort vissen met lichtgevend vlees zich in de diep­te had verzameld en nu gestaag naar het oppervlak opsteeg. Toen ze haar hoofd weer boven water hield, zag ze dat ze niet alleen was. Een man met lang haar en een baard hurkte nonchalant op het water neer alsof het zo vast als een rots was. Met zijn hand maakte hij rimpels in het glazige oppervlak. Hij had daar de hele tijd gezeten, nam ze aan, en ze had hem gewoon niet gezien. Maar nu keek hij op, alsof hij door haar blik uit zijn overpeinzingen was gewekt.

Zijn gezicht was mager, zijn botten waren scherp, zijn zwarte ogen nog scherper, maar de glimlach waarmee hij haar aankeek was zo heer­lijk aarzelend, alsof hij zich een beetje betrapt voelde, en ze was met­een van hem gecharmeerd. Hij stond op, zodat het water nu om zijn voeten danste, en liep op zijn gemak naar haar toe. Zijn drijfnatte ge­waden hingen aan flarden en ze kon zien dat zijn bovenlijf bedekt was met kleine, lichtgekleurde littekens, alsof hij in glasscherven had liggen worstelen.

Ze had met hem te doen. Ook zij zat onder de littekens, vanbinnen en vanbuiten; ook zij was ontdaan van alles wat ze in de wereld had gedragen: haar beroep, haar zelfrespect, haar zekerheden.

'Kennen wij elkaar?' zei hij tegen haar toen hij naar haar toe kwam. Zijn stem bezat geen enkele muzikaliteit, maar ze vond het toch een prettig geluid.

'Nee,' zei ze, plotseling verlegen. 'Ik geloof van niet.'

iemand heeft me over jou gesproken, daar ben ik zeker van. Kan dat Fletcher zijn geweest?'

'Je kent Fletcher?'

'Dus hij was het inderdaad.' De man glimlachte weer. 'Jij bent dege­ne die hem de marteldood heeft laten sterven.'

'Zo had ik het nog niet bekeken... maar ja, je kunt wel zeggen dat ik dat was.'

'Zie je wel?' zei hij. Hij ging naast haar op zijn hurken zitten, terwijl

het water haar omhoog stuwde. 'Jij zocht naar verbanden, en die zijn wel te vinden. Maar dan moet je op de verschrikkelijkste plaatsen zoe­ken, Tesla, de plaatsen waar de dood komt om de liefde weg te nemen, de plaatsen waar we elkaar en onszelf verliezen: daar beginnen de ver­banden. Iemand die daar gaat kijken en niet aan wanhoop ten prooi is, moet wel heel moedig zijn.'

'Ik heb geprobeerd moedig te zijn,' zei ze.

'Dat weet ik,' zei hij zachtjes. 'Dat weet ik.'

'Maar ik was niet moedig genoeg, bedoel je dat? Weet je, ik heb er nooit om gevraagd om deel uit te maken van dit alles. Ik was er niet klaar voor. Ik wilde alleen maar filmscenario's schrijven, weet je, en rijk worden en lekker leven. Dat zal jou wel pathetisch in de oren klinken.'

'Waarom?'

'Nou, ik neem aan dat jij niet veel films ziet.'

'Daar zou je van staan te kijken,' zei de man met een glimlachje. 'Hoe dan ook, het zijn de verhalen waar het om gaat, hoe ze ook verteld wor­den.'

Ze dacht aan het kind op het kruispunt...

We zagen je gezicht, en we zeiden: zij weet van de verhalenboom.

'Wat is er zo belangrijk aan verhalen?' zei ze.

'Jij bent er gek op,' zei hij. Hij keek nu niet meer naar haar gezicht, maar in het water. De lichtgevende gedaanten die ze van beneden had zien opstijgen, waren nu nog maar enkele meters van het oppervlakte verwijderd. Het water begon ervan te schitteren. 'Dat is toch zo?' zei hij.

'Misschien wel,' zei ze.

'En daar zijn de verbanden te vinden, Tesla.'

in verhalen?'

in verhalen. En ieder leven, hoe kort het ook is, hoe onbeduidend het ook lijkt, is een blad...'

