Een
Was, is en zal zijn
1
I
Hun hoop werd hun ondergang. Hun hoop, en de zekerheid dat de Voorzienigheid hen al genoeg had laten lijden voor hun dromen. Ze hadden onderweg al zoveel verloren: kinderen, genezers, leiders, allemaal weg. God, zo redeneerden ze, zou hen behoeden voor nog meer verliezen. God zou al hun verdriet en ontberingen belonen met een behouden aankomst op een plaats van overvloed.
Toen de sneeuwstorm zich aan begon te kondigden, met wolken veel groter dan de donderkoppen van Wyoming die zich achter de bergtoppen in de verte verhieven, scherfjes ijs in de wind, hadden ze tegen elkaar gezegd: dit is de laatste beproeving. Gaan we terug, uit angst voor wolken en ijs, dan zullen al degenen die we onderweg hebben begraven voor niets gestorven zijn en zal al het leed, van hen en van ons, voor niets zijn geweest. We moeten doorgaan. Nu meer dan ooit moeten we in de droom van het Westen geloven. Per slot van rekening, zeiden ze tegen elkaar, is het nog maar de eerste week van oktober. Misschien krijgen we in de bergen een paar sneeuwbuien, maar als de winter begint, zijn we over de bergen heen en zien we niets dan malse weidegrond.
Voorwaarts dus; voorwaarts, omwille van de droom.
Het was nu te laat om terug te keren. Zelfs als de sneeuw die in de afgelopen week was gevallen de bergpas achter de pioniers niet had versperd, zouden de paarden te ondervoed zijn, en te zeer verzwakt door de klim, om de wagens weer door de bergen te trekken. De reizigers konden niets anders doen dan doorgaan, hoewel ze allang niet meer wisten waar ze waren en door een witheid reisden die zo eindeloos was als het middernachtelijk duister.
Soms joeg de wind de wolken een ogenblik uiteen, maar ook dan was er geen glimp van hemel of zon te bekennen en verhief zich alleen maar de zoveelste onverbiddelijke berg tussen hen en het beloofde land, met sneeuw die in een langzame pluim van de top gestoven kwam en vervolgens op de hellingen neerdaalde waar zij overheen moesten trekken, wilden zij in leven blijven.
De weinige hoop die ze hadden, nam met de dag af. Van de drieëntachtig optimistische zielen die in het voorjaar van 1848 uit Independence, Missouri, waren vertrokken (een aantal dat werd vergroot door
zes geboorten onderweg), waren er nog eenendertig in leven. In de eerste drie maanden van de reis, door Kansas, Nebraska en zevenhonderdtachtig kilometer Wyoming, hadden zich maar zes sterfgevallen voorgedaan. Drie mensen waren verdronken, twee waren afgedwaald en vermoedelijk door Indianen gedood, en een had zich van haar leven beroofd door zich aan een boom op te hangen. Maar in de hitte van de zomer sloegen de ziekten toe en begonnen de beproevingen van de reis hun tol te eisen. De jongsten en oudsten gingen het eerst, ziek geworden door bedorven water of bedorven vlees. Mannen en vrouwen die vijf maanden eerder nog in de kracht van hun leven waren geweest, gehard, moedig en sterk, werden krommer en zwakker naarmate de voedselvoorraden slonken. Het land, waarvan hun was verteld dat het een weelde aan wild en fruit zou bevatten, leverde niet de beloofde overdaad op. Mannen verlieten de karavaan dagen achtereen om naar voedsel te zoeken en kwamen met holle ogen en lege handen terug. De reizigers die nu door de felle kou werden geteisterd, waren ernstig verzwakt, en dat had al rampzalige gevolgen gehad. In drie weken tijd waren zevenenveertig personen omgekomen door kou, sneeuw, uitputting, honger en hopeloosheid.