'Een blad.'

'Ja, een blad.' Hij keek haar weer aan en wachtte tot de betekenis van zijn woorden tot haar was doorgedrongen.

'... aan de verhalenboom,' zei ze. Hij glimlachte. 'Levens zijn blade­ren aan de verhalenboom.'

'Simpel, nietwaar?' zei hij. Overal om hen heen kwamen nu lucht­bellen aan de oppervlakte, die inmiddels ook niet glad genoeg meer was om hem te kunnen dragen. Hij begon in het water te zakken; langzaam, langzaam. 'Ik ben bang dat ik nu moet gaan,' zei hij. 'De 'shu komen me halen. Waarom kijk je zo ongelukkig?'

'Omdat het te laat is,' zei ze. 'Waarom moest ik tot dit moment wach­ten voordat ik wist wat ik moest doen?'

'Je hoefde het niet te weten. Je deed het al.'

'Nee, dat is niet zo,' zei ze verontrust. 'Ik heb nooit een verhaal ver­teld dat me ook maar ene moer interesseerde.'

'Toch wel,' zei hij. Hij was nu bijna uit het zicht verdwenen.

'Welk verhaal was dat dan?' smeekte ze hem, vastbesloten een ant­woord te krijgen voordat hij verdwenen was. 'Welk verhaal?'

'Je eigen verhaal,' zei hij, wegzakkend. 'Je eigen verhaal.'

En toen was hij weg.

Ze keek in het borrelende water en zag dat de wezens die hij de 'shu had genoemd - en die voor zover zij kon zien op inktvissen leken en zich met miljoenen tegelijk onder haar verzamelden - een immense spi­raal rond de zinkende man beschreven, alsof ze hem in hun midden omlaagtrokken. Toch maakte die draaikolk geen aanspraken op haar spi­rituele lichaam. Het deed haar verdriet hem in de heldere diepten te zien verdwijnen. Hij had haar verstandig geleken en ze had nog wat langer met hem willen praten. Nu had ze tenminste iets dat ze mee terug kon nemen: de opmerking dat het door haar vertelde verhaal haar eigen ver­haal was. Het betekende op dit moment erg weinig voor haar, maar als ze kans zag het mee te nemen naar de wakende wereld zou het haar misschien tot troost zijn.

En nu, terwijl de spiraal van 'shu in de diepten wegzakte, was er nieuws uit die wereld. Een telefoon die rinkelde, en even later het ge­luid van voetstappen op de trap.

'Tesla?'

Ze opende haar ogen. Harry had zijn hoofd om de deur gestoken. 'Het is Grillo,' zei hij. 'Hij moet je spreken. Hij heeft al een keer eerder gebeld.' Ze kon zich vaag herinneren dat ze een telefoon hoorde rinke­len toen ze over de besneeuwde kust liep. 'Zo te horen is hij er slecht aan toe.'

Ze stond op en ging naar beneden. Er lag een stompje potlood naast de telefoon. Voordat ze met Grillo sprak, schreef ze Ik vertelde mijn ei­gen verhaal op de telefoongids, voor het geval dat haar gesprek met Grillo de droom uit haar hoofd zou verdrijven. Toen pakte ze de hoorn op.

Zoals Harry al had gezegd, was Grillo er blijkbaar slecht aan toe, verschrikkelijk slecht misschien wel. Net als zij, net als D'Amour, net als de waterwandelaar in haar droom. Het leek wel of iedereen aan het wegzakken was.

'Ik ben in een motel, het Sturgis Motel,' legde hij uit, 'met Howie, Jo- Beth en hun kind Amy.'

'Waar?'

'Een paar kilometer buiten Everville.'

'Wat doe je daar?'

'We hadden geen keus. We moesten snel in actie komen en ik wist dat we veel hulp nodig hadden.'

'Waarvoor?'

'Tommy-Ray komt achter Jo-Beth aan.'

'Tommy-Ray?'

Grillo begon haar te vertellen wat er de afgelopen dagen allemaal was gebeurd. Ze schonk hem maar vijf procent van haar aandacht. Met de rest probeerde ze de droom vast te houden waaruit ze was ontwaakt. Maar de beelden van angst en ontvluchting die Grillo opriep verdreven geleidelijk haar herinnering aan die windstille zee en aan de man die Fletcher had gekend.

'Ik heb je hulp nodig, Tes...' zei Grillo. Ze klampte zich nog enkele wanhopige ogenblikken aan het gezicht van de waterwandelaar vast. 'Tes, ben je daar nog?' Toen kon ze niets anders doen dan die herinne­ring laten schieten.

'Ja, ik ben er nog...'

ik zei dat ik hulp nodig had.'

'Je klinkt niet zo fit, Nathan. Ben je gewond?'

'Dat is een lang verhaal. Zeg, geef me je adres. We komen naar Ever­ville.'

Ze dacht aan het spoor van verwoesting dat Tommy-Ray de Doods­jongen met zijn leger fantomen dwars door Palomo Grove had aange­richt. Had hij in zijn vernietigingsdrang niet ook zijn eigen huis neer­gehaald, met zijn moeder erin? Als hij in Everville kwam, vooral in een tijd van massale uittocht (en die zou gauw beginnen), kon dat ontzag­lijk veel mensen het leven kosten.

'Blijf waar je bent,' zei ze. 'Ik kom naar jullie toe.'

Grillo sprak haar niet tegen. Kennelijk kon hij bijna niet wachten tot ze bij hem was. Hij vertelde haar waar het motel was en drong erop aan dat ze snel zou komen. Dat was dat.

Harry was in de keuken brood aan het roosteren. Ze vertelde hem alles wat Grillo had gezegd. Hij luisterde zonder commentaar te geven, totdat ze zei dat ze weg zou gaan.

'Dus ik moet het hier in Everville nu in mijn eentje klaren?' zei hij.

'Daar ziet het wel naar uit.'

Ze wilde hem vertellen dat ze haar laatste droom had gedroomd en dat hij niet op haar terugkeer moest rekenen, maar dat zou hopeloos melodramatisch zijn. Wat ze nu nodig had, was iets kernachtigers, een paar laatste woorden die verstandig en levenswijs zouden overkomen als ze dood was. Maar er schoot haar niets te binnen. Het bleek trou­wens dat Harry haar zelf een paar afscheidswoorden te zeggen had.

'Als het donker is, wil ik weer de berg op,' zei hij. 'Wanneer de Iad eraan komt, kan ik het beste op de eerste rij zitten. Dat betekent... dat wij elkaar waarschijnlijk nooit meer zien.'

'Nee. Ik denk ook van niet.'

'We hebben heel wat meegemaakt, hè? Ik bedoel, onze levens, die wa­ren nogal...'

'Vreemd.'

'Buitengewoon,' zei hij. Ze haalde haar schouders op. Het was na­tuurlijk waar. Hij ging verder: 'Waarschijnlijk wilden we allebei dat het anders zou zijn gegaan. Maar ergens diep in ons hart hebben we dit misschien ook wel gewild.'

'Dat zou best eens kunnen.'

Op dat punt haperde het gesprek. Tesla keek op en zag dat Harry haar recht aankeek. Hij had zijn lippen op elkaar gedrukt alsof hij bang was dat hij anders zou gaan huilen.

'Geniet van het uitzicht,' zei ze.

'Doe ik,' antwoordde hij.

'Pas goed op jezelf.'

Ze wendde haar ogen af, pakte haar jasje en ging naar buiten. Toen ze bij de voordeur kwam, scheelde het niet veel of ze draaide zich om en ging terug om hem te omhelzen, maar ze deed het niet. Dat zou het alleen maar moeilijker voor hen maken. Ze kon beter nu meteen weg­gaan, de stad uit.

De grote menigten die voor de optocht kwamen, waren allang uit Main Street verdwenen, maar er liepen nog genoeg mensen rond. Ze kochten souvenirs of gingen ergens eten. Het was een milde avond en de lucht was nog onbewolkt. De feestelijke stemming had een knauw gekregen door het fiasco van de middag, maar was toch niet helemaal verdwe­nen.