Herman Deale, die sinds de dood van Doc Hodder degene was die het best als arts kon fungeren, had de taak die sterfgevallen bij te houden. Hij had tegen de overlevenden gezegd dat ze, als ze in Oregon, het goede land in het westen, aankwamen, voor de overledenen zouden bidden en eer zouden bewijzen aan iedere gestorvene die hij in zijn reisjournaal had opgetekend. Tot aan die gelukkige dagen moesten de levenden zich niet te druk maken om de doden. De doden waren naar de warmte en troost Gods gegaan en zouden degenen die hen ter aarde hadden besteld de ondiepte van hun graf of de kortheid van de daarbij uitgesproken gebeden niet kwalijk nemen.
'Wij zullen met liefde over hen spreken,' had Deale gezegd, 'wanneer wij een beetje adem overhebben.'
De dag nadat hij zijn belofte aan de overledenen had gedaan, had hij zich bij hen gevoegd. Hij bezweek toen ze door een sneeuwveld ploegden. Zijn lichaam bleef onbegraven, althans door mensenhand. Het sneeuwde zo hard dat toen zijn weinige proviand onder de overgebleven reizigers was verdeeld, zijn lichaam uit het zicht was verdwenen.
Die nacht stierven Evan Babcock en zijn vrouw Alice in hun slaap. Mary Willcocks, die al haar vijf kinderen had overleefd en haar man had zien wegkwijnen en sterven van verdriet, bezweek met een kreet die nog tegen de berghellingen galmde toen het vermoeide hart dat hem had voortgebracht al tot stilstand was gekomen.
Het daglicht kwam, maar bracht geen respijt. Het sneeuwde harder
dan ooit en er kwam niet één opening in de wolken die de pioniers liet zien wat voor hen lag. Ze gingen verder met gebogen hoofd, te vermoeid om te spreken, laat staan om te zingen zoals ze gezongen hadden in de gelukzalige maanden mei en juni, toen ze in de glorieuze uitbundigheid van hun avontuur de hosanna's naar de hemel hadden gejubeld.
Enkelen baden in stilte, vroegen God hun de kracht te geven om in leven te blijven. En misschien deden sommigen in hun gebeden ook beloften: als ze die kracht kregen en door deze witte wildernis op een plaats kwamen waar het groen was, zou hun dankbaarheid geen grenzen kennen en zouden ze tot het eind van hun leven blijven verkondigen dat ondanks alle droefheden van het leven geen mens zich van God moest afwenden, want God was hoop, en Oneindig.
2
Aan het begin van de reis naar het Westen waren er tweeëndertig kinderen in de karavaan geweest. Nu was er nog maar één. Ze heette Maeve O'Connell en ze was een onopvallend meisje van twaalf jaar. Haar magere lichaam bevatte een grote innerlijke kracht. Die kracht was verborgen gebleven voor degenen die in het voorjaar hoofdschuddend tegen haar vader, een weduwnaar, hadden gezegd dat ze de reis nooit zou overleven. Ze was vel over been, hadden ze gezegd, ze had zwakke benen, een zwak gestel. En waarschijnlijk nog zwakzinnig ook, hadden ze onder elkaar gefluisterd, net zo gestoord als haar vader Harmon, die in Missouri, waar de gezelschappen elkaar hadden getroffen, uitgebreid over zijn motieven om naar het Westen te gaan had verteld. Oregon mocht dan het paradijs zijn, had hij gezegd, maar het waren niet de wouden en de bergen die het tot een land van menselijke triomf zouden maken: het was de glorieuze, stralende stad die hij daar zou bouwen.
De woorden van een gek, zeiden ze onder elkaar, zeker van een Ier die alleen Dublin en de achterbuurten van Liverpool en Boston had gezien. Wat wist hij nou van torens en paleizen?
Eenmaal op reis werden degenen die Harmon heimelijk hadden bespot heel wat minder discreet. Algauw leerde hij dat het verstandiger was om zijn ambities als stedenstichter met niemand anders dan zijn dochter te bespreken. Zijn medereizigers hadden bescheidener verwachtingen van het land aan het eind van hun reis. Een stuk bos met genoeg hout voor een blokhut; goede grond; helder water. Had iemand hogere aspiraties, dan stonden ze daar uiterst argwanend tegenover.
Niet dat de bescheidenheid van hun verlangens hen daarna voor de dood had behoed. Veel van de mannen en vrouwen die hun minachting
voor Harmon het luidst hadden verkondigd, waren nu dood, ver van goede grond of helder water begraven, terwijl de gekke man en zijn schriele dochter nog leefden. Zelfs in deze laatste wanhopige dagen fluisterden Maeve en Harmon soms nog met elkaar, als ze naast hun broodmagere paard liepen. En soms voerde de wind hun woorden mee naar degenen die dicht bij hen liepen. Hoe uitgeput ze ook waren, vader en dochter spraken nog steeds over de stad die ze zouden bouwen als deze beproeving achter de rug was, een wonder dat nog zou bestaan als alle blokhutten van Oregon al waren weggerot en al degenen die de hutten hadden gebouwd tot stof vergaan waren.
Ze hadden zelfs een naam voor die eeuwige metropool.
De stad zou Everville worden genoemd.
Ah, Everville!
Hoeveel nachten had Maeve haar vader niet over die stad horen vertellen, zijn ogen gericht op het knetterend houtvuur, zijn blik tegelijk gericht op iets heel anders: de straten, de pleinen en de voorname huizen van die toekomstige wonderstad.
'Soms is het net of je er al bent geweest,' had Maeve op een avond tegen het eind van mei tegen hem gezegd.
'O, maar dat ben ik ook, meisje,' had hij gezegd, terwijl hij uitkeek over het weidse land in het licht van de ondergaande zon. Het was een sjofele, vermagerde man, zelfs in die maanden van overvloed, maar de schraalheid van zijn voorhoofd en lippen werd ruimschoots goedgemaakt door zijn brede visie. Ze hield eindeloos veel van hem, zoals haar moeder vroeger van hem had gehouden, en vooral wanneer hij over Everville sprak.
'Wanneer heb je die dan gezien?' vroeg ze.
'O, in mijn dromen,' antwoordde hij. Hij begon te fluisteren. 'Kun jij je Owen Buddenbaum nog herinneren?'
'Natuurlijk.'
Hoe zou iemand die buitengewone meneer Buddenbaum kunnen vergeten, die in Independence een tijdlang met hen bevriend was geweest? Een rossige baard die grijs aan het worden was, een opgedraaide knevel die aan beide punten omhoog wees, de weelderigste bontjas die Maeve ooit had gezien, en zoveel muziek in zijn stem dat de schimmigste dingen die hij zei (en voor Maeve was bijna al zijn conversatie schimmig) als hemelse wijsheid had geklonken.
'Hij was geweldig,' zei ze.
'Weet je waarom hij contact met ons zocht? Omdat hij mij jouw naam hoorde noemen. Hij wist wat die naam betekent.'
'Je zei dat mijn naam "vreugde" betekent.'
'En dat is ook zo,' antwoordde Harmon, en hij boog zich naar zijn dochter toe, 'maar het is ook de naam van een Ierse geest die mannen in hun dromen bezoekt.'
Dat hoorde ze voor het eerst. Ze zette grote ogen op. 'Is dat waar?'
'Ik heb nooit tegen je kunnen liegen,' antwoordde hij, 'zelfs niet voor de grap. Ja, kind, het is waar. En toen hij hoorde dat ik je riep, pakte hij mijn arm en zei: Dromen zijn deuren, meneer O'Connell. Dat waren de allereerste woorden die hij tegen me sprak.'
'En toen?'
'Toen zei hij: we hoeven alleen maar de moed te hebben om over de drempel te stappen.'
'Ga verder.'
'Nou, de rest vertel ik je later wel eens.'
'Papa!' protesteerde Maeve.
'Wees maar trots, kind. Als jij er niet was, hadden we meneer Buddenbaum nooit ontmoet, en ik geloof dat ons levenslot is veranderd op het moment dat we hem tegenkwamen.'