Een Tesla uit iets vroeger tijden zou haar Harley gierend tot stilstand hebben gebracht in Main Street en haar keel schor hebben geschreeuwd om de mensen over te halen weg te gaan voordat de Iad kwam. Maar ze wist dat het verspilde moeite zou zijn. De mensen zouden hun schou­ders ophalen en haar lachend de rug toekeren, en eigenlijk kon ze hen dat nauwelijks kwalijk nemen. Kort voordat ze Phoebes huis had ver­laten, had ze nog even in de spiegel van de badkamer gekeken. De slan­ke vrouw voor wie ze een paar dagen geleden zoveel bewondering had gehad, de vrouw die getekend was door de reis, de vrouw die trots was op haar littekens, was nu niets dan botten en wanhoop.

Trouwens, wat zouden zulke waarschuwingen voor zin hebben, ge-

steld al dat de mensen ernaar zouden handelen? Als de Iad inderdaad alles was wat erover gezegd werd, was er geen ontsnapping mogelijk. Misschien zouden deze mensen, die zich amuseerden in de schaduw van de dood en die aan hun eind zouden komen voordat ze zelfs maar wis­ten wat het was dat hen doodde, achteraf degenen blijken te zijn die ge­luk hadden. Te snel omgekomen om bang te zijn, of om hoop te koes­teren. Dat was nog het ergste: hoop koesteren.

Hoewel het een omweg was om langs het kruispunt te gaan, deed ze dat toch, want ze wilde zien wat er was overgebleven van de mysteries die zich daar hadden voltrokken. Er was weer verkeer mogelijk, maar er reden erg weinig auto's. Wel waren er veel voetgangers bij het kruis­punt. Er stonden mensen voor de cafetaria en op de andere drie hoe­ken. Een paar hadden zelfs hun camera meegenomen om alles voor het nageslacht vast te leggen. Van de mensen die Tesla daar op hun knieën had zien zitten, biddend tot de visioenen die ze voor zich zagen, was niets meer te bekennen. Die waren naar huis gegaan, of ze waren ge­grepen.

Juist toen ze haar helm weer opzette, hoorde ze een kreet aan de over­kant van de straat. Ze draaide zich om en zag haar wreker uit Kitty's Diner, Bosley de Rechtschapene, met grote passen op haar af komen lo­pen.

'Wat heb jij gedaan?' schreeuwde hij, zijn gezicht vlekkerig van woe­de.

'Wat bedoel je?' zei ze.

'Jij had de hand in die gruweldaden,' zei hij. 'Ik heb je gezien, je stond er middenin.' Hij bleef een paar meter van haar vandaan staan alsof hij bang was dat ze hem met haar goddeloosheid zou besmetten, ik weet wat jij in je schild voert.'

'Wil je het me uitleggen?' snauwde ze. 'En begin nou niet te ouwe­hoeren over het werk van de duivel, Bosley, want dat geloof jij net zo­min als ik. Jij weet wel beter.'

Hij huiverde. En ze zag zo'n angst in hem, zo'n intens afgrijzen dat de woede meteen uit haar wegtrok. 'Weet je wat?' zei ze. ik geloof dat ik Jezus vanmiddag heb ontmoet.' Bosley keek haar argwanend aan. 'Tenminste, hij liep op water en hij had een heleboel littekens, dus... het kan hem geweest zijn, nietwaar?' Bosley zei nog steeds niets. 'Sorry, we kwamen er niet aan toe om over jou te praten, maar anders had Hij vast wel gezegd dat Hij een keer bij je langs zou komen. Voor een ap­pelgebakje.'

'Jij bent gek...' zei Bosley.

'We zijn allebei gek,' zei Tesla. 'Pas goed op jezelf, Bosley.' En na die woorden zette ze haar helm op en reed weg.

Toen ze de stad achter zich had gelaten, gaf ze vol gas, want ze wist ze­ker dat de korpscommandant en zijn angstige agenten die avond niet op jacht gingen naar snelheidsovertreders. Ze had gelijk. Over een lege weg, en zonder wetshandhavers die haar aanhielden, reed ze in volle snelheid door, op weg naar Grillo, hoewel de omhelzing die haar aan het eind van deze rit te wachten stond veel kouder en permanenter was dan een omhelzing van welke menselijke armen dan ook.