Hij had geweigerd er meer over te zeggen, maar had het gesprek in plaats daarvan op de bomen gebracht die in de hoofdstraat van Everville geplant zouden worden. Maeve begreep wel dat het geen zin had om aan te dringen, maar ze dacht daarna veel over dromen. Soms werd ze midden in de nacht wakker terwijl de rafelige flarden van een droom om haar hoofd sliertten, en dan lag ze naar de sterren te kijken en dacht: Was ik bij de deur? En was er iets geweldigs aan de andere kant dat ik al vergeten ben?
Ze wilde beslist verhinderen dat die fragmenten haar ook nog ontglipten, en met een beetje oefening leerde ze die flarden van dromen vast te houden door ze hardop voor zichzelf te beschrijven. Met woorden kon je ze vasthouden, ontdekte ze, hoe primitief zo'n beschrijving ook was. Enkele lettergrepen, meer had ze niet nodig om te voorkomen dat een droom haar ontglipte.
Ze hield voor zich dat ze dit kon (ze vertelde het niet eens aan haar vader) en het was een aangename afleiding op de lange, stoffige zomerdagen. Dan zat ze in de wagen en plakte ze stukken van dromen aan elkaar. De verhalen die zo ontstonden, waren vreemder dan alles wat ze in haar boeken kon vinden.
En wat die hartveroverende meneer Buddenbaum betrof, zijn naam werd een hele tijd niet meer genoemd. Toen hij eindelijk weer ter sprake kwam, gebeurde dat onder zulke vreemde omstandigheden dat Maeve ze haar hele leven niet zou vergeten.
Ze waren in Idaho gekomen. Volgens de berekeningen van dokter Hodder (die het gezelschap elke derde avond bijeenriep en hun vertelde hoe ver ze waren gekomen), was er een goede kans dat ze over de Blue Mountains zouden zijn en de vruchtbare valleien van Oregon voor zich zouden zien liggen voordat de zomerwarmte door de herfst was verdreven. Hoewel de voorraden waren geslonken, waren ze in een goede stemming, en in de uitbundigheid van dat moment had Maeves vader iets over Everville gezegd: een terloopse opmerking die misschien onopgemerkt zou zijn gebleven, als niet een van de reizigers, een venijnige man met de naam Goodhue, een slok whisky te veel op had gehad en ruzie had gezocht. Die ruzie had hij nu gevonden.
'Die verrekte stad van jou komt er nooit,' zei hij tegen Harmon. 'Niemand van ons wil zo'n stad.' Hij sprak met luide stem en een aantal mannen, die aanvoelden dat het knokken werd en wel zin hadden in een beetje afleiding, slenterden naar hen toe.
'Laat hem maar, papa,' had Maeve tegen haar vader gemompeld, en ze had zijn hand gepakt. Maar ze kon aan zijn gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde kaken zien dat hij deze opmerking niet zou negeren.
'Waarom zeg je dat?' vroeg hij aan Goodhue.
'Omdat het stom is,' antwoordde de dronkaard. 'En jij bent een idioot.' Hij zei het een beetje lallend, maar zijn diepe minachting klonk duidelijk in zijn stem door. 'Wij zijn hier niet naar toe gekomen om in jouw kóói te gaan leven.'
'Het wordt geen kooi,' zei Harmon. 'Het wordt een nieuw Alexandrië, een nieuw Byzantium.'
'Nooit van die steden gehoord,' riep een derde stem.
De spreker was een echte bullebak, een zekere Pottruck. Zelfs veilig achter de schouder van haar vader beefde Maeve toen ze naar hem keek. Goodhue was gewoon een praatjesmaker, maar Pottruck was een schurk die zijn vrouw een keer zo erg had geslagen dat ze ziek was geworden en bijna was doodgegaan.
'Dat waren grootse steden,' zei Harmon nog steeds onverstoord, 'waar mensen in vrede en welvaart leefden.'
'Waar heb je al dat gezeik vandaan?' snauwde Pottruck. 'Volgens mij lees jij veel boeken. Waar heb je ze?' Hij liep met grote passen naar de wagen van de O'Connells. 'Pak je ze zelf of moet ik het voor je doen?'
'Blijf van onze bezittingen af!' zei Harmon en hij ging voor de bullebak staan.
Zonder zelfs maar zijn pas in te houden haalde Pottruck naar Harmon uit en sloeg hem tegen de grond. Vervolgens hees hij zich, op de voet gevolgd door Goodhue, op de achterkant van de wagen en trok het zeildoek weg.
'Blijf daar uit!' riep Harmon. Hij kwam overeind en strompelde naar de wagen.
Toen Harmon hen tot op enkele passen was genaderd, draaide Goodhue zich om. Hij had een mes in zijn hand en keek Harmon met een verloederde whiskygrijns aan. 'Uh-uh,' zei hij.
'Papa...' zei Maeve met bevende stem, '... alsjeblieft, niet doen.'
Harmon keek om naar zijn dochter. 'Het komt wel goed,' zei hij. Hij ging niet verder, maar bleef staan kijken toen Goodhue in de wagen klom en daar samen met Pottruck alles overhoop haalde.
Het lawaai waarmee ze de wagen doorzochten, had nog meer publiek getrokken, maar geen van de omstanders kwam naar voren om Harmon en zijn dochter te helpen. De meesten hadden net zo'n grote hekel aan Pottruck als aan de O'Connells, maar ze wisten heel goed wie hen het meest kwaad kon doen.
Er kwam nu een tevreden gegrom uit de wagen en Pottruck kwam naar buiten met een donkere, glanzende kist van teakhout, die hij zonder plichtplegingen op de grond gooide. Goodhue sprong voor zijn trawant uit en probeerde de kist met zijn mes open te krijgen. Het lukte hem niet en hij begon in zijn frustratie lukraak in het deksel te steken.
'Maak hem niet kapot,' zei Harmon met een zucht. 'Ik maak hem wel voor je open.'
Hij nam een sleutel die aan zijn hals hing en knielde neer om de kist open te maken. Pottruck was nu ook uit de wagen gekomen. Hij duwde Harmon opzij en schopte het deksel open.
Maeve had de inhoud van die kist al vele malen gezien. Voor mensen met weinig ontwikkeling was het niet veel bijzonders, alleen een paar rollen papier met stroken leer eromheen, maar voor haar en voor haar vader waren het schatten. Op die vellen perkament lag de stad Everville te wachten tot ze geboren werd: haar kruispunten en pleinen, haar parken en boulevards en openbare gebouwen.
'Wat heb ik je gezegd?' riep Pottruck uit.
'Je zei boeken,' antwoordde Goodhue.
ik zei gezeik, dat zei ik,' zei Pottruck. Hij zocht tussen de rollen papier en gooide ze her en der in het rond, op zoek naar iets waaraan hij kon zien dat het waardevol was.
Maeve zag haar vader kijken. Hij beefde van top tot teen en zijn gezicht was asgrauw. Zijn woede, zo leek het wel, had plaats gemaakt voor fatalisme, en daar was ze blij om. Papieren konden worden vervangen. Hij niet.
Pottruck had het zoeken opgegeven. Aan de verveelde uitdrukking op zijn gezicht te zien, was hij van plan om naar zijn wagen terug te keren en verder te gaan met het slaan van zijn vrouw. Dat zou hij misschien ook hebben gedaan, als Goodhue niet iets op de bodem van de kist had zien liggen.
'Wat is dat?' Hij bukte zich en graaide in de diepte. Over zijn ongeschoren gezicht verspreidde zich een grijns. 'Dit lijkt mij geen gezeik.'
Hij hield zijn ontdekking in het licht, liet het voorwerp uit het papier glijden dat eromheen zat en stak het omhoog om het aan iedereen te laten zien. Het was iets dat zelfs Maeve nog nooit had gezien en ze keek er met grote verbazing naar. Het leek een of ander kruis, maar niet het soort kruis dat een christen zou dragen.
Ze ging naast haar vader staan en fluisterde: 'Wat is dat, papa?'
'Het was een geschenk...' antwoordde hij, '... van meneer Buddenbaum.'
Een vrouw, Marsha Winthrop, een van de weinigen die ooit een beetje vriendelijk voor Maeve waren, kwam nu uit de groep omstanders naar voren om van dichtbij te zien wat Goodhue had gevonden. Ze was een grote vrouw met een scherpe tong, en toen ze sprak, hielden de omstanders even op met mompelen.
'Dat lijkt me een sieraad,' zei ze, en ze wendde zich tot Harmon. 'Was het van je vrouw?'
Maeve zou zich later nog vaak afvragen wat haar vader op dat moment had bezield. Was het uit koppigheid dat hij geen pijnloze leugen vertelde of schiep hij er een duivels genoegen in om dat niet te doen? Hoe dan ook, hij liet de kans om er gemakkelijk van af te komen voorbijgaan.
'Nee,' zei hij. 'Het was niet van mijn vrouw.'
'Wat is het dan?' wilde Goodhue weten.
Het antwoord kwam niet van Harmons lippen, maar uit de menigte.
'Een teken van de duivel,' zei een snerpende stem.
Mensen keken om en de glimlach verdween van hun gezichten toen ze Enoch Whitney vanuit de achterste gelederen naar voren zagen komen. Hij was geen predikant, maar hij was naar eigen zeggen de meest godvrezende onder hen, een ziel die opdracht van de Heer had gekregen om over zijn medemensen te waken en hen er voortdurend aan te herinneren dat de Vijand in hun midden was. Dat was een zware taak en hij liet zelden een gelegenheid voorbijgaan om zijn beschermelingen eraan te herinneren hoe hij moest lijden voor hun zonden. Niettemin had hij de verantwoordelijkheid om een ieder die in daden, woorden of intenties van de geboden afweek publiekelijk de les te lezen. De ontuchtige, uiteraard, en de overspelige, de bedrieger. En op deze avond de aanbidder van goddeloze voorwerpen.
Hij ging nu voor de dolende vader en dochter staan, popelend om hen te veroordelen. Hij was een lange, magere man, met ogen die zo druk bezig waren hun plicht te doen dat ze nooit langer dan een seconde op iets gericht bleven.
'Jij hebt je altijd al als een schuldig man gedragen, O'Connell,' zei hij,
en zijn blik ging van de beschuldigde naar Maeve en naar het voorwerp in Goodhues vingers. 'Maar ik kon nooit tot de wortel van jouw schuld komen. Nu begrijp ik het.' Hij stak zijn hand uit. Goodhue liet het kruis erin vallen en trok zich terug.
ik ben nergens schuldig aan,' zei Harmon.
'Noem je dit nergens schuldig aan?' zei Whitney met stemverheffing. Hij had een krachtige stem en maakte daar constant gebruik van. 'Nergens schuldig aan?'
‘Ik zei dat ik nergens schuldig aan was...'
'Vertel me eens, O'Connell, welke dienst heb jij de duivel bewezen dat hij je beloonde met dit goddeloze voorwerp?'
Er ging een zucht door de menigte. Het gebeurde maar zelden dat er zo openlijk over de kwade werd gesproken, en dan alleen nog fluisterend, uit angst de aandacht van de besprokene te trekken. Whitney had die angst niet. Hij sprak bijna enthousiast over de duivel.
‘Ik heb hem geen dienst bewezen,' antwoordde Harmon.
'Dan was het een geschenk.'
'Ja.' Weer ging er een zucht door de menigte. 'Maar niet van de duivel.'
'Dit is het werk van Satan!' brulde Whitney.
'Dat is het niet!' schreeuwde Harmon terug, ik heb niets met de duivel te maken. Jij bent hier degene die de hele tijd over de hel praat, Whitney! Jij bent degene die overal de duivel ziet! Ik geloof niet dat de duivel zich veel aan ons gelegen laat liggen. Ik denk dat hij ergens...'
'De duivel is overal!' zei Whitney. 'Hij wacht tot we een fout begaan en ten val komen!' Dit was niet gericht tot Harmon, maar tot de menigte, die sinds de komst van Whitney enigszins was uitgedund. 'Er is geen plaats ter wereld, zelfs niet in de wildernis, waar zijn ogen niet op ons gericht zijn.'
'Jij spreekt van de duivel zoals ware christenen van de Almachtige God spreken,' merkte Harmon op. ik vraag me soms af aan welke kant jij staat!'
Die woorden brachten Whitney tot razernij. 'Hoe durf jij mijn rechtschapenheid in twijfel te trekken,' riep hij uit, 'terwijl ik het bewijs van jouw goddeloze betrekkingen hier in mijn hand hou?' Hij wendde zich tot de omstanders. 'Wij moeten deze man niet in ons midden dulden!' zei hij. 'Hij zal rampen over ons afroepen om zijn duivelse meesters tevreden te stellen!' Hij hield het medaillon omhoog, liet het aan iedereen zien. is dit nog niet voldoende bewijs? Het is een parodie van onze Heer aan het kruis!' Hij wendde zich weer tot Harmon, stak zijn priemende wijsvinger naar de beschuldigde uit. ik vraag je nogmaals: welke dienst heb jij hiervoor bewezen?'
'En ik zeg jou, nog één keer, dat als jij de hand van de duivel blijft zien in alles wat wij doen, jij zijn grootste bondgenoot zult zijn.' Harmon sprak nu zacht, alsof hij het tegen een angstig kind had. 'Jouw onwetendheid is een zegen voor de duivel, Whitney. Telkens wanneer jij iets veroordeelt wat je niet begrijpt, glimlacht hij. Telkens wanneer je de angst voor hem verspreidt, waar die er eerst niet was, lacht hij. Jij bent degene van wie hij houdt, Whitney, niet ik. Jij bent degene die hij dankt in zijn avondgebeden.' De rollen waren zo gemakkelijk en zo welsprekend omgedraaid dat Whitney niet meteen inzag dat hij verloren had. Hij keek zijn tegenstander met gefronste wenkbrauwen aan, terwijl Harmon zich omdraaide en het woord tot de omstanders richtte. 'Als jullie niet willen dat mijn dochter en ik nog langer met jullie meereizen,' zei hij, 'als jullie de lasterpraat geloven die jullie zojuist hebben gehoord, moeten jullie het nu zeggen. Dan gaan wij onze eigen weg. Maar wees er zeker van, wees er allemaal zeker van, dat er niets in mijn hart of hoofd is dat daar niet door de Here God is ingestopt...'
Aan het eind van zijn betoog begon zijn stem te beven, en Maeve pakte zijn hand vast om hem te troosten. Zij aan zij stonden ze tegenover de menigte, in afwachting van het oordeel. Er volgde een korte stilte. Die werd niet door Whitney, maar door Marsha Winthrop verbroken.
‘Ik zie geen reden om jullie te dwingen jullie eigen weg te gaan,' zei ze. 'We zijn samen aan deze reis begonnen. Ik vind dat we tot het eind toe samen moeten blijven.'
Na al dat gepraat over God en de duivel haalden de omstanders opgelucht adem toen ze deze verstandige woorden hoorden. Hier en daar werd instemmend gemompeld en sommige mensen begonnen weg te lopen. Het drama was voorbij. Ze moesten aan het werk, wielen repareren, in hun soep roeren. Maar de rechtschapen Whitney was er de man niet naar om zijn gemeente zonder één laatste waarschuwing te laten vertrekken.
'Dit is een gevaarlijk man!' gromde hij. Hij gooide het medaillon op de grond en drukte het met zijn hak in de modder. 'Hij zal ons met zich meesleuren naar de hel.'
'Hij stuurt ons nergens heen, Enoch,' zei Marsha. 'Jij moet je niet altijd zo opwinden.'
Whitney wierp Harmon een venijnige blik toe. ik hou je in de gaten,' zei hij.
'Dat is een hele geruststelling,' antwoordde Harmon, en dat leverde hem een lachje van Marsha op.
Alsof het geluid van haar lach hem diep schokte, maakte Whitney zich uit de voeten. Mompelend baande hij zich een weg door de menigte.
'Wees maar voorzichtig,' zei Marsha tegen Harmon toen zij ook wegliep. 'Jij hebt een tong waar je nog eens veel kwaad van kunt ondervinden.'
'Jij was vanavond erg goed voor ons,' antwoordde hij. 'Dank je.'
'Ik deed het voor het kind,' antwoordde Marsha. ik wilde niet dat ze dacht dat de hele wereld gek is.'
Toen was ze weg en kon Harmon de verspreid liggende papieren oprapen en weer in de kist doen. Achter de rug van haar vader ging Maeve op zoek naar het medaillon. Ze pakte het op en bekeek het aandachtig. Alle beschrijvingen die ze in de afgelopen paar minuten had gehoord, leken haar geloofwaardig. Het was een mooi ding, daarover kon geen twijfel bestaan. Het glansde als zilver, maar met vlekjes van kleur: vuurrood en hemelsblauw. Elke vrouw, echtgenote of niet, zou het graag dragen. Maar het was duidelijk meer dan een sieraad. Er was een figuur in het midden, de armen gespreid als die van Jezus aan het kruis, alleen was deze heiland spiernaakt en vertoonde hij zowel mannelijke als vrouwelijke kenmerken. Dit kon nooit een afbeelding van de duivel zijn. Er ging niets angstaanjagends van uit: geen gespleten hoeven, geen hoorns. Er vloeiden vormen uit zijn handen en hoofd en tussen zijn benen vandaan. Sommige herkende ze (een aap; de bliksem; twee ogen, een boven, een beneden), andere gingen haar begrip te boven. Maar ze waren geen van alle weerzinwekkend of goddeloos.
'Kijk er maar niet te lang naar,' hoorde ze haar vader zeggen.
'Waarom niet?' vroeg ze, met haar blik nog op het medaillon gevestigd. 'Zal het me dan betoveren?'
'Om je de waarheid te zeggen weet ik niet wat het zal doen,' zei haar vader.
'Heeft meneer Buddenbaum je dat niet verteld?'
Haar vader reikte over haar schouder en nam het medaillon met zachte drang uit haar vingers.
'O, hij heeft het me wel verteld,' zei Harmon. Hij liep terug naar de kist en legde het medaillon erin. 'Maar ik begreep hem niet helemaal.' Nu hij alles weer had verzameld, sloot hij het deksel en begon hij de kist naar de wagen terug te sjouwen. 'En het lijkt me beter dat we de naam van die man niet meer hardop uitspreken.'
'Waarom niet?' zei Maeve, die vastbesloten was om wat antwoorden uit haar vader los te krijgen, is hij een slecht mens?'
Harmon zette de kist achter op de wagen, ik weet niet wat voor mens hij is,' antwoordde hij met gedempte stem. 'Eigenlijk weet ik niet eens of hij wel een mens is. Misschien...' Hij zuchtte.
'Wat, papa?'
'Misschien heb ik hem gedroomd.'
'Maar ik heb hem ook gezien.'
'Dan hebben we hem misschien allebei gedroomd. Misschien is dat alles wat Everville is of zal zijn. Gewoon een droom die wij samen hebben gehad.'
Haar vader had Maeve verteld dat hij niet tegen haar zou liegen, en ze geloofde hem, zelfs nu. Maar welke droom kon voorwerpen opleveren die zo echt waren als het medaillon dat ze zojuist in haar vingers had gehad?
'Ik begrijp het niet,' zei ze.
'We hebben het er later nog wel eens over,' zei Harmon, en hij streek met zijn hand over zijn doorgroefde voorhoofd. 'Laten we er nu niet meer over spreken.'
'Zeg me dan wanneer,' zei Maeve.
'Als de tijd er rijp voor is, zullen we het weten,' zei Harmon. Hij schoof de kist weer onder het dekzeil, uit het zicht. 'Zo gaat dat met die dingen.'